Salmos 69

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.
1 Salva-me, ó Deus, porque as águas me sobem até a alma.
2 Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
2 Estou atolado num profundo lamaçal, que não dá pé. Entrei em águas profundas, e estou sendo arrastado pela correnteza.
3 Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
3 Estou cansado de clamar, e a minha garganta secou; os meus olhos esmorecem de tanto esperar por meu Deus.
4 Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
4 Os que, sem razão, me odeiam são mais numerosos do que os cabelos da minha cabeça; são poderosos os que querem me destruir, os que com falsos motivos são meus inimigos; por isso, tenho de restituir o que não roubei.
5 Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
5 Tu, ó Deus, bem conheces a minha insensatez, e as minhas culpas não te são ocultas.
6 O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
6 Não sejam envergonhados por minha causa os que esperam em ti, ó nem por minha causa sofram vexame os que te buscam, ó Deus de Israel.
7 Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
7 Pois tenho suportado afrontas por amor de ti, e o meu rosto se cobre de vergonha.
8 Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
8 Tornei-me um estranho para os meus irmãos e um desconhecido para os filhos da minha mãe.
9 Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
9 Pois o zelo da tua casa me consumiu, e as ofensas dos que te insultam caem sobre mim.
10 Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
10 Chorei, jejuei, mas até isto se tornou motivo de deboche para mim.
11 En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
11 Pus um pano de saco por roupa e me tornei motivo de provérbio para eles.
12 En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
12 Os que se assentam junto ao portão da cidade falam de mim, e sou motivo para cantigas de bêbados.
13 Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.
13 Quanto a mim, porém, Senhor , faço a ti, em tempo favorável, a minha oração. Responde-me, ó Deus, pela riqueza da tua graça. Pela tua fidelidade em socorrer,
14 Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.
14 livra-me do lamaçal, para que eu não me afunde; que eu seja salvo dos que me odeiam e das profundezas das águas.
15 Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.
15 Não deixes que a corrente das águas me arraste, nem que as profundezas do abismo me engulam, nem que se feche sobre mim a boca do poço.
16 Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.
16 Responde-me, Senhor , pois compassiva é a tua graça; volta-te para mim segundo a riqueza das tuas misericórdias.
17 Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
17 Não escondas o rosto ao teu servo, pois estou angustiado; responde-me depressa.
18 En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.
18 Aproxima-te de minha alma e redime-a; resgata-me por causa dos meus inimigos.
19 Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.
19 Tu conheces a minha afronta, a minha vergonha e o meu vexame; todos os meus adversários estão à tua vista.
20 Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.
20 As afrontas partiram o meu coração, e desfaleci. Esperei por piedade, mas foi em vão. Esperei por consoladores, mas não apareceu ninguém.
21 De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
21 Por alimento me deram fel e na minha sede me deram a beber vinagre.
22 Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
22 Que a mesa deles se torne em laço diante deles, e a prosperidade, em armadilha.
23 Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
23 Que os olhos deles se escureçam, para que não vejam; e faze com que as suas costas não parem de tremer.
24 Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.
24 Derrama sobre eles a tua indignação, e que o furor da tua ira os alcance.
25 Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
25 Fique deserta a sua morada, e não haja quem habite nas suas tendas.
26 Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.
26 Pois perseguem a quem tu feriste e ficam falando sobre as dores daqueles a quem golpeaste.
27 Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
27 Soma-lhes iniquidade à iniquidade, e que não tenham acesso à tua justiça.
28 Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
28 Sejam riscados do Livro dos Vivos e não sejam incluídos na lista dos justos.
29 Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
29 Quanto a mim, porém, estou sofrendo e aflito; que a tua salvação, ó Deus, me ponha num alto refúgio.
30 Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
30 Louvarei com cânticos o nome de Deus; quero exaltá-lo com ações de graças.
31 Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.
31 Isso será muito mais agradável ao do que um boi ou um novilho com chifres e cascos.
32 En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.
32 Que os aflitos vejam isso e se alegrem; quanto a vocês que buscam a Deus, que o seu coração se reanime.
33 De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
33 Porque o Senhor ouve os necessitados e não despreza os seus prisioneiros.
34 Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
34 Louvem-no os céus e a terra, os mares e tudo o que neles se move.
35 Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.
35 Porque Deus salvará Sião e edificará as cidades de Judá; habitarão ali e tomarão posse de Sião.
36 Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; [ (Psalms 69:37) En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen. ]
36 Também a descendência dos seus servos a herdará, e nela habitarão os que amam o nome de Deus.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Salmos 69, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.