Salmos 69

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.
1 Salva-me, ó Deus, porque as águas me sobem até à alma.
2 Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
2 Estou atolado em profundo lamaçal, que não dá pé; estou nas profundezas das águas, e a corrente me submerge.
3 Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
3 Estou cansado de clamar, secou-se-me a garganta; os meus olhos desfalecem de tanto esperar por meu Deus.
4 Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
4 São mais que os cabelos de minha cabeça os que, sem razão, me odeiam; são poderosos os meus destruidores, os que com falsos motivos são meus inimigos; por isso, tenho de restituir o que não furtei.
5 Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
5 Tu, ó Deus, bem conheces a minha estultice, e as minhas culpas não te são ocultas.
6 O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
6 Não sejam envergonhados por minha causa os que esperam em ti, ó nem por minha causa sofram vexame os que te buscam, ó Deus de Israel.
7 Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
7 Pois tenho suportado afrontas por amor de ti, e o rosto se me encobre de vexame.
8 Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
8 Tornei-me estranho a meus irmãos e desconhecido aos filhos de minha mãe.
9 Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
9 Pois o zelo da tua casa me consumiu, e as injúrias dos que te ultrajam caem sobre mim.
10 Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
10 Chorei, em jejum está a minha alma, e isso mesmo se me tornou em afrontas.
11 En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
11 Pus um pano de saco por veste e me tornei objeto de escárnio para eles.
12 En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
12 Tagarelam sobre mim os que à porta se assentam, e sou motivo para cantigas de beberrões.
13 Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.
13 Quanto a mim, porém, Senhor , faço a ti, em tempo favorável, a minha oração. Responde-me, ó Deus, pela riqueza da tua graça; pela tua fidelidade em socorrer,
14 Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.
14 livra-me do tremedal, para que não me afunde; seja eu salvo dos que me odeiam e das profundezas das águas.
15 Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.
15 Não me arraste a corrente das águas, nem me trague a voragem, nem se feche sobre mim a boca do poço.
16 Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.
16 Responde-me, Senhor , pois compassiva é a tua graça; volta-te para mim segundo a riqueza das tuas misericórdias.
17 Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
17 Não escondas o rosto ao teu servo, pois estou atribulado; responde-me depressa.
18 En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.
18 Aproxima-te de minha alma e redime-a; resgata-me por causa dos meus inimigos.
19 Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.
19 Tu conheces a minha afronta, a minha vergonha e o meu vexame; todos os meus adversários estão à tua vista.
20 Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.
20 O opróbrio partiu-me o coração, e desfaleci; esperei por piedade, mas debalde; por consoladores, e não os achei.
21 De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
21 Por alimento me deram fel e na minha sede me deram a beber vinagre.
22 Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
22 Sua mesa torne-se-lhes diante deles em laço, e a prosperidade, em armadilha.
23 Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
23 Obscureçam-se-lhes os olhos, para que não vejam; e faze que sempre lhes vacile o dorso.
24 Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.
24 Derrama sobre eles a tua indignação, e que o ardor da tua ira os alcance.
25 Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
25 Fique deserta a sua morada, e não haja quem habite as suas tendas.
26 Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.
26 Pois perseguem a quem tu feriste e acrescentam dores àquele a quem golpeaste.
27 Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
27 Soma-lhes iniquidade à iniquidade, e não gozem da tua absolvição.
28 Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
28 Sejam riscados do Livro dos Vivos e não tenham registro com os justos.
29 Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
29 Quanto a mim, porém, amargurado e aflito, ponha-me o teu socorro, ó Deus, em alto refúgio.
30 Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
30 Louvarei com cânticos o nome de Deus, exaltá-lo-ei com ações de graças.
31 Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.
31 Será isso muito mais agradável ao Senhor do que um boi ou um novilho com chifres e unhas.
32 En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.
32 Vejam isso os aflitos e se alegrem; quanto a vós outros que buscais a Deus, que o vosso coração reviva.
33 De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
33 Porque o Senhor responde aos necessitados e não despreza os seus prisioneiros.
34 Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
34 Louvem-no os céus e a terra, os mares e tudo quanto neles se move.
35 Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.
35 Porque Deus salvará Sião e edificará as cidades de Judá, e ali habitarão e hão de possuí-la.
36 Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; [ (Psalms 69:37) En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen. ]
36 Também a descendência dos seus servos a herdará, e os que lhe amam o nome nela habitarão.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Salmos 69, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.