Números 10

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1 O Senhor Deus disse a Moisés o seguinte:
2 Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht der legers.
2 — Faça duas trombetas de prata batida. Com elas você chamará o povo para se reunir e dará o sinal de partida do acampamento.
3 Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst.
3 Quando forem tocadas as duas trombetas, todo o povo se reunirá com você na entrada da Tenda Sagrada .
4 Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israel.
4 Porém, quando uma só for tocada, apenas os chefes dos grupos de famílias se reunirão com você.
5 Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken.
5 Quando tocarem sons curtos e fortes, as tribos acampadas a leste deverão começar a sair.
6 Maar als gij ten tweeden male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten.
6 Quando tocarem pela segunda vez sons curtos e fortes, as tribos que estão ao sul começarão a sair. O sinal para partida serão toques curtos e fortes;
7 Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken.
7 mas, para reunir o povo, deverão ser dados toques longos.
8 En de zonen van Aaron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten.
8 Os encarregados de tocar as trombetas serão os sacerdotes, que são descendentes de Arão. — A seguinte
9 En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden.
9 Quando vocês estiverem em guerra no seu próprio país, defendendo-se de um inimigo que os atacou, toquem o sinal para a batalha com essas trombetas. Eu, o Senhor , o Deus de vocês, os ajudarei e os livrarei dos seus inimigos.
10 Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God!
10 Também nas ocasiões de alegria, isto é, nas Festas da Lua Nova e nas outras festas religiosas, vocês deverão tocar as trombetas quando apresentarem os sacrifícios que serão completamente queimados e as ofertas de paz. Então eu os ajudarei. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês.
11 En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.
11 No segundo ano depois que o povo saiu do Egito, no dia vinte do segundo mês, a nuvem se levantou de cima da Tenda Sagrada .
12 En de kinderen Israels togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinai; en de wolk bleef in de woestijn Paran.
12 Nesse dia os israelitas começaram a caminhar, partindo assim do deserto do Sinai; e a nuvem parou no deserto de Parã.
13 Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.
13 Assim, pela primeira vez, eles começaram a caminhar, conforme a ordem que o Senhor tinha dado a Moisés.
14 Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.
14 Primeiro saíram os que eram da bandeira da tribo de Judá, grupo por grupo, comandados por Nasom, filho de Aminadabe.
15 En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.
15 Netanel, filho de Zuar, comandava a tribo de Issacar;
16 En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
16 e Eliabe, filho de Helom, comandava a tribo de Zebulom.
17 Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel.
17 Então a Tenda foi desarmada, e os levitas dos grupos de famílias de Gérson e de Merari partiram, levando a Tenda.
18 Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.
18 Depois saíram aqueles que eram da bandeira levada pela tribo de Rúben, grupo por grupo, comandados por Elisur, filho de Sedeur.
19 En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
19 Selumiel, filho de Zurisadai, comandava a tribo de Simeão,
20 En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.
20 e Eliasafe, filho de Deuel, comandava a tribo de Gade.
21 Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.
21 Em seguida saíram os levitas do grupo de famílias de Coate, carregando os objetos sagrados. E, quando chegaram ao outro acampamento, a Tenda já estava armada.
22 Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.
22 Então saíram aqueles que eram da bandeira da tribo de Efraim, grupo por grupo, comandados por Elisama, filho de Amiúde.
23 En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.
23 Gamaliel, filho de Pedasur, comandava a tribo de Manassés;
24 En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.
24 e Abidã, filho de Gideoni, comandava a tribo de Benjamim.
25 Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.
25 Depois, atrás de todas as outras tribos, saíram aqueles que eram da bandeira da tribo de Dã, grupo por grupo, comandados por Aiezer, filho de Amisadai.
26 En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.
26 Pagiel, filho de Ocrã, comandava a tribo de Aser,
27 En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
27 e Aira, filho de Enã, comandava a tribo de Naftali.
28 Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.
28 Os israelitas começaram a caminhar nesta ordem, grupo por grupo.
29 Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken.
29 Moisés disse ao seu cunhado Hobabe, filho de Jetro, o midianita: — Nós estamos saindo para o lugar que o
30 Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.
30 Hobabe respondeu: — Não. Eu vou voltar para a minha terra e para a minha família.
31 En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.
31 — Por favor, não faça isso — disse Moisés. — Você conhece o deserto e sabe onde podemos acampar; você poderia ser o nosso guia.
32 En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.
32 Se você vier com a gente, nós repartiremos com você todas as bênçãos que o Senhor nos der.
33 Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.
33 E assim os israelitas partiram do Sinai, o monte de Deus, o Senhor , e caminharam durante três dias. A arca da aliança do Senhor ia sempre na frente deles a fim de marcar o lugar de acampar.
34 En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.
34 Quando partiam, a nuvem do Senhor ficava por cima deles durante o dia.
35 Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!
35 Sempre que a arca partia, Moisés dizia assim: “Ó Senhor Deus, levanta-te e espalha os teus inimigos! E que fujam da tua frente os que te odeiam!”
36 En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israel!
36 E, sempre que a arca parava, Moisés dizia assim: “Ó Senhor Deus, volta para ficar com os milhares de famílias do povo de Israel!”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Números 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.