Números 10

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1 O Senhor disse a Moisés:
2 Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht der legers.
2 — Faça duas trombetas de prata batida. Elas serão usadas por você para convocar a congregação e para dar o sinal de partida dos arraiais.
3 Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst.
3 Quando tocarem as duas trombetas, toda a congregação se ajuntará a você à porta da tenda do encontro.
4 Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israel.
4 Mas, quando tocar uma só, se ajuntarão a você os chefes, os cabeças dos milhares de Israel.
5 Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken.
5 Quando vocês derem um toque de alarme, partirão os arraiais que estão acampados do lado leste.
6 Maar als gij ten tweeden male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten.
6 E, quando derem um segundo toque de alarme, então partirão os arraiais que estão acampados do lado sul. Para a partida, deve soar um toque de alarme.
7 Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken.
7 Para reunir a congregação, devem tocar as trombetas, mas não na forma de alarme.
8 En de zonen van Aaron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten.
8 Os filhos de Arão, sacerdotes, tocarão as trombetas; e isto será para vocês por estatuto perpétuo de geração em geração.
9 En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden.
9 — Quando, na sua terra, vocês saírem a lutar contra os inimigos que os oprimem, também tocarão as trombetas na forma de alarme, e diante do Senhor , o Deus de vocês, haverá lembrança de vocês, e serão salvos de seus inimigos.
10 Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God!
10 Também nos dias de alegria, e nas festas fixas, e no princípio de cada mês, toquem as suas trombetas sobre os seus holocaustos e sobre os seus sacrifícios pacíficos, para que sejam por memorial diante do seu Deus. Eu sou o Senhor , o Deus de vocês.
11 En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.
11 No segundo ano, no segundo mês, aos vinte dias do mês, a nuvem se ergueu de sobre o tabernáculo da congregação.
12 En de kinderen Israels togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinai; en de wolk bleef in de woestijn Paran.
12 Os filhos de Israel puseram-se em marcha, partindo do deserto do Sinai, jornada após jornada; e a nuvem repousou no deserto de Parã.
13 Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.
13 Assim, pela primeira vez, se puseram em marcha, segundo o mandado do Senhor , por Moisés.
14 Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.
14 Primeiramente partiu o estandarte do arraial dos filhos de Judá, segundo as suas turmas; e sobre o seu exército estava Naassom, filho de Aminadabe.
15 En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.
15 Sobre o exército da tribo dos filhos de Issacar estava Natanael, filho de Zuar,
16 En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
16 e sobre o exército da tribo dos filhos de Zebulom estava Eliabe, filho de Helom.
17 Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel.
17 Então desarmaram o tabernáculo, e os filhos de Gérson e os filhos de Merari partiram, levando o tabernáculo.
18 Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.
18 Depois, partiu o estandarte do arraial de Rúben, segundo as suas turmas; e sobre o seu exército estava Elizur, filho de Sedeur.
19 En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
19 Sobre o exército da tribo dos filhos de Simeão estava Selumiel, filho de Zurisadai,
20 En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.
20 e sobre o exército da tribo dos filhos de Gade estava Eliasafe, filho de Deuel.
21 Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.
21 Então partiram os coatitas, levando as coisas santas; e o tabernáculo era levantado até que estes chegassem.
22 Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.
22 Depois, partiu o estandarte do arraial dos filhos de Efraim, segundo as suas turmas; e sobre o seu exército estava Elisama, filho de Amiúde.
23 En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.
23 Sobre o exército da tribo dos filhos de Manassés estava Gamaliel, filho de Pedazur,
24 En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.
24 e sobre o exército da tribo dos filhos de Benjamim estava Abidã, filho de Gideoni.
25 Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.
25 Então partiu o estandarte do arraial dos filhos de Dã, formando a retaguarda de todos os arraiais, segundo as suas turmas; e sobre o seu exército estava Aiezer, filho de Amisadai.
26 En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.
26 Sobre o exército da tribo dos filhos de Aser estava Pagiel, filho de Ocrã.
27 En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
27 E sobre o exército da tribo dos filhos de Naftali estava Aira, filho de Enã.
28 Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.
28 Nesta ordem, puseram-se em marcha os filhos de Israel, segundo os seus exércitos.
29 Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken.
29 Moisés disse a Hobabe, filho de Reuel, o midianita, sogro de Moisés: — Estamos de viagem para o lugar de que o
30 Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.
30 Mas Hobabe respondeu: — Não irei. Prefiro voltar à minha terra e à minha parentela.
31 En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.
31 Moisés insistiu: — Por favor, não nos deixe, porque você sabe que devemos acampar no deserto; e você nos servirá de guia.
32 En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.
32 Se vier conosco, faremos a você o mesmo bem que o Senhor Deus fizer a nós.
33 Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.
33 Assim, partiram do monte do Senhor e caminharam durante três dias. A arca da aliança do Senhor ia adiante deles durante esses três dias, para encontrar um lugar de descanso para eles.
34 En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.
34 A nuvem do Senhor pairava sobre eles de dia, quando partiam do arraial.
35 Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!
35 Quando a arca partia, Moisés falava: “Levanta-te, Senhor , sejam espalhados os teus inimigos e fujam diante de ti os que te odeiam.”
36 En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israel!
36 E, quando a arca parava, Moisés dizia: “Volta, ó Senhor , para os milhares de milhares de Israel.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Números 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.