Levítico 26
Dutch (DUTCH) vs NTLH
1 Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!
1 O Senhor Deus disse ao povo de Israel: — Não façam nenhum ídolo ou imagem, nem coluna sagrada ou pedra com figuras gravadas para adorar. Não adorem nenhum deles; eu, o
2 Mijn sabbatten zult gij houden, en Mijn heiligdommen zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!
2 Guardem o sábado, o meu dia, e respeitem o lugar onde sou adorado. Eu sou o Senhor .
3 Indien gij in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult;
3 — Se vocês obedecerem às minhas leis e aos meus mandamentos, fazendo tudo o que eu ordeno,
4 Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijn vrucht geven;
4 eu mandarei chuva no tempo certo, a terra produzirá colheitas, e as árvores darão frutas.
5 En de dorstijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uw brood eten tot verzadiging toe, en gij zult zeker in uw land wonen.
5 As colheitas serão tão grandes, que vocês ainda estarão colhendo cereais quando chegar o tempo de colher uvas e estarão colhendo uvas quando chegar o tempo de semear os campos. Haverá bastante comida para todos, e vocês viverão em segurança na sua terra.
6 Ook zal Ik vrede geven in het land, dat gij zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.
6 — Eu darei paz à terra de vocês. Todos dormirão sossegados, e ninguém os assustará, pois farei desaparecer da terra os animais selvagens e acabarei com as guerras.
7 En gij zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
7 Vocês vencerão os seus inimigos e os matarão;
8 Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
8 cinco de vocês derrotarão cem deles, e cem de vocês derrotarão dez mil. Todos eles serão mortos.
9 En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen.
9 Eu abençoarei vocês e lhes darei muitos filhos. Cumprirei as promessas da aliança que fiz com vocês.
10 En gij zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult gij vanwege het nieuwe uitbrengen.
10 As colheitas serão tão grandes, que vocês precisarão jogar fora o trigo velho para terem lugar onde guardar o novo.
11 En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.
11 Morarei no meio de vocês, na minha Tenda Sagrada , e nunca os abandonarei.
12 En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn.
12 Estarei sempre com vocês; vocês serão o meu povo, e eu serei o seu Deus.
13 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land der Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat gij hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.
13 Eu sou o Senhor , o Deus de vocês. Eu os tirei do Egito para que vocês não fossem escravos dos egípcios. Eu os livrei da escravidão e os fiz andar de cabeça erguida.
14 Maar indien gij Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen;
14 — Porém, se vocês não obedecerem a todos os meus mandamentos,
15 En zo gij Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat gij niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;
15 se rejeitarem as minhas leis , se desprezarem as minhas ordens e se quebrarem a aliança que fiz com vocês,
16 Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.
16 então eu os castigarei. Mandarei desastres, e doenças, e febres que abalam a saúde e enfraquecem o corpo. Não adiantará nada semear os campos, pois os inimigos é que comerão as colheitas.
17 Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen ulieden zetten, dat gij geslagen zult worden voor het aangezicht uwer vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en gij zult vlieden, als u iemand vervolgt.
17 Ficarei contra vocês e deixarei que sejam derrotados pelos inimigos. Eles os dominarão, e vocês fugirão mesmo quando ninguém os perseguir.
18 En zo gij Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toe doen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen.
18 — Porém, se nem assim vocês me obedecerem, mas continuarem a pecar, eu mandarei um castigo sete vezes pior.
19 Want Ik zal de hovaardigheid uwer kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper.
19 Acabarei com o seu poder, de que vocês se orgulham; não mandarei chuva, e o chão ficará duro como ferro.
20 En uw macht zal ijdelijk verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet geven.
20 Não adiantará nada vocês trabalharem e se cansarem; os campos não produzirão colheitas, e as árvores não darão frutas.
21 En zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.
21 — E, se ainda assim vocês teimarem em pecar, em me rejeitar e em desobedecer aos meus mandamentos, eu mandarei um castigo sete vezes pior.
22 Want Ik zal onder u zenden het gedierte des velds, hetwelk u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.
22 Mandarei para o meio de vocês animais selvagens que matarão os seus filhos, acabarão com o seu gado e matarão tanta gente, que não haverá ninguém para andar pelas estradas.
23 Indien gij nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen;
23 — E, se mesmo com isso vocês não voltarem para mim, mas continuarem a me desafiar,
24 Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan.
24 eu ficarei contra vocês e por causa dos seus pecados mandarei um castigo sete vezes pior.
25 Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak des verbonds wreken zal, zodat gij in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden.
25 Ordenarei que povos inimigos os ataquem; e assim vocês serão castigados por terem quebrado a aliança que fiz com vocês. E, se vocês se ajuntarem nas cidades para escaparem dos inimigos, eu farei com que vocês sejam atacados por doenças graves, e os inimigos os prenderão.
26 Als Ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en gij zult eten, maar niet verzadigd worden.
26 Por causa do meu castigo, a comida será tão pouca, que bastará um forno para dez donas de casa assarem pão, e cada pessoa receberá uma porção tão pequena de comida, que ninguém conseguirá matar a fome.
27 Als gij ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid;
27 — E, se nem assim vocês me obedecerem, mas continuarem a me desafiar,
28 Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.
28 cheio de ira eu ficarei contra vocês e por causa dos seus pecados mandarei um castigo sete vezes pior.
29 Want gij zult het vlees uwer zonen eten, en het vlees uwer dochteren zult gij eten.
29 Haverá tanta falta de comida, que vocês devorarão os seus próprios filhos.
30 En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
30 Eu ficarei tão irado com vocês, que destruirei os lugares onde vocês adoram deuses pagãos, quebrarei os altares em que é queimado incenso e jogarei os corpos de vocês em cima dos ídolos caídos.
31 En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.
31 Destruirei as cidades e as deixarei em ruínas; derrubarei os seus templos e não aceitarei os sacrifícios que vocês me oferecerem.
32 Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.
32 Arrasarei tão completamente a terra em que vocês moram, que os inimigos que vierem morar nela ficarão espantados.
33 Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.
33 Eu farei com que haja guerra, e vocês serão espalhados pelas outras nações; na terra de vocês não haverá moradores, e as cidades ficarão em ruínas.
34 Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen der verwoesting, en gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben.
34 Assim, a terra terá os seus anos de descanso. Enquanto estiver sem moradores e vocês estiverem espalhados pelas nações estrangeiras, a terra terá os seus anos de descanso;
35 Al de dagen der verwoesting zal het rusten, overmits het niet rustte in uw sabbatten, als gij daarin woondet.
35 pois ela não descansou durante o tempo em que vocês moraram nela.
36 En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen hunner vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt.
36 — Quanto aos que continuarem vivos em terras estrangeiras, eu farei com que eles fiquem com tanto medo, que até mesmo o som de folhas caindo no chão os fará fugir; fugirão como se viessem inimigos atrás deles e cairão sem que ninguém os persiga.
37 En zij zullen de een op den ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en gij zult voor het aangezicht uwer vijanden niet kunnen bestaan.
37 Uns cairão em cima dos outros, como se estivessem combatendo, mesmo que não haja inimigos por perto. E, quando os inimigos chegarem, vocês não terão forças para lutar contra eles.
38 Maar gij zult omkomen onder de heidenen, en het land uwer vijanden zal u verteren.
38 Vocês morrerão em terras estrangeiras e ali serão sepultados.
39 En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren.
39 Os que ficarem vivos naquelas terras serão finalmente destruídos pelos seus próprios pecados e pelos pecados dos seus antepassados.
40 Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmede zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben.
40 — Mas os descendentes de vocês confessarão os seus pecados e também os pecados dos seus antepassados, isto é, daqueles que foram infiéis a mim e desobedeceram às minhas ordens,
41 Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben;
41 fazendo com que eu ficasse contra eles e os espalhasse pelos países dos seus inimigos. Portanto, se eles se arrependerem das suas ideias e dos seus costumes pagãos e se aceitarem o castigo pelos seus pecados,
42 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken;
42 então eu lembrarei das alianças que fiz com Jacó e com Isaque e com Abraão e lembrarei também da Terra Prometida .
43 Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.
43 — Mas, enquanto os descendentes de vocês estiverem espalhados por terras estrangeiras, a Terra Prometida ficará deserta e terá os seus anos de descanso. Os seus descendentes desobedeceram às minhas leis e desprezaram os meus mandamentos; por isso pagarão pelos seus pecados.
44 En hierenboven is dit ook; als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de HEERE, hun God!
44 Mas, mesmo quando estiverem em terras estrangeiras, eu não os abandonarei, nem os destruirei, pois não quebrarei a aliança que fiz com eles. Eu sou o Senhor , o Deus deles.
45 Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God ware; Ik ben de HEERE!
45 Pelo contrário, eu lembrarei da aliança que fiz com os seus antepassados, quando os tirei do Egito a fim de ser o seu Deus, mostrando assim o meu poder às outras nações. Eu sou Deus, o Senhor .
46 Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, welke de HEERE gegeven heeft, tussen Zich en tussen de kinderen Israels, op den berg Sinai, door de hand van Mozes.
46 São esses os mandamentos, as leis e as ordens que o Senhor Deus deu aos israelitas por meio de Moisés, no monte Sinai.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Levítico 26, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.