Levítico 26

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!
1 — Não façam ídolos para vocês, nem levantem imagem de escultura nem coluna, nem ponham pedra com figuras esculpidas na terra de vocês, para se inclinarem diante dela; porque eu sou o Senhor , o Deus de vocês.
2 Mijn sabbatten zult gij houden, en Mijn heiligdommen zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!
2 Guardem os meus sábados e reverenciem o meu santuário. Eu sou o Senhor .
3 Indien gij in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult;
3 — Se andarem nos meus estatutos, guardarem os meus mandamentos e os cumprirem,
4 Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijn vrucht geven;
4 então eu lhes darei as chuvas na época certa, a terra produzirá a sua colheita e a árvore do campo dará o seu fruto.
5 En de dorstijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uw brood eten tot verzadiging toe, en gij zult zeker in uw land wonen.
5 A debulha dos grãos se estenderá até o tempo da vindima das uvas, e a vindima se estenderá até o tempo da sementeira. Vocês comerão o seu pão à vontade e habitarão em segurança na sua terra.
6 Ook zal Ik vrede geven in het land, dat gij zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.
6 — Estabelecerei paz na terra. Vocês se deitarão, e não haverá quem os atemorize; afastarei da terra os animais nocivos, e pela terra de vocês não passará espada.
7 En gij zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
7 Vocês perseguirão os seus inimigos, e eles cairão à espada diante de vocês.
8 Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
8 Cinco de vocês perseguirão cem deles, e cem de vocês perseguirão dez mil; e os seus inimigos cairão à espada diante de vocês.
9 En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen.
9 Olharei para vocês, e os farei fecundos, e os multiplicarei, e confirmarei a minha aliança com vocês.
10 En gij zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult gij vanwege het nieuwe uitbrengen.
10 Comerão o que tiver sobrado da colheita anterior e, para dar lugar à nova colheita, jogarão fora o que tiver sobrado da anterior.
11 En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.
11 Porei o meu tabernáculo no meio de vocês e não me aborrecerei com vocês.
12 En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn.
12 Andarei entre vocês e serei o seu Deus, e vocês serão o meu povo.
13 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land der Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat gij hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.
13 Eu sou o Senhor , o Deus de vocês, que os tirei da terra do Egito, para que não fossem escravos dos egípcios; quebrei o jugo que pesava sobre vocês e os fiz andar de cabeça erguida.
14 Maar indien gij Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen;
14 — Mas, se não me ouvirem e não cumprirem todos estes mandamentos;
15 En zo gij Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat gij niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;
15 se rejeitarem os meus estatutos, e se ficarem aborrecidos com os meus juízos, a ponto de não cumprirem todos os meus mandamentos, e quebrarem a minha aliança,
16 Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.
16 então eu lhes farei isto: trarei sobre vocês pavor, fraqueza e febre, que fazem desaparecer o brilho dos olhos e definhar a vida. Vocês semearão os campos em vão, porque os seus inimigos ficarão com a colheita.
17 Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen ulieden zetten, dat gij geslagen zult worden voor het aangezicht uwer vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en gij zult vlieden, als u iemand vervolgt.
17 Voltarei o meu rosto contra vocês, e serão derrotados pelos seus inimigos. Aqueles que os odeiam dominarão sobre vocês, e vocês fugirão mesmo quando ninguém os estiver perseguindo.
18 En zo gij Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toe doen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen.
18 Se ainda assim não me ouvirem, tornarei a castigá-los sete vezes mais por causa dos seus pecados.
19 Want Ik zal de hovaardigheid uwer kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper.
19 Quebrarei o orgulho da força de vocês e farei com que os céus sejam como ferro e a terra de vocês seja como bronze.
20 En uw macht zal ijdelijk verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet geven.
20 Vocês gastarão as suas forças em vão; a terra não dará a sua colheita, e as árvores da terra não darão o seu fruto.
21 En zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.
21 — E, se andarem em oposição a mim e não quiserem me ouvir, trarei sobre vocês pragas sete vezes piores, segundo os seus pecados.
22 Want Ik zal onder u zenden het gedierte des velds, hetwelk u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.
22 Porque enviarei para o meio de vocês animais selvagens, que os deixarão sem filhos, acabarão com o seu gado e os reduzirão a poucos; e as suas estradas ficarão desertas.
23 Indien gij nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen;
23 — Se ainda com isto vocês não se corrigirem e não voltarem para mim, porém andarem em oposição a mim,
24 Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan.
24 eu também serei contrário a vocês e eu mesmo os ferirei sete vezes mais por causa dos seus pecados.
25 Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak des verbonds wreken zal, zodat gij in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden.
25 Trarei sobre vocês a espada vingadora da minha aliança. E então, quando vocês se refugiarem nas suas cidades, enviarei a peste para o meio de vocês, e vocês serão entregues nas mãos do inimigo.
26 Als Ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en gij zult eten, maar niet verzadigd worden.
26 Quando eu lhes tirar o sustento do pão, dez mulheres poderão assar o pão de vocês num único forno e o repartirão por peso; vocês comerão, mas não conseguirão ficar satisfeitos.
27 Als gij ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid;
27 — Se ainda com isto não me ouvirem e andarem em oposição a mim,
28 Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.
28 eu também, com furor, serei contrário a vocês e os castigarei sete vezes mais por causa dos seus pecados.
29 Want gij zult het vlees uwer zonen eten, en het vlees uwer dochteren zult gij eten.
29 Terão de comer a carne de seus próprios filhos e filhas.
30 En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
30 Destruirei os seus lugares altos, derrubarei os altares onde queimam incenso e amontoarei os seus cadáveres sobre o cadáver dos deuses que vocês adoram; a minha alma se aborrecerá com vocês.
31 En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.
31 Reduzirei as cidades de vocês a deserto, destruirei os santuários onde vocês adoram e não aspirarei o aroma agradável dos seus sacrifícios.
32 Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.
32 Assolarei a terra, e os inimigos de vocês, que nela vierem morar, ficarão espantados.
33 Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.
33 Espalharei vocês entre as nações e irei atrás de vocês com a espada na mão; a terra de vocês será assolada, e as cidades ficarão em ruínas.
34 Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen der verwoesting, en gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben.
34 — Então a terra celebrará nos seus sábados, todos os dias da sua assolação, e vocês estarão na terra dos seus inimigos; nesse tempo, a terra descansará e observará os seus sábados.
35 Al de dagen der verwoesting zal het rusten, overmits het niet rustte in uw sabbatten, als gij daarin woondet.
35 Durante todos os dias da assolação a terra descansará, porque não descansou nos sábados de vocês, quando vocês moravam nela.
36 En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen hunner vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt.
36 Aqueles de vocês que sobreviverem, eu lhes meterei no coração uma ansiedade tal, nas terras dos seus inimigos, que o ruído de uma folha movida os perseguirá; fugirão como quem foge da espada; e cairão sem ninguém os perseguir.
37 En zij zullen de een op den ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en gij zult voor het aangezicht uwer vijanden niet kunnen bestaan.
37 Cairão uns sobre os outros como diante da espada, sem ninguém os perseguir; vocês não conseguirão se levantar diante dos seus inimigos.
38 Maar gij zult omkomen onder de heidenen, en het land uwer vijanden zal u verteren.
38 Vocês perecerão entre as nações, e a terra dos seus inimigos os consumirá.
39 En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren.
39 Aqueles de vocês que sobreviverem serão consumidos pela sua iniquidade nas terras dos inimigos de vocês e pela iniquidade de seus pais com eles serão consumidos.
40 Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmede zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben.
40 — Mas, se eles confessarem a sua iniquidade e a iniquidade de seus pais, na infidelidade que cometeram contra mim, e se confessarem que andaram em oposição a mim,
41 Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben;
41 fazendo com que também eu fosse contrário a eles e os fizesse entrar na terra dos seus inimigos; se o coração incircunciso que eles têm se humilhar, e aceitarem o castigo da sua iniquidade,
42 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken;
42 então me lembrarei da minha aliança com Jacó, e também da minha aliança com Isaque, e também da minha aliança com Abraão, e da terra me lembrarei.
43 Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.
43 Mas a terra na sua assolação, deixada por eles, folgará nos seus sábados; e eles aceitarão o castigo da sua iniquidade, visto que rejeitaram os meus juízos e se aborreceram com os meus estatutos.
44 En hierenboven is dit ook; als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de HEERE, hun God!
44 Mesmo assim, estando eles na terra de seus inimigos, não os rejeitarei, nem me aborrecerei com eles, para consumi-los e invalidar a minha aliança com eles, porque eu sou o Senhor , o Deus deles.
45 Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God ware; Ik ben de HEERE!
45 Pelo contrário, por amor deles, me lembrarei da aliança com os seus antepassados, que tirei da terra do Egito à vista das nações, para lhes ser por Deus. Eu sou o Senhor .
46 Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, welke de HEERE gegeven heeft, tussen Zich en tussen de kinderen Israels, op den berg Sinai, door de hand van Mozes.
46 São estes os estatutos, juízos e leis que o Senhor estabeleceu entre si e os filhos de Israel, por meio de Moisés, no monte Sinai.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Levítico 26, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.