Josué 15

Dutch (DUTCH) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;
1 E a sorte da tribo dos filhos de Judá, segundo as suas famílias, caiu para o sul, até ao termo de Edom, até o deserto de Zim, até à extremidade da banda do sul.
2 Zodat hun landpale, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was, van de tong af, die tegen het zuiden ziet;
2 E foi o seu termo para o sul, desde a ribeira do mar Salgado, desde a baía que olha para o sul;
3 En zij gaat uit naar het zuiden tot den opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaa;
3 e sai para o sul, até à subida de Acrabim, e passa a Zim, e sobe do sul a Cades-Barneia, e passa por Hezrom, e sobe a Adar, e rodeia a Carca;
4 En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen dezer landpale zullen naar de zee zijn. Dit zal uw landpale tegen het zuiden zijn.
4 e passa Azmom, e sai ao ribeiro do Egito, e as saídas deste termo irão até ao mar; este será o vosso termo da banda do sul.
5 De landpale nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de landpale, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong der zee, van het uiterste van de Jordaan.
5 O termo, porém, para o oriente será o mar Salgado até à extremidade do Jordão; e o termo para o norte será da baía do mar, desde a extremidade do Jordão.
6 En deze landpale zal opgaan tot Beth-hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-araba; en deze landpale zal opgaan tot den steen van Bohan, den zoon van Ruben.
6 E este termo subirá até Bete-Hogla, e passará do norte a Bete-Arabá, e este termo subirá até à pedra de Boã, filho de Rúben.
7 Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adummim is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-rogel.
7 Subirá mais este termo a Debir, desde o vale de Acor, e olhará pelo norte para Gilgal, a qual está à subida de Adumim, que está para o sul do ribeiro; então, este termo passará até às águas de En-Semes; e as suas saídas estarão da banda de En-Rogel.
8 En deze landpale zal opgaan door het dal van den zoon van Hinnom, aan de zijde van den Jebusiet van het zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van den berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, hetwelk in het uiterste van het dal der Refaieten is, tegen het noorden.
8 E este termo passará pelo vale do Filho de Hinom, da banda dos jebuseus do sul (esta é Jerusalém) e subirá este termo até ao cume do monte que está diante do vale de Hinom para o ocidente, que está no fim do vale dos Refains, da banda do norte.
9 Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Baala; deze is Kirjath-Jearim.
9 Então, este termo irá desde a altura do monte até à fonte das águas de Neftoa; e sairá até às cidades do monte de Efrom; irá mais este termo até Baalá; esta é Quiriate-Jearim.
10 Daarna zal deze landpale zich omkeren Baala tegen het westen, naar het gebergte Seir, en zal doorgaan aan de zijde van den berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan.
10 Então, tornará este termo desde Baalá para o ocidente, até às montanhas de Seir, e passará ao lado do monte de Jearim da banda do norte; esta é Quesalom; e descerá a Bete-Semes, e passará por Timna.
11 Verder zal deze landpale uitgaan aan de zijde van Ekron, noordwaarts, en deze landpale zal strekken naar Sichron aan, en over den berg Baala gaan, en uitgaan te Jabneel; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar de zee.
11 Sairá este termo mais ao lado de Ecrom para o norte, e este termo irá a Siquerom, e passará o monte de Baalá, e sairá em Jabneel; e as saídas deste termo eram no mar.
12 De landpale nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en derzelver landpale. Dit is de landpale der kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen.
12 Será, porém, o termo da banda do ocidente o mar Grande e o seu termo; este é o termo dos filhos de Judá ao redor, segundo as suas famílias.
13 Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.
13 Mas a Calebe, filho de Jefoné, deu uma parte no meio dos filhos de Judá, conforme o dito do Senhor a Josué, a saber, a cidade de Arba, pai de Anaque; este é Hebrom.
14 En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak.
14 E expeliu Calebe dali os três filhos de Anaque: Sesai, e Aimã, e Talmai, gerados de Anaque.
15 En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).
15 E dali subiu aos habitantes de Debir; e fora, dantes, o nome de Debir Quiriate-Sefer.
16 En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.
16 E disse Calebe: Quem ferir a Quiriate-Sefer e a tomar, lhe darei a minha filha Acsa por mulher.
17 Othniel nu, de zoon van Kenaz, den broeder van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
17 Tomou-a, pois, Otniel, filho de Quenaz, irmão de Calebe, e este deu-lhe a sua filha Acsa por mulher.
18 En het geschiedde, als zij tot hem kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u?
18 E sucedeu que, vindo ela a ele, o persuadiu que pedisse um campo a seu pai; e ela se apeou do jumento; então, Calebe lhe disse: Que é o que tens?
19 En zij zeide: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen.
19 E ela disse: Dá-me uma bênção, pois me deste terra seca; dá-me também fontes de águas. Então, lhe deu as fontes superiores e as fontes inferiores.
20 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen.
20 Esta é a herança da tribo dos filhos de Judá, segundo as suas famílias.
21 De steden nu, van het uiterste van den stam der kinderen van Juda, tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeel, en Eder, en Jagur,
21 São, pois, as cidades da extremidade da tribo dos filhos de Judá até ao termo de Edom para o sul: Cabzeel, e Éder, e Jagur,
22 En Kina, en Dimona, en Adada,
22 e Quiná, e Dimona, e Adada,
23 En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
23 e Quedes, e Hazor, e Itnã,
24 Zif, en Telem, en Bealoth,
24 e Zife, e Telém, e Bealote,
25 En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
25 e Hazor-Hadata, e Quiriote-Hezrom (que é Hazor),
26 Amam, en Sema, en Molada,
26 e Amã, e Sema, e Molada,
27 En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
27 e Hazar-Gada, e Hesmom, e Bete-Palete,
28 En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
28 e Hasar-Sual, e Berseba, e Biziotiá,
29 Baala, en Ijim, en Azem,
29 e Baalá, e Iim, e Ezém,
30 En Eltholad, en Chesil, en Horma,
30 e Eltolade, e Quesil, e Horma,
31 En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
31 e Ziclague, e Madmana, e Sansana,
32 En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
32 e Lebaote, e Silim, e Aim, e Rimom: todas as cidades e as suas aldeias; vinte e nove ao todo.
33 In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
33 Nas planícies: Estaol, e Zorá, e Asná,
34 En Zanoah, en En-gannim, Tappuah, en Enam,
34 e Zanoa, e En-Ganim, e Tapua, e Enã,
35 Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
35 e Jarmute, e Adulão, e Socó, e Azeca,
36 En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
36 e Saaraim, e Aditaim, e Gedera, e Gederotaim: catorze cidades e as suas aldeias.
37 Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
37 Zenã, e Hadasa, e Migdal-Gade,
38 En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
38 e Dileã, e Mispa, e Jocteel,
39 Lachis, en Bozkath, en Eglon,
39 e Laquis, e Boscate, e Eglom,
40 En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis,
40 e Cabom, e Laamás, e Quitlis,
41 En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
41 e Gederote, e Bete-Dagom, e Naamá, e Maquedá: dezesseis cidades e as suas aldeias.
42 Libna, en Ether, en Asan,
42 Libna, e Eter, e Asã,
43 En Jiftah, en Asna, en Nezib,
43 e Iftá, e Asná, e Nezibe,
44 En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.
44 e Queila, e Aczibe, e Maressa: nove cidades e as suas aldeias.
45 Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen.
45 Ecrom, e os lugares da sua jurisdição, e as suas aldeias;
46 Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen;
46 desde Ecrom até ao mar, todas as que estão da banda de Asdode e as suas aldeias.
47 Asdod, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en haar landpale.
47 Asdode, e os lugares da sua jurisdição, e as suas aldeias; Gaza, e os lugares da sua jurisdição, e as suas aldeias, até ao rio do Egito, e o mar Grande, e o seu termo.
48 Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,
48 E nas montanhas: Samir, e Jatir, e Socó,
49 En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,
49 e Daná, e Quiriate-Sana, que é Debir,
50 En Anab, en Estemo, en Anim,
50 e Anabe, e Estemoa, e Anim,
51 En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.
51 e Gósen, e Holom, e Gilo: onze cidades e as suas aldeias.
52 Arab, en Duma, en Esan,
52 Arabe, e Dumá, e Esã,
53 En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
53 e Janim, e Bete-Tapua, e Afeca,
54 En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
54 e Hunta, e Quiriate-Arba ( que é Hebrom), e Zior: nove cidades e as suas aldeias.
55 Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
55 Maom, e Carmelo, e Zife, e Jutá,
56 En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
56 e Jezreel, e Jocdeão, e Zanoa,
57 Kain, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen.
57 e Caim, e Gibeá, e Timna: dez cidades e as suas aldeias.
58 Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
58 Halul, e Bete-Zur, e Gedor,
59 En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
59 e Maarate, e Bete-Anote, e Eltecom: seis cidades e as suas aldeias.
60 Kirjath-Baal, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.
60 Quiriate-Baal ( que é Quiriate-Jearim) e Rabá: duas cidades e as suas aldeias.
61 In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,
61 No deserto: Bete-Arabá, e Midim, e Secaca,
62 En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen.
62 e Nibsã, e a Cidade do Sal, e En-Gedi: seis cidades e as suas aldeias.
63 Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; alzo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot dezen dag toe.
63 Não puderam, porém, os filhos de Judá expelir os jebuseus que habitavam em Jerusalém; assim, habitaram os jebuseus com os filhos de Judá em Jerusalém até ao dia de hoje.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Josué 15, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.