Josué 15

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;
1 A sorte da tribo dos filhos de Judá, segundo as suas famílias, caiu para o sul, até ao limite de Edom, até ao deserto de Zim, até à extremidade do lado sul.
2 Zodat hun landpale, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was, van de tong af, die tegen het zuiden ziet;
2 Foi o seu limite ao sul, desde a extremidade do mar Salgado, desde a baía que olha para o sul;
3 En zij gaat uit naar het zuiden tot den opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaa;
3 e sai para o sul, até à subida de Acrabim, passa a Zim, sobe do sul a Cades-Barneia,
4 En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen dezer landpale zullen naar de zee zijn. Dit zal uw landpale tegen het zuiden zijn.
4 passa por Hezrom, sobe a Adar e rodeia Carca; passa por Azmom e sai ao ribeiro do Egito; as saídas deste limite vão até ao mar; este será o vosso limite do lado sul.
5 De landpale nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de landpale, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong der zee, van het uiterste van de Jordaan.
5 O limite, porém, para o oriente será o mar Salgado, até à foz do Jordão; e o limite para o norte será da baía do mar, começando com a embocadura do Jordão,
6 En deze landpale zal opgaan tot Beth-hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-araba; en deze landpale zal opgaan tot den steen van Bohan, den zoon van Ruben.
6 limite que sobe até Bete-Hogla e passa do norte a Bete-Arabá, subindo até à pedra de Boã, filho de Rúben,
7 Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adummim is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-rogel.
7 subindo ainda este limite a Debir desde o vale de Acor, olhando para o norte, rumo a Gilgal, a qual está à subida de Adumim, que está para o sul do ribeiro; daí, o limite passa até às águas de En-Semes; e as suas saídas estarão do lado de En-Rogel.
8 En deze landpale zal opgaan door het dal van den zoon van Hinnom, aan de zijde van den Jebusiet van het zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van den berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, hetwelk in het uiterste van het dal der Refaieten is, tegen het noorden.
8 Deste ponto sobe pelo vale do Filho de Hinom, do lado dos jebuseus do Sul, isto é, Jerusalém; e sobe este limite até ao cimo do monte que está diante do vale de Hinom, para o ocidente, que está no fim do vale dos Refains, do lado norte.
9 Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Baala; deze is Kirjath-Jearim.
9 Então, vai o limite desde o cimo do monte até à fonte das águas de Neftoa; e sai até às cidades do monte Efrom; vai mais este limite até Baalá, isto é, Quiriate-Jearim.
10 Daarna zal deze landpale zich omkeren Baala tegen het westen, naar het gebergte Seir, en zal doorgaan aan de zijde van den berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan.
10 Então, dá volta o limite desde Baalá, para o ocidente, até ao monte Seir, passa ao lado do monte de Jearim do lado norte, isto é, Quesalom, e, descendo a Bete-Semes, passa por Timna.
11 Verder zal deze landpale uitgaan aan de zijde van Ekron, noordwaarts, en deze landpale zal strekken naar Sichron aan, en over den berg Baala gaan, en uitgaan te Jabneel; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar de zee.
11 Segue mais ainda o limite ao lado de Ecrom, para o norte, e, indo a Siquerom, passa o monte de Baalá, saindo em Jabneel, para terminar no mar.
12 De landpale nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en derzelver landpale. Dit is de landpale der kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen.
12 O limite, porém, do lado ocidental é o mar Grande e as suas imediações. São estes os limites dos filhos de Judá ao redor, segundo as suas famílias.
13 Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.
13 A Calebe, filho de Jefoné, porém, deu Josué uma parte no meio dos filhos de Judá, segundo lhe ordenara o Senhor , a saber, Quiriate-Arba, isto é, Hebrom; este Arba era o pai de Anaque.
14 En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak.
14 Dali expulsou Calebe os três filhos de Anaque: Sesai, Aimã e Talmai, gerados de Anaque.
15 En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).
15 Subiu aos habitantes de Debir, cujo nome, dantes, era Quiriate-Sefer.
16 En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.
16 Disse Calebe: A quem derrotar Quiriate-Sefer e a tomar, darei minha filha Acsa por mulher.
17 Othniel nu, de zoon van Kenaz, den broeder van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
17 Tomou-a, pois, Otniel, filho de Quenaz, irmão de Calebe; este lhe deu a filha Acsa por mulher.
18 En het geschiedde, als zij tot hem kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u?
18 Esta, quando se foi a Otniel, insistiu com ele para que pedisse um campo ao pai dela; e ela apeou do jumento; então, Calebe lhe perguntou: Que desejas?
19 En zij zeide: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen.
19 Respondeu ela: Dá-me um presente; deste-me terra seca, dá-me também fontes de água. Então, lhe deu as fontes superiores e as fontes inferiores.
20 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen.
20 Esta é a herança da tribo dos filhos de Judá, segundo as suas famílias.
21 De steden nu, van het uiterste van den stam der kinderen van Juda, tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeel, en Eder, en Jagur,
21 São, pois, as cidades no extremo sul da tribo dos filhos de Judá, rumo do território de Edom: Cabzeel, Éder, Jagur,
22 En Kina, en Dimona, en Adada,
22 Quiná, Dimona, Adada,
23 En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
23 Quedes, Hazor, Itnã,
24 Zif, en Telem, en Bealoth,
24 Zife, Telém, Bealote,
25 En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
25 Hazor-Hadata, Queriote-Hezrom (que é Hazor),
26 Amam, en Sema, en Molada,
26 Amã, Sema, Molada,
27 En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
27 Hazar-Gada, Hesmom, Bete-Palete,
28 En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
28 Hazar-Sual, Berseba, Biziotiá,
29 Baala, en Ijim, en Azem,
29 Baalá, Iim, Ezém,
30 En Eltholad, en Chesil, en Horma,
30 Eltolade, Quesil, Horma,
31 En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
31 Ziclague, Madmana, Sansana,
32 En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
32 Lebaote, Silim, Aim e Rimom; ao todo, vinte e nove cidades com suas aldeias.
33 In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
33 Nas planícies: Estaol, Zorá, Asná,
34 En Zanoah, en En-gannim, Tappuah, en Enam,
34 Zanoa, En-Ganim, Tapua, Enã,
35 Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
35 Jarmute, Adulão, Socó, Azeca,
36 En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
36 Saaraim, Aditaim, Gedera e Gederotaim; ao todo, catorze cidades com suas aldeias.
37 Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
37 Zenã, Hadasa, Migdal-Gade,
38 En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
38 Dileã, Mispa, Jocteel,
39 Lachis, en Bozkath, en Eglon,
39 Laquis, Boscate, Eglom,
40 En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis,
40 Cabom, Laamás, Quitlis,
41 En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
41 Gederote, Bete-Dagom, Naamá e Maquedá; ao todo, dezesseis cidades com suas aldeias.
42 Libna, en Ether, en Asan,
42 Libna, Eter, Asã,
43 En Jiftah, en Asna, en Nezib,
43 Ifta, Asná, Nezibe,
44 En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.
44 Queila, Aczibe e Maressa; ao todo, nove cidades com suas aldeias.
45 Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen.
45 Ecrom com suas vilas e aldeias;
46 Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen;
46 desde Ecrom até ao mar, todas as que estão do lado de Asdode, com suas aldeias.
47 Asdod, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en haar landpale.
47 Asdode, suas vilas e aldeias; Gaza, suas vilas e aldeias, até ao rio do Egito e o mar Grande com as suas imediações.
48 Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,
48 Na região montanhosa: Samir, Jatir, Socó,
49 En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,
49 Daná, Quiriate-Sana, que é Debir,
50 En Anab, en Estemo, en Anim,
50 Anabe, Estemoa, Anim,
51 En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.
51 Gósen, Holom e Gilo; ao todo, onze cidades com suas aldeias.
52 Arab, en Duma, en Esan,
52 Arabe, Dumá, Esã,
53 En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
53 Janim, Bete-Tapua, Afeca,
54 En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.
54 Hunta, Quiriate-Arba (que é Hebrom) e Zior; ao todo, nove cidades com suas aldeias.
55 Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
55 Maom, Carmelo, Zife, Jutá,
56 En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
56 Jezreel, Jocdeão, Zanoa,
57 Kain, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen.
57 Caim, Gibeá e Timna; ao todo, dez cidades com suas aldeias.
58 Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
58 Halul, Bete-Zur, Gedor,
59 En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
59 Maarate, Bete-Anote e Eltecom; ao todo, seis cidades com suas aldeias.
60 Kirjath-Baal, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.
60 Quiriate-Baal (que é Quiriate-Jearim) e Rabá; ao todo, duas cidades com suas aldeias.
61 In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,
61 No deserto: Bete-Arabá, Midim, Secaca,
62 En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen.
62 Nibsã, Cidade do Sal e En-Gedi; ao todo, seis cidades com suas aldeias.
63 Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; alzo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot dezen dag toe.
63 Não puderam, porém, os filhos de Judá expulsar os jebuseus que habitavam em Jerusalém; assim, habitam os jebuseus com os filhos de Judá em Jerusalém até ao dia de hoje.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Josué 15, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.