Jó 36

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Elihu ging nog voort, en zeide:
1 Prosseguiu Eliú e disse:
2 Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
2 Mais um pouco de paciência, e te mostrarei que ainda tenho argumentos a favor de Deus.
3 Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.
3 De longe trarei o meu conhecimento e ao meu Criador atribuirei a justiça.
4 Want voorwaar, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u.
4 Porque, na verdade, as minhas palavras não são falsas; contigo está quem é senhor do assunto.
5 Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten.
5 Eis que Deus é mui grande; contudo a ninguém despreza; é grande na força da sua compreensão.
6 Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
6 Não poupa a vida ao perverso, mas faz justiça aos aflitos.
7 Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.
7 Dos justos não tira os olhos; antes, com os reis, no trono os assenta para sempre, e são exaltados.
8 En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;
8 Se estão presos em grilhões e amarrados com cordas de aflição,
9 Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben;
9 ele lhes faz ver as suas obras, as suas transgressões, e que se houveram com soberba.
10 En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden.
10 Abre-lhes também os ouvidos para a instrução e manda-lhes que se convertam da iniquidade.
11 Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.
11 Se o ouvirem e o servirem, acabarão seus dias em felicidade e os seus anos em delícias.
12 Maar zo zij niet horen, zo gaan zij door het zwaard door, en zij geven den geest zonder kennis.
12 Porém, se não o ouvirem, serão traspassados pela lança e morrerão na sua cegueira.
13 En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.
13 Os ímpios de coração amontoam para si a ira; e, agrilhoados por Deus, não clamam por socorro.
14 Hun ziel zal in de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens.
14 Perdem a vida na sua mocidade e morrem entre os prostitutos cultuais.
15 Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.
15 Ao aflito livra por meio da sua aflição e pela opressão lhe abre os ouvidos.
16 Alzo zou Hij ook u afgekeerd hebben van den mond des angstes tot de ruimte, onder dewelke geen benauwing zou geweest zijn; en het gerecht uwer tafel zou vol vettigheid geweest zijn.
16 Assim também procura tirar-te das fauces da angústia para um lugar espaçoso, em que não há aperto, e as iguarias da tua mesa seriam cheias de gordura;
17 Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.
17 mas tu te enches do juízo do perverso, e, por isso, o juízo e a justiça te alcançarão.
18 Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
18 Guarda-te, pois, de que a ira não te induza a escarnecer, nem te desvie a grande quantia do resgate.
19 Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?
19 Estimaria ele as tuas lamúrias e todos os teus grandes esforços, para que te vejas livre da tua angústia?
20 Haak niet naar dien nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.
20 Não suspires pela noite, em que povos serão tomados do seu lugar.
21 Wacht u, wend u niet tot ongerechtigheid; overmits gij ze in dezen verkoren heb, uit oorzake van de ellende.
21 Guarda-te, não te inclines para a iniquidade; pois isso preferes à tua miséria.
22 Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?
22 Eis que Deus se mostra grande em seu poder! Quem é mestre como ele?
23 Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?
23 Quem lhe prescreveu o seu caminho ou quem lhe pode dizer: Praticaste a injustiça?
24 Gedenk, dat gij Zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen.
24 Lembra-te de lhe magnificares as obras que os homens celebram.
25 Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.
25 Todos os homens as contemplam; de longe as admira o homem.
26 Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.
26 Eis que Deus é grande, e não o podemos compreender; o número dos seus anos não se pode calcular.
27 Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;
27 Porque atrai para si as gotas de água que de seu vapor destilam em chuva,
28 Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.
28 a qual as nuvens derramam e gotejam sobre o homem abundantemente.
29 Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?
29 Acaso, pode alguém entender o estender-se das nuvens e os trovões do seu pavilhão?
30 Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.
30 Eis que estende sobre elas o seu relâmpago e encobre as profundezas do mar.
31 Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.
31 Pois por estas coisas julga os povos e lhes dá mantimento em abundância.
32 Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
32 Enche as mãos de relâmpagos e os dardeja contra o adversário.
33 Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp
33 O fragor da tempestade dá notícias a respeito dele, dele que é zeloso na sua ira contra a injustiça.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 36, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.