Jó 28

Dutch (DUTCH) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.
1 Na verdade, há veios de onde se extrai a prata, e, para o ouro, lugar em que o derretem.
2 Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.
2 O ferro tira-se da terra, e da pedra se funde o metal.
3 Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.
3 O homem pôs fim às trevas e até à extremidade ele esquadrinha, procurando as pedras na escuridão e na sombra da morte.
4 Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.
4 Trasborda o ribeiro até ao que junto dele habita, de maneira que se não pode passar a pé; então, intervém o homem, e as águas se vão.
5 Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.
5 A terra, de onde procede o pão, embaixo é revolvida como por fogo.
6 Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.
6 As suas pedras são o lugar da safira e têm pós de ouro.
7 De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
7 Essa vereda, a ignora a ave de rapina, e não a viram os olhos da gralha.
8 De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.
8 Nunca a pisaram filhos de animais altivos, nem o feroz leão passou por ela.
9 Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.
9 Ele estende a sua mão contra o rochedo, e revolve os montes desde as suas raízes.
10 In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.
10 Dos rochedos faz sair rios, e o seu olho descobre todas as coisas preciosas.
11 Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.
11 Os rios tapa, e nem uma gota sai deles, e tira para a luz o que estava escondido.
12 Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
12 Mas onde se achará a sabedoria? E onde está o lugar da inteligência?
13 De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
13 O homem não lhe conhece o valor; não se acha na terra dos viventes.
14 De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
14 O abismo diz: Não está em mim; e o mar diz: Ela não está comigo.
15 Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.
15 Não se dará por ela ouro fino, nem se pesará prata em câmbio dela.
16 Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.
16 Nem se pode comprar por ouro fino de Ofir, nem pelo precioso ônix, nem pela safira.
17 Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.
17 Com ela se não pode comparar o ouro ou o cristal; nem se trocará por joia de ouro fino.
18 De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen.
18 Ela faz esquecer o coral e as pérolas; porque a aquisição da sabedoria é melhor que a dos rubis.
19 Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.
19 Não se lhe igualará o topázio da Etiópia, nem se pode comprar por ouro puro.
20 Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
20 De onde, pois, vem a sabedoria, e onde está o lugar da inteligência?
21 Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.
21 Porque está encoberta aos olhos de todo vivente e oculta às aves do céu.
22 Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.
22 A perdição e a morte dizem: Ouvimos com os nossos ouvidos a sua fama.
23 God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.
23 Deus entende o seu caminho, e ele sabe o seu lugar.
24 Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.
24 Porque ele vê as extremidades da terra; e vê tudo o que há debaixo dos céus.
25 Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;
25 Quando deu peso ao vento e tomou a medida das águas;
26 Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;
26 quando prescreveu uma lei para a chuva e caminho para o relâmpago dos trovões,
27 Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.
27 então, a viu e a manifestou; estabeleceu-a e também a esquadrinhou.
28 Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
28 Mas disse ao homem: Eis que o temor do Senhor é a sabedoria, e apartar-se do mal é a inteligência.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 28, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.