Jó 22

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1 Então, respondeu Elifaz, o temanita:
2 Zal ook een man Gode voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn.
2 Porventura, será o homem de algum proveito a Deus? Antes, o sábio é só útil a si mesmo.
3 Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?
3 Ou tem o Todo-Poderoso interesse em que sejas justo ou algum lucro em que faças perfeitos os teus caminhos?
4 Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
4 Ou te repreende pelo teu temor de Deus ou entra contra ti em juízo?
5 Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?
5 Porventura, não é grande a tua malícia, e sem termo, as tuas iniquidades?
6 Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen.
6 Porque sem causa tomaste penhores a teu irmão e aos seminus despojaste das suas roupas.
7 Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden.
7 Não deste água a beber ao cansado e ao faminto retiveste o pão.
8 Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
8 Ao braço forte pertencia a terra, e só os homens favorecidos habitavam nela.
9 De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.
9 As viúvas despediste de mãos vazias, e os braços dos órfãos foram quebrados.
10 Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.
10 Por isso, estás cercado de laços, e repentino pavor te conturba
11 Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
11 ou trevas, em que nada vês; e águas transbordantes te cobrem.
12 Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.
12 Porventura, não está Deus nas alturas do céu? Olha para as estrelas mais altas. Que altura!
13 Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?
13 E dizes: Que sabe Deus? Acaso, poderá ele julgar através de densa escuridão?
14 De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
14 Grossas nuvens o encobrem, de modo que não pode ver; ele passeia pela abóbada do céu.
15 Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
15 Queres seguir a rota antiga, que os homens iníquos pisaram?
16 Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;
16 Estes foram arrebatados antes do tempo; o seu fundamento, uma torrente o arrasta.
17 Die zeiden tot God: Wijk van ons! En wat had de Almachtige hun gedaan?
17 Diziam a Deus: Retira-te de nós. E: Que pode fazer-nos o Todo-Poderoso?
18 Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.
18 Contudo, ele enchera de bens as suas casas. Longe de mim o conselho dos perversos!
19 De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
19 Os justos o veem e se alegram, e o inocente escarnece deles,
20 Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
20 dizendo: Na verdade, os nossos adversários foram destruídos, e o fogo consumiu o resto deles.
21 Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
21 Reconcilia-te, pois, com ele e tem paz, e assim te sobrevirá o bem.
22 Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
22 Aceita, peço-te, a instrução que profere e põe as suas palavras no teu coração.
23 Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.
23 Se te converteres ao Todo-Poderoso, serás restabelecido; se afastares a injustiça da tua tenda
24 Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken;
24 e deitares ao pó o teu ouro e o ouro de Ofir entre pedras dos ribeiros,
25 Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;
25 então, o Todo-Poderoso será o teu ouro e a tua prata escolhida.
26 Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.
26 Deleitar-te-ás, pois, no Todo-Poderoso e levantarás o rosto para Deus.
27 Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.
27 Orarás a ele, e ele te ouvirá; e pagarás os teus votos.
28 Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen.
28 Se projetas alguma coisa, ela te sairá bem, e a luz brilhará em teus caminhos.
29 Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.
29 Se estes descem, então, dirás: Para cima! E Deus salvará o humilde
30 Ja, Hij zal dien bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen.
30 e livrará até ao que não é inocente; sim, será libertado, graças à pureza de tuas mãos.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.