Jó 19

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Maar Job antwoordde en zeide:
1 Então Jó respondeu:
2 Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
2 “Até quando vocês vão me atormentar e me esmagar com as suas palavras?
3 Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.
3 Já dez vezes vocês me insultaram e não se envergonham de me injuriar.
4 Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten.
4 Se eu tivesse realmente cometido algum erro, isso interessaria somente a mim.
5 Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
5 Se vocês querem se engrandecer contra mim e usam a minha vergonha como argumento contra mim,
6 Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.
6 então saibam que Deus foi injusto comigo e me cercou com a sua rede.”
7 Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.
7 “Eis que clamo: ‘Violência!’, mas não sou ouvido; grito: ‘Socorro!’, porém não há justiça.
8 Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
8 Deus fechou o meu caminho, e não consigo passar; e nas minhas veredas pôs trevas.
9 Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.
9 Despojou-me da minha honra e tirou a coroa da minha cabeça.
10 Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.
10 Arruinou-me de todos os lados, e eu me vou; tirou-me a esperança, como se arranca uma árvore.
11 Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.
11 Acendeu contra mim a sua ira e me trata como um dos seus adversários.
12 Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.
12 Juntas vieram as suas tropas; prepararam contra mim o seu caminho e acamparam ao redor da minha tenda.”
13 Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.
13 “Deus levou os meus irmãos para longe de mim, e os que me conhecem, como estranhos, se afastaram de mim.
14 Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.
14 Os meus parentes me abandonaram, e os meus conhecidos se esqueceram de mim.
15 Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.
15 Os que se abrigam na minha casa e as minhas servas me consideram como um estranho; vim a ser um estrangeiro aos olhos deles.
16 Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.
16 Chamo o meu servo, e ele não me responde; tenho de suplicar-lhe, eu mesmo.
17 Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil.
17 O meu hálito é intolerável à minha mulher, e pelo mau cheiro sou repugnante aos meus irmãos.
18 Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.
18 Até as crianças me desprezam, e, quando tento me levantar, zombam de mim.
19 Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.
19 Todos os meus amigos íntimos me detestam, e até os que eu amava se voltaram contra mim.
20 Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.
20 Os meus ossos se apegam à minha pele e à minha carne; escapei só com a pele dos meus dentes.
21 Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.
21 Tenham pena de mim, meus amigos, tenham pena de mim, porque a mão de Deus me atingiu.
22 Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?
22 Por que vocês me perseguem como Deus me persegue e não cessam de devorar a minha carne?”
23 Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!
23 “Quem dera fossem agora escritas as minhas palavras! Quem dera fossem gravadas em livro!
24 Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!
24 Que, com pena de ferro e com chumbo, para sempre fossem esculpidas na rocha!
25 Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan;
25 Porque eu sei que o meu Redentor vive e por fim se levantará sobre a terra.
26 En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;
26 Depois, revestido este meu corpo da minha pele, em minha carne verei a Deus.
27 Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
27 Eu o verei por mim mesmo, os meus olhos o verão, e não outros; de saudade o meu coração desfalece dentro de mim.”
28 Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.
28 “Se vocês disserem: ‘Como o perseguiremos?’ E: ‘A causa deste mal se acha nele mesmo’,
29 Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.
29 então tenham medo da espada, porque tais acusações merecem o seu furor, para que vocês saibam que há um juízo.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 19, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.