Jó 19

Dutch (DUTCH) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Maar Job antwoordde en zeide:
1 Respondeu, porém, Jó e disse:
2 Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
2 Até quando entristecereis a minha alma e me quebrantareis com palavras?
3 Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.
3 Já dez vezes me envergonhastes; vergonha não tendes de contra mim vos endurecerdes.
4 Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten.
4 Embora haja eu, na verdade, errado, comigo ficará o meu erro.
5 Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
5 Se deveras vos levantais contra mim e me arguís pelo meu opróbrio,
6 Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.
6 sabei agora que Deus é que me transtornou e com a sua rede me cercou.
7 Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.
7 Eis que clamo: Violência! Mas não sou ouvido; grito: Socorro! Mas não há justiça.
8 Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
8 O meu caminho ele entrincheirou, e não posso passar; e nas minhas veredas pôs trevas.
9 Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.
9 Da minha honra me despojou; e tirou-me a coroa da minha cabeça.
10 Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.
10 Quebrou-me de todos os lados, e eu me vou; e arrancou a minha esperança, como a uma árvore.
11 Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.
11 E fez inflamar contra mim a sua ira e me reputou para consigo como um de seus inimigos.
12 Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.
12 Juntas vieram as suas tropas, e prepararam contra mim o seu caminho, e se acamparam ao redor da minha tenda.
13 Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.
13 Pôs longe de mim a meus irmãos, e os que me conhecem deveras me estranharam.
14 Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.
14 Os meus parentes me deixaram, e os meus conhecidos se esqueceram de mim.
15 Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.
15 Os meus domésticos e as minhas servas me reputaram como um estranho; vim a ser um estrangeiro aos seus olhos.
16 Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.
16 Chamei a meu criado, e ele me não respondeu; cheguei a suplicar com a minha boca.
17 Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil.
17 O meu bafo se fez estranho a minha mulher; e a minha súplica, aos filhos do meu corpo.
18 Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.
18 Até os rapazes me desprezam, e, levantando-me eu, falam contra mim.
19 Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.
19 Todos os homens do meu secreto conselho me abominam, e até os que eu amava se tornaram contra mim.
20 Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.
20 Os meus ossos se apegaram à minha pele e à minha carne, e escapei só com a pele dos meus dentes.
21 Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.
21 Compadecei-vos de mim, amigos meus, compadecei-vos de mim, porque a mão de Deus me tocou.
22 Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?
22 Por que me perseguis assim como Deus, e da minha carne vos não fartais?
23 Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!
23 Quem me dera, agora, que as minhas palavras se escrevessem! Quem me dera que se gravassem num livro!
24 Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!
24 E que, com pena de ferro e com chumbo, para sempre fossem esculpidas na rocha!
25 Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan;
25 Porque eu sei que o meu Redentor vive, e que por fim se levantará sobre a terra.
26 En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;
26 E depois de consumida a minha pele, ainda em minha carne verei a Deus.
27 Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
27 Vê-lo-ei por mim mesmo, e os meus olhos, e não outros, o verão; e, por isso, o meu coração se consome dentro de mim.
28 Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.
28 Na verdade, que devíeis dizer: Por que o perseguimos? Pois a raiz da acusação se acha em mim.
29 Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.
29 Temei vós mesmos a espada; porque o furor traz os castigos da espada, para saberdes que há um juízo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 19, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.