Ezequiel 16

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1 O Senhor falou comigo de novo. Ele disse:
2 Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend,
2 — Homem mortal , mostre a Jerusalém as coisas nojentas que ela tem feito.
3 En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land der Kanaanieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische.
3 Diga a Jerusalém que o Senhor Deus lhe diz o seguinte: — Você nasceu na terra de Canaã. O seu pai era amorreu, e a sua mãe era heteia .
4 En aangaande uw geboorten: ten dage, als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windselen gewonden.
4 Quando você nasceu, ninguém cortou o cordão do seu umbigo, nem lhe deu banho, nem esfregou sal em você, nem a enrolou em panos.
5 Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart.
5 Ninguém teve dó bastante para lhe fazer qualquer uma dessas coisas. Quando você nasceu, ninguém gostava de você, e até a jogaram no mato.
6 Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!
6 — Então passei por perto e vi você rolando no seu próprio sangue. Embora você estivesse coberta de sangue, eu não deixei que morresse.
7 Ik heb u tot tien duizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, doch gij waart naakt en bloot.
7 Eu a fiz crescer como uma planta sadia. Você cresceu forte e alta e ficou moça. Os seus seios se formaram, e os seus cabelos ficaram compridos, mas você estava nua.
8 Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE en gij werdt de Mijne.
8 — Quando passei de novo, vi que havia chegado o tempo de você amar. Então cobri o seu corpo nu com a minha capa e prometi amar você. Sim! Fiz um contrato de casamento com você, e você se tornou minha. Sou eu, o Senhor Deus, quem está falando.
9 Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.
9 — Eu a lavei com água e limpei o sangue que a cobria. Passei azeite na sua pele.
10 Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde.
10 Eu a vesti com roupas bordadas e lhe dei sapatos do melhor couro, um turbante de linho e uma capa de seda.
11 Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals.
11 Eu a enfeitei com joias — pulseiras e colares.
12 Desgelijks deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon der heerlijkheid op uw hoofd.
12 Dei uma argola para o seu nariz, brincos para as suas orelhas e uma linda coroa para a sua cabeça.
13 Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; gij at meelbloem, en honig, en olie, en gij waart gans zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werdt.
13 As suas joias eram de ouro e prata, e você sempre usou vestidos bordados, de linho e de seda. Você comeu pão feito da melhor farinha e tinha mel e azeite à vontade. Você era muito bonita e chegou a ser rainha.
14 Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.
14 Em todas as nações falavam da sua beleza perfeita porque fui eu que a fiz assim tão linda. Sou eu, o Senhor Deus, quem está falando.
15 Maar gij hebt vertrouwd op uw schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uw naam; ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging; voor hem was zij.
15 — Mas você se aproveitou da sua beleza e da sua fama para dormir com qualquer um que passava .
16 En gij hebt van uw klederen genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; zulks is niet gekomen, en zal niet geschieden.
16 Usou os seus vestidos para enfeitar os seus lugares de adoração e ali você se entregava a qualquer um, como uma prostituta.
17 Daartoe hebt gij genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd.
17 Você pegou as joias de prata e de ouro que eu lhe tinha dado e com elas fez imagens de seres humanos; você foi infiel a mim, adorando essas imagens.
18 En gij hebt uw gestikte klederen genomen, en hebt ze bedekt; en gij hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld.
18 Você pegou os vestidos bordados que lhe dei e com eles vestiu as imagens e ofereceu a elas o azeite e o incenso que eu lhe tinha dado.
19 En Mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem en olie, en honig, waarmede Ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heere HEERE.
19 Eu lhe dei comida: a melhor farinha, azeite e mel, mas você ofereceu tudo isso como sacrifício para agradar os ídolos. Sou eu, o Senhor Deus, quem está falando.
20 Verder hebt gij uw zonen en uw dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze denzelven geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen,
20 — Depois, você pegou os nossos filhos e as nossas filhas e os ofereceu como sacrifício aos ídolos. Será que não bastou que você tivesse sido infiel a mim?
21 Dat gij Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als gij dezelve voor hen door het vuur hebt doen gaan?
21 Será que ainda precisou matar os meus filhos e oferecê-los em sacrifício aos ídolos?
22 Ook hebt gij bij al uw gruwelen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen uwer jonkheid, als gij naakt en bloot waart, als gij vertreden waart in uw bloed.
22 Durante a sua vida miserável de prostituta, nem uma vez você lembrou da sua juventude, quando estava nua, rolando no seu próprio sangue.
23 Het is ook geschied na al uw boosheid,, wee, wee u, spreekt de Heere HEERE),
23 O Senhor Deus disse: — Ai de você! Sim! Ai de você! Depois de ter feito todo esse mal,
24 Dat gij u een verwelfsel gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat.
24 você ainda construiu altares em todas as estradas para ali adorar ídolos e praticar a prostituição.
25 Aan elk hoofd des wegs hebt gij uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uw benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.
25 Você arrastou a sua beleza pela lama. E se ofereceu a todos os que passavam e se afundou cada vez mais na prostituição e na adoração de ídolos.
26 Gij hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw naburen, die groot van vlees zijn; en gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken.
26 Você convidou os egípcios, seus vizinhos imorais, para que fossem para a cama com você, e por isso me deixou irado .
27 Ziet, daarom strekte Ik Mijn hand over u uit, en verminderde uw bescheiden deel; en Ik gaf u over in den lust dergenen, die u haten, der dochteren der Filistijnen, die vanwege uw schandelijken weg beschaamd waren.
27 — Portanto, agora eu levantei a mão para castigá-la e para tirar a parte que você tinha na minha bênção. Eu a entreguei aos filisteus, que a odeiam e que estão com nojo das ações imorais que você tem praticado.
28 Verder hebt gij gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat gij onverzadelijk waart; ja, als gij met hen gehoereerd hebt, zijt gij ook niet verzadigd geworden.
28 — Não satisfeita com tudo isso, você correu atrás dos assírios. Você foi prostituta deles, mas eles também não a deixaram satisfeita.
29 Maar gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd in het land van Kanaan tot in Chaldea; en daarmede ook zijt gij niet verzadigd geworden.
29 Depois, você serviu de prostituta para os babilônios, aquela nação de comerciantes, mas eles também não a deixaram satisfeita.
30 Hoe zwak is uw hart (spreekt de Heere HEERE) als gij al deze dingen doet, zijnde het werk van een heersende hoerachtige vrouw!
30 O Senhor Deus diz o seguinte: — Você fez tudo isso como uma prostituta sem-vergonha.
31 Als gij uw verwelfsel bouwt aan het hoofd van iederen weg, en uw hoge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als een hoer, het hoerenloon beschimpende.
31 Em todas as ruas, você construiu altares para ali adorar ídolos e praticar a prostituição. Mas você não faz isso por dinheiro, como uma prostituta qualquer.
32 O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.
32 Você é como a mulher que, em vez de amar o seu marido, comete adultério com estranhos.
33 Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan al uw boelen, en gij beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen.
33 A prostituta é paga, mas você deu presentes a todos os seus amantes e ainda lhes ofereceu lembranças para que viessem de todas as partes dormir com você.
34 Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt, om te hoereren; want als gij hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo zijt gij tot een tegendeel geworden.
34 Você é uma prostituta diferente. Ninguém a obrigou a se tornar prostituta. Você não recebe nada, mas paga! Sim! Você é diferente!
35 Daarom, o hoer, hoor des HEEREN woord.
35 Por isso, agora, você, prostituta, escute o que o Senhor Deus diz.
36 Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden uwer gruwelen, en na het bloed uwer kinderen, dat gij hun gegeven hebt;
36 E o que ele diz é isto: — Você tirou a roupa, e como prostituta se entregou aos seus amantes e a todos os seus ídolos vergonhosos, e matou os seus filhos em
37 Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met dewelke gij vermengd zijt geweest, en allen, die gij liefgehad hebt, met allen, die gij gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw ganse naaktheid zien zullen.
37 Por causa disso, eu vou reunir todos os seus antigos amantes, tanto os que você apreciava como os que detestava. Eu os colocarei ao seu redor, em círculo; então arrancarei a sua roupa, e eles verão você nua.
38 Daartoe zal Ik u naar de rechten der overspeelsters en der bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven aan het bloed der grimmigheid en des ijvers.
38 Eu a condenarei por adultério e assassinato e na minha ira e furor vou castigá-la com a morte.
39 En Ik zal u in hun hand overgeven, en zij zullen uw verwelfsel afbreken, en uw hoge plaatsen omwerpen, en uw klederen u uittrekken, en uw sierlijke juwelen nemen, en u naakt en bloot laten.
39 Vou entregá-la a eles, e eles derrubarão os altares onde você se entregava à prostituição e onde adorava ídolos. Eles levarão as suas roupas e as suas joias e a deixarão completamente nua.
40 Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken.
40 — Eles vão atiçar a multidão para apedrejá-la e com as suas espadas cortarão você em pedaços.
41 Zij zullen ook uw huizen met vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor veler vrouwen ogen; en Ik zal u doen ophouden van een hoer te zijn, en gij zult ook niet meer hoerenloon geven.
41 Eles destruirão com fogo as suas casas e deixarão que muitas mulheres vejam o seu castigo. Farei com que você deixe de ser prostituta, farei com que deixe de dar presentes aos seus amantes.
42 Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten, en Mijn ijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn, en niet meer toornig wezen.
42 Aí o meu furor passará, e eu me acalmarei. Não ficarei mais irado, nem terei ciúmes.
43 Daarom dat gij niet gedacht hebt aan de dagen uwer jonkheid, en Mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zo zal Ik ook uw weg op uw hoofd geven, spreekt de Heere HEERE; en gij zult die schandelijke daad niet doen boven al uw gruwelen.
43 Você esqueceu como eu a tratei quando era moça e me deixou irado com todas as coisas que fez. Foi por isso que a fiz pagar por tudo. Por que é que, além de todas as coisas nojentas que você fez, ainda foi imoral? Eu, o Senhor Deus, falei.
44 Zie, een ieder, die spreekwoorden gebruikt, zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zo de moeder is, is haar dochter.
44 O Senhor Deus diz o seguinte: — Jerusalém, os outros usarão este provérbio a respeito de você: “Tal mãe, tal filha.”
45 Gij zijt de dochter uwer moeder, die de walg had van haar man en van haar kinderen; en gij zijt de zuster uwer zusteren, die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen; uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet.
45 — De fato, você é a filha da sua mãe. Ela detestava o marido e os filhos. Você é como as suas irmãs, que odiavam os seus maridos e os seus filhos. Você e as cidades que são suas irmãs tiveram mãe heteia e pai amorreu .
46 Uw grote zuster nu is Samaria, zij en haar dochteren, dewelke woont aan uw linkerhand; maar uw zuster, die kleiner is dan gij, die tegen uw rechterhand woont, is Sodom en haar dochteren.
46 — A sua irmã mais velha é Samaria, no Norte, com os povoados que ficam ao seu redor. A sua irmã mais moça, com os seus povoados, é Sodoma, no Sul.
47 Doch gij hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelen gedaan; het was wat gerings, een verdriet; maar gij hebt het meer verdorven dan zij, in al uw wegen.
47 Por acaso, você se contentou em seguir os passos delas e em imitar as coisas nojentas que elas fizeram? Não! Em pouco tempo, você se tornou mais imoral do que elas em tudo o que fazia.
48 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, indien Sodom, uw zuster, zij met haar dochteren, gedaan heeft, gelijk gij gedaan hebt en uw dochteren!
48 — Jerusalém, juro pela minha vida — diz o Senhor Deus — que a sua irmã Sodoma e os povoados que ficam ao seu redor nunca pecaram tanto quanto você e os seus povoados.
49 Ziet, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochteren; maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet.
49 Sodoma e as suas filhas eram orgulhosas porque tinham muita comida e viviam no conforto, sem fazer nada; porém não cuidaram dos pobres e dos necessitados.
50 En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had.
50 Elas foram orgulhosas e teimosas e fizeram as coisas que eu detesto; por isso, eu as destruí, como você sabe muito bem.
51 Samaria ook heeft naar de helft uwer zonden niet gezondigd; en gij hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zusters gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die gij gedaan hebt.
51 — Samaria não cometeu a metade dos pecados que você, Jerusalém, cometeu. Você fez coisas ainda mais vergonhosas do que as suas irmãs Sodoma e Samaria fizeram. Elas até parecem inocentes quando a sua corrupção, Jerusalém, é comparada com a delas.
52 Draag gij dan ook uw schande, gij, die voor uw zusteren geoordeeld hebt door uw zonden, die gij gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan gij; wees gij dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat gij uw zusters gerechtvaardigd hebt.
52 E agora você terá de suportar a sua desgraça. Os seus pecados são mais graves do que os das suas irmãs, tanto que elas até são inocentes em comparação com você. Agora, Jerusalém, fique envergonhada e aguente a sua humilhação, pois você faz com que as suas irmãs pareçam puras.
53 Als Ik haar gevangenen wederbrengen zal, namelijk de gevangenen van Sodom en haar dochteren, en de gevangenen van Samaria en haar dochteren, dan zal Ik wederbrengen de gevangenen uwer gevangenis in het midden van haar.
53 O Senhor Deus disse a Jerusalém: — Vou trazer progresso de novo para as suas irmãs: para Sodoma e os povoados que ficam ao seu redor e para Samaria e os seus povoados. E vou fazer com que você também prospere.
54 Opdat gij uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al hetgeen gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult.
54 Você terá vergonha de você mesma, e a sua desgraça mostrará às suas irmãs que elas estão em muito boas condições.
55 Als uw zusters, Sodom en haar dochteren, zullen wederkeren tot haar vorigen staat, mitsgaders Samaria en haar dochteren zullen wederkeren tot haar vorigen staat, zult gij ook en uw dochteren wederkeren tot uw vorigen staat.
55 De novo haverá progresso para elas, e você e os seus povoados também serão reconstruídos.
56 Ja, uw zuster Sodom is in uw mond niet gehoord geweest, ten dage uws groten hoogmoeds,
56 No seu orgulho, você zombou de Sodoma,
57 Aleer uw boosheid ontdekt was. Als de tijd was der versmading van de dochteren van Syrie, en van al degenen, die rondom datzelve waren, de dochteren der Filistijnen, die u verachten van rondom,
57 antes de ser descoberto o mal que você fazia. Agora, você se tornou igual a Sodoma: zombam de você os edomitas, os filisteus e os seus outros vizinhos que a odeiam.
58 Hebt gij uw schandelijke daden en uw gruwelen gedragen, spreekt de HEERE.
58 Você precisa sofrer pelas coisas imorais e vergonhosas que fez. Eu, o Senhor , falei.
59 Want alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal u ook doen, gelijk als gij gedaan hebt, die den eed veracht hebt, brekende het verbond.
59 O Senhor Deus diz: — Jerusalém, eu a tratarei como merece, pois você quebrou as suas promessas e não respeitou a
60 Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen uwer jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.
60 Mas eu manterei a aliança que fiz com você na sua mocidade e farei com você uma aliança que durará para sempre.
61 Dan zult gij uwer wegen gedenken en beschaamd zijn, als gij uw zusteren, die groter zijn dan gij, aannemen zult; want Ik zal u dezelve geven tot dochteren, maar niet uit uw verbond.
61 Você lembrará do que fez e ficará envergonhada de receber de volta a sua irmã mais velha e a sua irmã mais moça. Eu as darei a você como se fossem filhas, embora isso não fizesse parte da nossa aliança.
62 Want Ik zal Mijn verbond met u oprichten, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben;
62 Renovarei a aliança que fiz com você, e você ficará sabendo que eu sou o Senhor .
63 Opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE.
63 Eu perdoarei todas as coisas más que você fez, porém você lembrará delas e ficará envergonhada demais para dizer qualquer coisa. Eu, o Senhor Deus, falei.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Ezequiel 16, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.