Ezequiel 16

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1 A palavra do Senhor veio a mim, dizendo:
2 Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend,
2 — Filho do homem, mostre a Jerusalém as suas abominações
3 En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land der Kanaanieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische.
3 e diga-lhe: Assim diz o Senhor Deus a Jerusalém: — “Quanto à sua origem e ao seu nascimento, você procede da terra dos cananeus. O seu pai era amorreu, e a sua mãe era heteia.
4 En aangaande uw geboorten: ten dage, als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windselen gewonden.
4 Quanto ao seu nascimento, no dia em que você nasceu, não lhe cortaram o cordão umbilical, nem a lavaram com água para que ficasse limpa, nem a esfregaram com sal, nem a enrolaram em panos.
5 Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart.
5 Ninguém olhou para você com piedade, para lhe fazer qualquer dessas coisas, compadecendo-se de você. Pelo contrário, no dia em que nasceu, você foi jogada em campo aberto, porque tiveram nojo de você.”
6 Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!
6 — “Quando passei por perto e vi que você se revolvia no seu sangue, eu lhe disse: ‘Ainda que você esteja coberta de sangue, fique viva! Sim, ainda que você esteja coberta de sangue, fique viva!’
7 Ik heb u tot tien duizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, doch gij waart naakt en bloot.
7 Eu a fiz crescer como uma planta do campo. Você cresceu, se desenvolveu e ficou muito bonita. Os seus seios tomaram forma, os cabelos cresceram, mas você estava completamente nua.”
8 Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE en gij werdt de Mijne.
8 — “Quando passei de novo por perto e olhei para você, eis que você tinha chegado à idade do amor. Estendi sobre você as abas do meu manto e cobri a sua nudez. Fiz um juramento e entrei em aliança com você, diz o Senhor Deus; e você passou a ser minha.”
9 Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.
9 — “Então eu a lavei com água, limpei o sangue que a cobria e a ungi com óleo.
10 Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde.
10 Também a vesti com roupas bordadas e lhe dei sandálias feitas com couro da melhor qualidade; eu a cingi de linho fino e a cobri de seda.
11 Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals.
11 Também a enfeitei com joias: braceletes nas mãos e um colar no pescoço.
12 Desgelijks deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon der heerlijkheid op uw hoofd.
12 Coloquei um pendente em seu nariz, brincos nas orelhas e uma linda coroa na cabeça.
13 Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; gij at meelbloem, en honig, en olie, en gij waart gans zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werdt.
13 Assim, você foi enfeitada com ouro e prata; as suas roupas eram de linho fino, de seda e de bordados. Você se alimentou da melhor farinha, de mel e azeite; você era muito bonita e chegou a ser rainha.
14 Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.
14 A sua fama correu entre as nações, por causa da sua beleza, pois você era perfeita, por causa do meu esplendor que eu tinha posto sobre você, diz o Senhor Deus.”
15 Maar gij hebt vertrouwd op uw schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uw naam; ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging; voor hem was zij.
15 — “Mas você confiou em sua beleza, e a sua fama fez com que você se prostituísse; e você se ofereceu a todos os que passavam, para ser deles.
16 En gij hebt van uw klederen genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; zulks is niet gekomen, en zal niet geschieden.
16 Você pegou algumas de suas roupas e fez para si lugares altos enfeitados de diversas cores, nos quais você se prostituiu. Nunca antes havia acontecido algo assim, e jamais voltará a acontecer.
17 Daartoe hebt gij genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd.
17 Você pegou as suas belas joias, feitas com o ouro e a prata que eu lhe tinha dado, e fez para si imagens de homens, com as quais você se prostituiu.
18 En gij hebt uw gestikte klederen genomen, en hebt ze bedekt; en gij hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld.
18 Você pegou os seus vestidos bordados e com eles cobriu as imagens; o meu óleo e o meu perfume você pôs diante delas.
19 En Mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem en olie, en honig, waarmede Ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heere HEERE.
19 A comida que eu lhe dei — a melhor farinha, o óleo e o mel, com que eu a sustentava — você também pôs diante delas em aroma agradável; e assim se fez, diz o Senhor Deus.”
20 Verder hebt gij uw zonen en uw dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze denzelven geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen,
20 — “Além disso, você pegou os filhos e as filhas que teve comigo e os sacrificou às imagens, para serem consumidos. Como se não bastasse essa sua prostituição,
21 Dat gij Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als gij dezelve voor hen door het vuur hebt doen gaan?
21 você matou os meus filhos e os entregou a essas imagens como oferta pelo fogo.
22 Ook hebt gij bij al uw gruwelen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen uwer jonkheid, als gij naakt en bloot waart, als gij vertreden waart in uw bloed.
22 Em todas as suas abominações e nas suas prostituições, você não se lembrou dos dias da sua mocidade, quando você estava completamente nua, revolvendo-se no seu sangue.”
23 Het is ook geschied na al uw boosheid,, wee, wee u, spreekt de Heere HEERE),
23 — “Depois de toda a sua maldade — ‘Ai! Ai de você!’, diz o Senhor Deus —,
24 Dat gij u een verwelfsel gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat.
24 você construiu altares e um lugar elevado em cada praça.
25 Aan elk hoofd des wegs hebt gij uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uw benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.
25 Na entrada de todos os caminhos, você construiu um lugar elevado, profanou a sua beleza, se ofereceu a todos os que passavam e multiplicou as suas prostituições.
26 Gij hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw naburen, die groot van vlees zijn; en gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken.
26 Você também se prostituiu com os filhos do Egito, seus vizinhos de membros avantajados, e multiplicou a sua prostituição, para me provocar à ira.”
27 Ziet, daarom strekte Ik Mijn hand over u uit, en verminderde uw bescheiden deel; en Ik gaf u over in den lust dergenen, die u haten, der dochteren der Filistijnen, die vanwege uw schandelijken weg beschaamd waren.
27 — “Por isso, estendi a mão contra você, diminuí o seu território e a entreguei à vontade daquelas que a odeiam, as filhas dos filisteus, que se envergonhavam da conduta depravada de vocês.
28 Verder hebt gij gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat gij onverzadelijk waart; ja, als gij met hen gehoereerd hebt, zijt gij ook niet verzadigd geworden.
28 E, por ser insaciável, você também se prostituiu com os filhos da Assíria. E, prostituindo-se com eles, nem assim ficou satisfeita;
29 Maar gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd in het land van Kanaan tot in Chaldea; en daarmede ook zijt gij niet verzadigd geworden.
29 pelo contrário, você estendeu as suas prostituições até a Caldeia, essa terra de negociantes, mas nem com isso ficou satisfeita.”
30 Hoe zwak is uw hart (spreekt de Heere HEERE) als gij al deze dingen doet, zijnde het werk van een heersende hoerachtige vrouw!
30 — “Como é fraco o seu coração, diz o Senhor Deus, pois você faz todas estas coisas que são próprias de uma prostituta descarada.
31 Als gij uw verwelfsel bouwt aan het hoofd van iederen weg, en uw hoge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als een hoer, het hoerenloon beschimpende.
31 Construindo os seus altares na entrada de todos os caminhos e o seu lugar elevado em cada praça, você não foi como a prostituta, porque desprezou o pagamento.
32 O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.
32 Você foi como a mulher adúltera, que, em lugar de seu marido, recebe os estranhos.
33 Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan al uw boelen, en gij beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen.
33 Todas as prostitutas recebem pagamento, mas você dá presentes a todos os seus amantes. Você faz isso para que venham de todas as partes adulterar com você.
34 Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt, om te hoereren; want als gij hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo zijt gij tot een tegendeel geworden.
34 Com você, na sua vida de prostituta, acontece o contrário do que se dá com outras mulheres. Ninguém pede que você se prostitua. Você faz o pagamento, e ninguém paga nada a você. Nisso você é diferente!”
35 Daarom, o hoer, hoor des HEEREN woord.
35 — “Portanto, prostituta, ouça a palavra do Senhor .
36 Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden uwer gruwelen, en na het bloed uwer kinderen, dat gij hun gegeven hebt;
36 Assim diz o Senhor Deus: Por você ter derramado o seu dinheiro e deixado à mostra a sua nudez nas suas prostituições com os seus amantes; por causa também de todos os seus ídolos abomináveis e do sangue de seus filhos que você ofereceu a esses ídolos,
37 Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met dewelke gij vermengd zijt geweest, en allen, die gij liefgehad hebt, met allen, die gij gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw ganse naaktheid zien zullen.
37 eis que reunirei todos os amantes que você quis agradar, tanto os que você amava como todos os que você odiava. Eu os trarei contra você de todos os lados e descobrirei as suas vergonhas diante deles, para que eles vejam toda a sua nudez.
38 Daartoe zal Ik u naar de rechten der overspeelsters en der bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven aan het bloed der grimmigheid en des ijvers.
38 Eu a julgarei como são julgadas as adúlteras e as assassinas; farei com que você seja vítima de furor e de ciúme.
39 En Ik zal u in hun hand overgeven, en zij zullen uw verwelfsel afbreken, en uw hoge plaatsen omwerpen, en uw klederen u uittrekken, en uw sierlijke juwelen nemen, en u naakt en bloot laten.
39 Vou entregá-la nas mãos deles, e eles derrubarão os seus altares e lugares elevados. Vão despir você, levar as suas belas joias, e a deixarão completamente nua.
40 Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken.
40 Trarão contra você uma multidão, irão apedrejá-la e a cortarão em pedaços com as suas espadas.
41 Zij zullen ook uw huizen met vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor veler vrouwen ogen; en Ik zal u doen ophouden van een hoer te zijn, en gij zult ook niet meer hoerenloon geven.
41 Queimarão as suas casas e executarão juízos contra você, à vista de muitas mulheres. Acabarei com a sua prostituição, e você não fará mais nenhum pagamento.
42 Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten, en Mijn ijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn, en niet meer toornig wezen.
42 Desse modo, desafogarei em você o meu furor e deixarei de ter ciúmes de você. Estarei calmo e não ficarei mais irado.
43 Daarom dat gij niet gedacht hebt aan de dagen uwer jonkheid, en Mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zo zal Ik ook uw weg op uw hoofd geven, spreekt de Heere HEERE; en gij zult die schandelijke daad niet doen boven al uw gruwelen.
43 Visto que você não se lembrou dos dias da sua mocidade e me provocou à ira com todas essas coisas, eis que também eu farei recair sobre a sua cabeça o castigo que os seus atos merecem, diz o Senhor Deus. Não é fato que a todas as suas outras abominações você acrescentou esta depravação?”
44 Zie, een ieder, die spreekwoorden gebruikt, zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zo de moeder is, is haar dochter.
44 — “Eis que todos os que usam provérbios usarão contra você o seguinte: ‘Tal mãe, tal filha.’
45 Gij zijt de dochter uwer moeder, die de walg had van haar man en van haar kinderen; en gij zijt de zuster uwer zusteren, die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen; uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet.
45 Você é filha da sua mãe, que teve nojo de seu marido e de seus filhos. E você é irmã das suas irmãs, que tiveram nojo de seus maridos e de seus filhos. A mãe de vocês era heteia, e o pai era amorreu.”
46 Uw grote zuster nu is Samaria, zij en haar dochteren, dewelke woont aan uw linkerhand; maar uw zuster, die kleiner is dan gij, die tegen uw rechterhand woont, is Sodom en haar dochteren.
46 — “A sua irmã mais velha é Samaria, que mora ao norte de você com as suas filhas; e a sua irmã mais nova, que mora ao sul de você, é Sodoma com as suas filhas.
47 Doch gij hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelen gedaan; het was wat gerings, een verdriet; maar gij hebt het meer verdorven dan zij, in al uw wegen.
47 Você andou nos mesmos caminhos em que elas andaram e fez as mesmas abominações que elas fizeram. E, como se isto não fosse o bastante, você ainda se corrompeu mais do que elas, em todos os seus caminhos.
48 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, indien Sodom, uw zuster, zij met haar dochteren, gedaan heeft, gelijk gij gedaan hebt en uw dochteren!
48 Tão certo como eu vivo, diz o Senhor Deus, a sua irmã Sodoma e as filhas dela não fizeram o que você e as suas filhas fizeram.
49 Ziet, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochteren; maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet.
49 Eis que esta foi a iniquidade de sua irmã Sodoma: ela e as suas filhas foram orgulhosas, tiveram fartura de pão e próspera tranquilidade, mas nunca ampararam os pobres e os necessitados.
50 En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had.
50 Foram arrogantes e fizeram abominações diante de mim. Ao ver isso, eu as removi daquele lugar.
51 Samaria ook heeft naar de helft uwer zonden niet gezondigd; en gij hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zusters gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die gij gedaan hebt.
51 Também Samaria não cometeu metade dos pecados que você cometeu. Você multiplicou as suas abominações mais do que elas e assim, com todas essas suas abominações, fez com que as suas irmãs parecessem mais justas do que são.
52 Draag gij dan ook uw schande, gij, die voor uw zusteren geoordeeld hebt door uw zonden, die gij gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan gij; wees gij dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat gij uw zusters gerechtvaardigd hebt.
52 Agora, pois, suporte a sua humilhação, você que advogou a causa de suas irmãs. Diante dos pecados que você cometeu, que são mais abomináveis do que os pecados que elas cometeram, elas são mais justas do que você. Portanto, envergonhe-se e suporte a sua humilhação, pois você fez as suas irmãs parecerem mais justas do que você.”
53 Als Ik haar gevangenen wederbrengen zal, namelijk de gevangenen van Sodom en haar dochteren, en de gevangenen van Samaria en haar dochteren, dan zal Ik wederbrengen de gevangenen uwer gevangenis in het midden van haar.
53 — “Restaurarei a sorte delas — a de Sodoma e de suas filhas e a de Samaria e de suas filhas — e restaurarei também a sua sorte entre elas,
54 Opdat gij uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al hetgeen gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult.
54 para que você suporte a sua humilhação e seja envergonhada por tudo o que você fez, servindo-lhes de consolo.
55 Als uw zusters, Sodom en haar dochteren, zullen wederkeren tot haar vorigen staat, mitsgaders Samaria en haar dochteren zullen wederkeren tot haar vorigen staat, zult gij ook en uw dochteren wederkeren tot uw vorigen staat.
55 Quando as suas irmãs, Sodoma com as suas filhas e Samaria com as suas filhas, voltarem ao seu primeiro estado, também você e as suas filhas voltarão ao seu primeiro estado.
56 Ja, uw zuster Sodom is in uw mond niet gehoord geweest, ten dage uws groten hoogmoeds,
56 Não é fato que, nos dias do seu orgulho, você usou o nome de sua irmã Sodoma como provérbio,
57 Aleer uw boosheid ontdekt was. Als de tijd was der versmading van de dochteren van Syrie, en van al degenen, die rondom datzelve waren, de dochteren der Filistijnen, die u verachten van rondom,
57 antes que se descobrissem as maldades que você fazia? Agora você se tornou, como ela, objeto de zombaria das filhas da Síria e de todos os que estão ao redor dela, as filhas dos filisteus que a desprezam.
58 Hebt gij uw schandelijke daden en uw gruwelen gedragen, spreekt de HEERE.
58 Você terá de sofrer as consequências da perversidade e das abominações que você praticou, diz o Senhor .”
59 Want alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal u ook doen, gelijk als gij gedaan hebt, die den eed veracht hebt, brekende het verbond.
59 — Porque assim diz o Senhor Deus: “Eu farei com você o mesmo que você fez, pois você desprezou o juramento e quebrou a aliança.
60 Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen uwer jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.
60 Mas eu me lembrarei da aliança que fiz com você nos dias da sua mocidade e com você estabelecerei uma aliança eterna.
61 Dan zult gij uwer wegen gedenken en beschaamd zijn, als gij uw zusteren, die groter zijn dan gij, aannemen zult; want Ik zal u dezelve geven tot dochteren, maar niet uit uw verbond.
61 Então você se lembrará dos seus caminhos e ficará envergonhada quando receber as suas irmãs, tanto as mais velhas como as mais novas. Eu as darei a você por filhas, mas não pela sua aliança.
62 Want Ik zal Mijn verbond met u oprichten, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben;
62 Estabelecerei a minha aliança com você, e você saberá que eu sou o Senhor ,
63 Opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE.
63 para que você se lembre e fique envergonhada, e nunca mais abra a sua boca por causa da sua humilhação, quando eu lhe houver perdoado tudo o que você fez”, diz o Senhor Deus.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Ezequiel 16, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.