Ezequiel 12

Dutch (DUTCH) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1 E veio a mim a palavra do Senhor , dizendo:
2 Mensenkind! gij woont in het midden van een wederspannig huis, dewelke ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een wederspannig huis.
2 Filho do homem, tu habitas no meio da casa rebelde, que tem olhos para ver e não vê, e tem ouvidos para ouvir e não ouve; porque é casa rebelde.
3 Daarom gij, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en gij zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een wederspannig huis zijn.
3 Tu, pois, ó filho do homem, prepara mobília para mudares de país e, de dia, muda de lugar à vista deles; e do teu lugar mudarás para outro lugar à vista deles; bem pode ser que reparem nisso, ainda que eles são casa rebelde.
4 Gij zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult gij in den avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken.
4 À vista deles, pois, tirarás para fora, de dia, os teus trastes, como para mudança; então, tu sairás de tarde à vista deles, como quem sai mudando de lugar.
5 Doorgraaf u den wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit.
5 Escava para ti, à vista deles, a parede e tira-os para fora por ali.
6 Voor hun ogen zult gij het op de schouders dragen, in donker zult gij het uitbrengen; uw aangezicht zult gij bedekken, dat gij het land niet ziet; want Ik heb u den huize Israels tot een wonderteken gegeven.
6 À vista deles, aos ombros os levarás, e, às escuras, os tirarás, e cobrirás a face, para que não vejas a terra; porque te dei por sinal maravilhoso à casa de Israel.
7 En ik deed alzo, gelijk als mij bevolen was; ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna in den avond doorgroef ik mij den wand met de hand; ik bracht het uit in donker, en ik droeg het op den schouder voor hun ogen.
7 E fiz assim, como se me deu ordem: os meus trastes tirei para fora, de dia, como para mudança; então, à tarde escavei na parede com a mão; às escuras, os tirei para fora e, aos ombros, os levei, à vista deles.
8 En des morgens geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
8 E veio a mim a palavra do Senhor , pela manhã, dizendo:
9 Mensenkind, heeft niet het huis Israels, het wederspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij?
9 Filho do homem, não te disse a casa de Israel, aquela casa rebelde: Que fazes tu?
10 Zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Deze last is tegen den vorst te Jeruzalem, en het ganse huis Israels, dat in het midden van hen is.
10 Dize-lhes: Assim diz o Senhor Jeová : Esta carga refere-se ao príncipe em Jerusalém e a toda a casa de Israel, que está no meio dela.
11 Zeg: Ik ben ulieder wonderteken; gelijk als ik gedaan heb, alzo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in de gevangenis heengaan.
11 Dize: Eu sou o vosso maravilhoso sinal. Assim como eu fiz, assim se lhes fará a eles; para o exílio irão cativos.
12 En de vorst, die in het midden van hen is, zal het gereedschap op den schouder dragen in donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door den wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie.
12 E o príncipe que está no meio deles levará aos ombros e às escuras os trastes e sairá; a parede escavarão para os tirarem por ela; o rosto cobrirá, para que, com os seus olhos, não veja a terra.
13 Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonie, het land der Chaldeen; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal.
13 Também estenderei a minha rede sobre ele, e será apanhado no meu laço; e o levarei a Babilônia, à terra dos caldeus, mas não a verá, ainda que ali morrerá.
14 En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
14 E todos os que estiverem ao redor dele para seu socorro, e todas as suas tropas espalharei a todos os ventos; e desembainharei a espada atrás deles.
15 Alzo zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.
15 Assim, saberão que eu sou o Senhor , quando eu os dispersar entre as nações e os espalhar pelas terras.
16 Doch Ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij al hun gruwelen vertellen onder de heidenen, waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
16 Mas deles deixarei ficar alguns poucos, escapos da espada, da fome e da peste, para que contem todas as suas abominações entre as nações para onde forem; e saberão que eu sou o Senhor .
17 Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
17 Então, veio a mim a palavra do Senhor , dizendo:
18 Mensenkind, gij zult uw brood eten met beven, en uw water zult gij met beroerte en met kommer drinken.
18 Filho do homem, o teu pão comerás com tremor e a tua água beberás com estremecimento e com receio.
19 En gij zult tot het volk des lands zeggen: Alzo zegt de Heere HEERE, van de inwoners van Jeruzalem, in het land Israels: Zij zullen hun brood met kommer eten, en hun water zullen zij met verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijn volheid, vanwege het geweld van al degenen, die daarin wonen;
19 E dirás ao povo da terra: Assim diz o Senhor Jeová acerca dos habitantes de Jerusalém, na terra de Israel: O seu pão comerão com receio e a sua água beberão com susto, pois que a sua terra será despojada de sua abundância, por causa da violência de todos os que habitam nela.
20 En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal een wildernis zijn; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
20 E as cidades habitadas serão desoladas, e a terra se tornará em assolação; e sabereis que eu sou o Senhor .
21 Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
21 E veio ainda a mim a palavra do Senhor , dizendo:
22 Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat gijlieden hebt in het land Israels, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan?
22 Filho do homem, que ditado é este que vós tendes na terra de Israel, dizendo: Prolongar-se-ão os dias, e perecerá toda visão?
23 Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israel. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder gezicht.
23 Portanto, dize-lhes: Assim diz o Senhor Jeová : Farei cessar este ditado, e não se servirão mais dele como provérbio em Israel; mas dize-lhes: Chegaram os dias e a palavra de toda visão.
24 Want geen ijdel gezicht zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis Israels.
24 Porque não haverá mais nenhuma visão vã, nem adivinhação lisonjeira, no meio da casa de Israel.
25 Want Ik ben de HEERE, Ik zal spreken; het woord, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uw dagen, o wederspannig huis, zal Ik een woord spreken, en hetzelve doen, spreekt de Heere HEERE.
25 Porque eu, o Senhor , falarei, e a palavra que eu falar se cumprirá; não será mais retardada; porque em vossos dias, ó casa rebelde, falarei uma palavra e a cumprirei, diz o Senhor Jeová .
26 Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
26 Veio mais a mim a palavra do Senhor , dizendo:
27 Mensenkind, zie, die van het huis Israels zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn.
27 Filho do homem, eis que os da casa de Israel dizem: A visão que este vê é para muitos dias, e ele profetiza de tempos que estão longe.
28 Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Geen Mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, hetwelk Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heere HEERE.
28 Portanto, dize-lhes: Assim diz o Senhor Jeová : Não será mais retardada nenhuma das minhas palavras, e a palavra que falei se cumprirá, diz o Senhor Jeová .

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Ezequiel 12, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.