Deuteronômio 4
Dutch (DUTCH) vs NTLH
1 Nu dan, Israel! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de HEERE, uwer vaderen God, u geeft.
1 Depois Moisés disse ao povo de Israel: — Obedeçam a todas as
2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.
2 Não acrescentem nada à lei que lhes estou dando, nem tirem dela uma só palavra. Guardem todos os mandamentos do Senhor , nosso Deus.
3 Uw ogen hebben gezien, wat God om Baal-Peor gedaan heeft; want alle man, die Baal-Peor navolgde, dien heeft de HEERE, uw God, uit het midden van u verdaan.
3 Vocês mesmos viram o que o Senhor fez perto do monte Peor, como matou todas as pessoas do nosso povo que ali adoraram o deus Baal .
4 Gij daarentegen, die den HEERE, uw God, aanhingt, gij zijt heden allen levende.
4 Mas aqueles que continuaram fiéis a Deus, o Senhor , ainda estão vivos.
5 Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de HEERE, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven.
5 — Como o Senhor , meu Deus, me ordenou, eu lhes tenho ensinado as leis e os mandamentos que vocês deverão guardar na terra que vão invadir e que vai ser de vocês.
6 Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit groot volk alleen is een wijs en verstandig volk!
6 Portanto, obedeçam fielmente a todas essas leis, e assim os outros povos verão que vocês são sábios e inteligentes. Quando ouvirem falar dessas leis, eles dirão: “Como é sábio e inteligente o povo dessa grande nação!”
7 Want wat groot volk is er, hetwelk de goden zo nabij zijn als de HEERE, onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen?
7 — Nenhuma outra grande nação tem um deus que fique tão perto do seu povo como o Senhor , nosso Deus, fica perto de nós. Ele nos ouve todas as vezes que pedimos a sua ajuda.
8 En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?
8 E será que existe outra grande nação que tenha mandamentos e ensinamentos tão direitos como essa lei que estou lhes dando hoje?
9 Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken.
9 Portanto, tenham cuidado e sejam fiéis para que nunca esqueçam as coisas que viram. E contem aos seus filhos e netos
10 Ten dage, als gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, aan Horeb stondt, als de HEERE tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;
10 o que aconteceu no monte Sinai naquele dia em que vocês estiveram na presença do Senhor , nosso Deus, quando ele me disse: “Reúna esse povo na minha presença para que escutem o que vou dizer, a fim de que aprendam a temer-me a vida inteira e assim ensinem os seus filhos.”
11 En gijlieden naderdet en stondt beneden dien berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden des hemels; er was duisternis, wolken en donkerheid).
11 — Então vocês foram e ficaram ao pé do monte Sinai, que estava completamente coberto de escuridão e de nuvens negras. Em cima do monte havia um fogo, e as suas chamas subiam até o céu.
12 Zo sprak de HEERE tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden; maar gij zaagt geen gelijkenis, behalve de stem.
12 Do meio do fogo o Senhor Deus falou com vocês; vocês ouviram a voz dele, mas não viram ninguém; só escutaram a voz.
13 Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen.
13 Deus lhes anunciou a aliança que estava fazendo com vocês e mandou que obedecessem aos dez mandamentos, que depois escreveu em duas placas de pedra.
14 Ook gebood mij de HEERE ter zelver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat gij die deedt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt, om dat te erven.
14 E ao mesmo tempo o Senhor mandou que eu lhes ensinasse as leis e os mandamentos que vocês devem seguir na terra que vão invadir e que vai ser de vocês.
15 Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage als de HEERE op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak;
15 Moisés continuou: — Quando o
16 Opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, van mannelijk of vrouwelijk gedaante,
16 e não cometam o erro de fazer imagens para adorar. Não façam nenhuma imagem que sirva de ídolo, seja em forma de homem, ou de mulher,
17 De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;
17 ou de animal, ou de ave,
18 De gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt; de gedaante van enigen vis, die in het water is onder de aarde;
18 ou de animal que se arrasta pelo chão, ou de peixe.
19 Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld.
19 E, quando olharem para o céu, não caiam na tentação de adorar o sol, a lua ou as estrelas. Pois o Senhor , nosso Deus, repartiu o sol, a lua e as estrelas entre os outros povos, para que eles os adorem.
20 Maar ulieden heeft de HEERE aangenomen, en uit den ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is.
20 Mas vocês são o povo que o Senhor tirou do Egito, aquela fornalha acesa, para serem somente dele, como, de fato, são.
21 Ook vertoornde Zich de HEERE over mij, om ulieder woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat de HEERE, uw God, u ter erfenis geven zal.
21 Por causa de vocês o Senhor Deus ficou irado comigo e jurou que eu nunca atravessaria o rio Jordão, nem entraria na boa terra que o Senhor , nosso Deus, lhes está dando.
22 Want ik zal in dit land sterven; ik zal over de Jordaan niet gaan; maar gij zult er overgaan, en datzelve goede land erven.
22 Eu não vou atravessar o rio Jordão; vou morrer aqui mesmo. Mas vocês vão atravessá-lo e tomar posse daquela boa terra.
23 Wacht u, dat gij het verbond des HEEREN, uws Gods, hetwelk Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat gij u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat de HEERE, uw God, u verboden heeft.
23 Tenham o cuidado de não esquecerem a aliança que o Senhor , nosso Deus, fez com vocês. Obedeçam à sua ordem e não façam nenhuma imagem para adorar.
24 Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
24 Pois o Senhor , nosso Deus, é um fogo destruidor; ele não tolera outros deuses.
25 Wanneer gij nu kinderen en kindskinderen gewonnen zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zult verderven, dat gij gesneden beelden maakt, de gelijkenis van enig ding, en doet, wat kwaad is in de ogen des HEEREN, uws Gods, om Hem tot toorn te verwekken;
25 — E mesmo depois de muitos anos na terra de Canaã, quando vocês já estiverem velhos e tiverem filhos e netos, não cometam o erro de fazer ídolos. Para Deus isso é um pecado grave, e ele ficará irado com vocês.
26 Zo roep ik heden den hemel en de aarde tot getuige tegen ulieden, dat gij voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar gij over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; gij zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.
26 Chamo o céu e a terra como testemunhas contra vocês: se adorarem ídolos, vocês desaparecerão logo da terra que vai ser de vocês no outro lado do rio Jordão. Vocês viverão pouco tempo naquela terra e logo serão completamente destruídos.
27 En de HEERE zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar de HEERE u henen leiden zal.
27 O Senhor Deus os espalhará pelas nações estrangeiras, onde poucos de vocês ficarão vivos.
28 En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken.
28 Naquelas nações vocês adorarão deuses feitos de madeira e de pedra, que não veem, nem ouvem, não comem, nem cheiram.
29 Dan zult gij van daar den HEERE, uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
29 Lá vocês procurarão o Senhor , seu Deus, e o encontrarão, se o buscarem com todo o coração e com toda a alma.
30 Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot den HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.
30 E, no futuro, quando estiverem em dificuldades, e tudo isso acontecer, então se vocês voltarem para o Senhor , nosso Deus, e obedecerem aos seus mandamentos,
31 Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond uwer vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten.
31 ele não os abandonará. Ele é Deus misericordioso e não os destruirá, nem esquecerá a aliança que fez com os nossos antepassados e que jurou cumprir.
32 Want, vraag toch naar de vorige dagen, die voor u geweest zijn, van dien dag af, dat God den mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde des hemels tot aan het andere einde des hemels, of zulk een groot ding geschied of gehoord zij, als dit:
32 — Estudem o passado, toda a história desde a criação da humanidade. Caminhem pelo mundo inteiro e perguntem se alguém já viu ou ouviu falar de haver acontecido alguma coisa tão impressionante como esta.
33 Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden des vuurs, gelijk als gij gehoord hebt, en levend zij gebleven?
33 Será que já houve alguém que, depois de ter ouvido um deus falando do meio do fogo, ainda continuasse vivo, como aconteceu com vocês?
34 Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en met grote verschrikkingen; naar al hetgeen de HEERE, uw God, ulieden voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?
34 Será que já houve um deus que resolveu ir tirar do meio de outra nação um povo para ser completamente dele, como o Senhor , nosso Deus, fez com vocês? Vocês viram como ele mostrou o seu poder e a sua força; viram como ele, por meio de pragas e milagres maravilhosos, de guerras e feitos espantosos, tirou vocês do Egito.
35 U is het getoond, opdat gij wetet, dat de HEERE die God is; er is niemand meer dan Hij alleen!
35 Deus deixou que vocês vissem tudo isso para que soubessem que o Senhor é Deus; não há nenhum outro deus, a não ser ele.
36 Van den hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en gij hebt Zijn woorden uit het midden des vuurs gehoord.
36 Para ensiná-los, Deus falou do céu, e na terra ele lhes mostrou um grande fogo, e do meio desse fogo falou com vocês.
37 En omdat Hij uw vaderen liefhad, en hun zaad na hen verkoren had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd;
37 Deus amou os nossos antepassados e por isso escolheu vocês; e ele mesmo, com a sua grande força, os tirou do Egito.
38 Om volken, die groter en machtiger waren dan gij, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hunlieder land ter erfenis gave, als het te dezen dage is.
38 Depois foi na frente de vocês, expulsando povos que eram mais numerosos e mais poderosos do que vocês, e assim deu a vocês as terras daquelas nações, onde vocês estão morando agora.
39 Zo zult gij heden weten, en in uw hart hervatten, dat de HEERE die God is, boven in den hemel, en onder op de aarde, niemand meer!
39 — Fiquem sabendo agora e nunca esqueçam isto: somente o Senhor é Deus lá em cima no céu e aqui embaixo na terra. Não há outro deus.
40 En gij zult houden Zijn inzettingen en Zijn geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE, uw God, u geeft, voor altoos.
40 Portanto, obedeçam a todas as suas leis que eu lhes estou dando hoje. Assim vocês e os seus descendentes serão felizes e viverão muitos anos na terra que o Senhor , nosso Deus, lhes está dando para sempre.
41 Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon;
41 Depois Moisés escolheu três cidades no lado leste do rio Jordão
42 Opdat daarheen vlood de doodslager, die zijn naaste onwetende doodslaat, dien hij van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in een van deze steden vlood en levend bleef;
42 para onde poderia fugir qualquer homem que, sem querer ou por engano, tivesse matado alguém de quem não tinha ódio. Em qualquer uma dessas cidades esse homem estaria seguro, e ninguém poderia matá-lo.
43 Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten.
43 Para a tribo de Rúben, Moisés escolheu Bezer, no deserto, no planalto; para a tribo de Gade, ele escolheu Ramote, na região de Gileade; e, para a tribo de Manassés do Leste, ele escolheu Golã, na região de Basã. O segundo discurso de Moisés
44 Dit is nu de wet, die Mozes de kinderen Israels voorstelde:
44 Moisés deu ao povo de Israel a lei de Deus,
45 Dit zijn de getuigenissen, en de inzettingen, en de rechten, die Mozes sprak tot de kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen;
45 com os seus mandamentos, ordens e ensinamentos. Isso foi depois que os israelitas tinham saído do Egito
46 Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; welken Mozes sloeg, en de kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen,
46 e haviam chegado ao vale que fica perto de Bete-Peor, na região a leste do rio Jordão. Essa terra era de Seom, o rei dos amorreus, que morava em Hesbom. Moisés e os israelitas derrotaram Seom
47 En zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van Og, koning van Bazan; twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, tegen den opgang der zon;
47 e tomaram posse da sua terra. E fizeram a mesma coisa com Ogue, rei de Basã. Assim os israelitas invadiram e ocuparam as terras desses dois reis amorreus, a leste do rio Jordão.
48 Van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, tot aan den berg Sion, welke is Hermon;
48 As terras deles iam desde a cidade de Aroer, que fica perto do vale do rio Arnom, no Sul, até o monte Siriom (isto é, o monte Hermom), no Norte.
49 En al het vlakke veld, aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten, tot aan de zee des vlakken velds, onder Asdoth-Pisga.
49 Fazia parte delas a região a leste do rio Jordão até o mar Morto, no Sul, e até o pé do monte Pisga, no Leste.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Deuteronômio 4, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.