Deuteronômio 27

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En Mozes, te zamen met de oudsten van Israel, gebood het volk, zeggende: Behoudt al deze geboden, die ik ulieden heden gebiede.
1 Moisés e os anciãos de Israel deram ordens ao povo, dizendo: — Guardem todos estes mandamentos que hoje lhes ordeno.
2 Het zal dan geschieden, ten dage als gij over de Jordaan zult gegaan zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal, zo zult gij u grote stenen oprichten, en bestrijken ze met kalk;
2 No dia em que vocês passarem o Jordão e entrarem na terra que o Senhor , seu Deus, lhes dá, levantem pedras grandes e pintem-nas com cal.
3 En gij zult daarop schrijven alle woorden dezer wet, als gij overgegaan zult zijn; opdat gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, een land vloeiende van melk en honig, gelijk als de HEERE, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft.
3 Ao passarem, escrevam nessas pedras todas as palavras desta lei, para que vocês entrem na terra que o Senhor , seu Deus, lhes dá, terra que mana leite e mel, como o Senhor , o Deus dos seus pais, lhes prometeu.
4 Het zal dan geschieden, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn, dat gij dezelve stenen, van dewelke ik u heden gebiede, zult oprichten op den berg Ebal, en gij zult ze met kalk bestrijken;
4 Quando vocês tiverem passado o Jordão, levantem essas pedras no monte Ebal, como hoje lhes ordeno, e pintem-nas com cal.
5 En gij zult aldaar den HEERE, uw God, een altaar bouwen, een altaar van stenen; gij zult geen ijzer over hetzelve bewegen.
5 Ali vocês devem construir um altar ao Senhor , seu Deus, altar de pedras que não tenham sido trabalhadas com instrumentos de ferro.
6 Van gehele stenen zult gij het altaar des HEEREN, uws Gods, bouwen, en gij zult den HEERE, uw God, brandofferen daarop offeren.
6 Construam o altar do Senhor , seu Deus, com pedras toscas e sobre este altar lhe ofereçam holocaustos.
7 Ook zult gij dankofferen offeren, en zult aldaar eten, en vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods.
7 Também sacrifiquem ofertas pacíficas; comam ali e alegrem-se na presença do Senhor , seu Deus.
8 En gij zult op deze stenen schrijven alle woorden dezer wet, die wel uitdrukkende.
8 Nessas pedras, escrevam, de forma bem nítida, todas as palavras desta lei.
9 Voorts sprak Mozes, te zamen met de Levietische priesteren, tot gans Israel, zeggende: Luistert toe en hoort o Israel! Op dezen dag zijt gij den HEERE, uw God, tot een volk geworden.
9 Moisés, juntamente com os sacerdotes levitas, disse ainda a todo o Israel: — Fique em silêncio e escute, ó Israel! Hoje vocês vieram a ser o povo do
10 Daarom zult gij der stem des HEEREN, uws Gods, gehoorzaam zijn, en gij zult doen Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede.
10 Portanto, obedeçam à voz do Senhor , seu Deus, e cumpram os mandamentos e os estatutos que hoje lhes ordeno.
11 En Mozes gebood het volk te dien dage, zeggende:
11 Naquele dia, Moisés deu ordem ao povo, dizendo:
12 Dezen zullen staan, om het volk te zegenen op den berg Gerizim, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin.
12 — Quando vocês tiverem passado o Jordão, estas tribos devem se colocar sobre o monte Gerizim, para abençoar o povo: Simeão, Levi, Judá, Issacar, José e Benjamim.
13 En dezen zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.
13 E estas tribos estarão sobre o monte Ebal, para amaldiçoar o povo: Rúben, Gade, Aser, Zebulom, Dã e Naftali.
14 En de Levieten zullen betuigen en zeggen tot allen man van Israel, met verhevene stem:
14 Os levitas testificarão a todo o povo de Israel em alta voz e dirão:
15 Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel des HEEREN, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.
15 — “Maldito o homem que fizer imagem de escultura ou de fundição, abominável ao Senhor , obra de artífice, e a puser em lugar oculto.” E todo o povo responderá: “Amém!”
16 Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen.
16 — “Maldito aquele que desprezar o seu pai ou a sua mãe.” E todo o povo dirá: “Amém!”
17 Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen.
17 — “Maldito aquele que mudar os marcos de divisa do seu próximo.” E todo o povo dirá: “Amém!”
18 Vervloekt zij, die een blinde op den weg doet dolen! En al het volk zal zeggen: Amen.
18 — “Maldito aquele que fizer o cego errar o caminho.” E todo o povo dirá: “Amém!”
19 Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.
19 — “Maldito aquele que perverter o direito do estrangeiro, do órfão e da viúva.” E todo o povo dirá: “Amém!”
20 Vervloekt zij, die bij de vrouw zijns vaders ligt, omdat hij zijns vaders slippe ontdekt heeft! En al het volk zal zeggen: Amen.
20 — “Maldito aquele que tiver relações sexuais com a madrasta, porque profanaria o leito de seu pai.” E todo o povo dirá: “Amém!”
21 Vervloekt zij, die bij enig beest ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.
21 — “Maldito aquele que tiver relações sexuais com um animal.” E todo o povo dirá: “Amém!”
22 Vervloekt zij, die bij zijn zuster ligt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder! En al het volk zal zeggen: Amen.
22 — “Maldito aquele que tiver relações sexuais com a sua irmã, filha de seu pai ou filha de sua mãe.” E todo o povo dirá: “Amém!”
23 Vervloekt zij, die bij zijn schoonmoeder ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.
23 — “Maldito aquele que tiver relações sexuais com sua sogra.” E todo o povo dirá: “Amém!”
24 Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgene verslaat! En al het volk zal zeggen: Amen.
24 — “Maldito aquele que matar o seu próximo às escondidas.” E todo o povo dirá: “Amém!”
25 Vervloekt zij, die geschenk neemt, om een ziel, het bloed eens onschuldigen, te verslaan! En al het volk zal zeggen: Amen.
25 — “Maldito aquele que aceitar suborno para matar pessoa inocente.” E todo o povo dirá: “Amém!”
26 Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve! En al het volk zal zeggen: Amen.
26 — “Maldito aquele que não confirmar as palavras desta lei, não as cumprindo.” E todo o povo dirá: “Amém!”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Deuteronômio 27, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.