Deuteronômio 14

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Gijlieden zijt kinderen des HEEREN, uws Gods; gij zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
1 Vocês são filhos do Senhor , seu Deus. Não façam cortes em seu corpo, nem rapem a parte da frente da cabeça por causa de algum morto.
2 Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; en u heeft de HEERE verkoren, om Hem tot een volk des eigendoms te zijn, uit al de volken, die op den aardbodem zijn.
2 Porque vocês são povo santo ao Senhor , seu Deus, e o Senhor os escolheu de todos os povos que há sobre a face da terra, para lhe serem o seu povo próprio.
3 Gij zult geen gruwel eten.
3 — Não comam coisa alguma abominável.
4 Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten;
4 São estes os animais que vocês podem comer: o boi, a ovelha, a cabra,
5 Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.
5 o veado, a gazela, a corça, a cabra selvagem, o antílope, a ovelha selvagem e o gamo.
6 Alle beesten, die de klauwen verdelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.
6 Vocês podem comer todos os animais que têm unhas fendidas, cujo casco se divide em dois e que ruminam.
7 Maar deze zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die den gekloofden klauw alleen verdelen: den kemel, en den haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn.
7 Porém dos que ruminam ou que têm a unha fendida vocês não podem comer o camelo, a lebre e o arganaz, porque ruminam, mas não têm a unha fendida; serão impuros para vocês.
8 Ook het varken; want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het ulieden zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij niet aanroeren.
8 Nem o porco, porque tem unha fendida, mas não rumina; será impuro para vocês. Destes vocês não devem comer a carne, nem tocar no seu cadáver.
9 Dit zult gij eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult gij eten.
9 — Dos animais que vivem nas águas vocês podem comer tudo o que tem barbatanas e escamas.
10 Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult gij niet eten; het zal ulieden onrein zijn.
10 Mas tudo o que não tiver barbatanas nem escamas vocês não podem comer; será impuro para vocês.
11 Allen reinen vogel zult gij eten.
11 — Toda ave pura vocês podem comer.
12 Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;
12 Estas, porém, são as que vocês não devem comer: a águia, o urubu, a águia marinha,
13 En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;
13 o açor, o falcão e o milhano, segundo a sua espécie;
14 En alle rave naar zijn aard;
14 e todo corvo, segundo a sua espécie;
15 En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
15 o avestruz, a coruja, a gaivota e o gavião, segundo a sua espécie;
16 En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,
16 o mocho, a íbis, a gralha,
17 En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;
17 o pelicano, o abutre, o corvo marinho,
18 En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;
18 a cegonha, e a garça, segundo a sua espécie, e a poupa e o morcego.
19 Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.
19 — Também todo inseto que voa será impuro para vocês; não se comerá.
20 Al het rein gevogelte zult gij eten.
20 Todo ser que tem asas e for puro vocês podem comer.
21 Gij zult geen dood aas eten; den vreemdeling, die in uw poorten is, zult gij het geven, dat hij het ete, of verkoopt het den vreemde; want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.
21 — Não comam nenhum animal que morreu por si mesmo. Vocês podem dá-lo ao estrangeiro que mora na cidade onde vocês vivem, para que o coma, ou vendê-lo ao estranho. Porque vocês são povo santo ao Senhor , seu Deus. — Não cozinhem o cabrito no leite da sua própria mãe.
22 Gij zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uws zaads, dat elk jaar van het veld voortkomt.
22 — Certamente vocês devem dar o dízimo de todo o fruto das suas sementes, que ano após ano se recolher do campo.
23 En voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zult gij eten de tienden van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen; opdat gij den HEERE, uw God, leert vrezen alle dagen.
23 E, diante do Senhor , seu Deus, no lugar que ele escolher para ali fazer habitar o seu nome, vocês comerão os dízimos do cereal, do vinho, do azeite e os primogênitos das vacas e das ovelhas. Façam isso para que aprendam a temer o Senhor , seu Deus, todos os dias.
24 Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen heendragen, omdat de plaats te verre van u zal zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te stellen; wanneer de HEERE, uw God, u zal gezegend hebben;
24 Se o caminho for comprido demais e não lhes for possível levar isso, por estar longe de vocês o lugar que o Senhor , seu Deus, escolher para ali fazer habitar o seu nome, então, quando o Senhor , seu Deus, os tiver abençoado,
25 Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;
25 vendam aquilo e, com o dinheiro na sua mão, vão ao lugar que o Senhor , o Deus de vocês, escolher.
26 En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en weest vrolijk, gij en uw huis.
26 Com esse dinheiro comprem tudo o que quiserem: vacas, ovelhas, vinho ou bebida forte, ou qualquer coisa que desejarem. Consumam isso ali na presença do Senhor , seu Deus, e alegrem-se, vocês e os membros da sua casa.
27 Maar den Leviet, die in uw poorten is, zult gij niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erve met u.
27 — Porém não desamparem os levitas que moram nas cidades de vocês, pois não têm parte nem herança com vocês.
28 Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelve jaar, en gij zult ze wegleggen in uw poorten;
28 Ao fim de cada três anos, tirem todos os dízimos do fruto do terceiro ano e os recolham nas cidades de vocês.
29 Zo zal komen de Leviet, dewijl hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de HEERE, uw God, zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult.
29 Então virão os levitas — porque não têm parte nem herança com vocês —, os estrangeiros, os órfãos e as viúvas que moram nas cidades de vocês, e comerão e se fartarão, para que o Senhor , o seu Deus, os abençoe em todas as obras que vocês fizerem.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Deuteronômio 14, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.