Deuteronômio 14

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Gijlieden zijt kinderen des HEEREN, uws Gods; gij zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
1 Filhos sois do Senhor , vosso Deus; não vos dareis golpes, nem sobre a testa fareis calva por causa de algum morto.
2 Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; en u heeft de HEERE verkoren, om Hem tot een volk des eigendoms te zijn, uit al de volken, die op den aardbodem zijn.
2 Porque sois povo santo ao Senhor , vosso Deus, e o Senhor vos escolheu de todos os povos que há sobre a face da terra, para lhe serdes seu povo próprio.
3 Gij zult geen gruwel eten.
3 Não comereis coisa alguma abominável.
4 Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten;
4 São estes os animais que comereis: o boi, a ovelha, a cabra,
5 Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.
5 o veado, a gazela, a corça, a cabra montês, o antílope, a ovelha montês e o gamo.
6 Alle beesten, die de klauwen verdelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.
6 Todo animal que tem unhas fendidas, e o casco se divide em dois, e rumina, entre os animais, isso comereis.
7 Maar deze zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die den gekloofden klauw alleen verdelen: den kemel, en den haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn.
7 Porém estes não comereis, dos que somente ruminam ou que têm a unha fendida: o camelo, a lebre e o arganaz, porque ruminam, mas não têm a unha fendida; imundos vos serão.
8 Ook het varken; want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het ulieden zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij niet aanroeren.
8 Nem o porco, porque tem unha fendida, mas não rumina; imundo vos será. Destes não comereis a carne e não tocareis no seu cadáver.
9 Dit zult gij eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult gij eten.
9 Isto comereis de tudo o que há nas águas: tudo o que tem barbatanas e escamas.
10 Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult gij niet eten; het zal ulieden onrein zijn.
10 Mas tudo o que não tiver barbatanas nem escamas não o comereis; imundo vos será.
11 Allen reinen vogel zult gij eten.
11 Toda ave limpa comereis.
12 Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;
12 Estas, porém, são as que não comereis: a águia, o quebrantosso, a águia marinha,
13 En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;
13 o açor, o falcão e o milhano, segundo a sua espécie;
14 En alle rave naar zijn aard;
14 e todo corvo, segundo a sua espécie;
15 En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
15 o avestruz, a coruja, a gaivota e o gavião, segundo a sua espécie;
16 En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,
16 o mocho, a íbis, a gralha,
17 En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;
17 o pelicano, o abutre, o corvo marinho,
18 En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;
18 a cegonha, e a garça, segundo a sua espécie, e a poupa, e o morcego.
19 Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.
19 Também todo inseto que voa vos será imundo; não se comerá.
20 Al het rein gevogelte zult gij eten.
20 Toda ave limpa comereis.
21 Gij zult geen dood aas eten; den vreemdeling, die in uw poorten is, zult gij het geven, dat hij het ete, of verkoopt het den vreemde; want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.
21 Não comereis nenhum animal que morreu por si. Podereis dá-lo ao estrangeiro que está dentro da tua cidade, para que o coma, ou vendê-lo ao estranho, porquanto sois povo santo ao Senhor , vosso Deus. Não cozerás o cabrito no leite da sua própria mãe.
22 Gij zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uws zaads, dat elk jaar van het veld voortkomt.
22 Certamente, darás os dízimos de todo o fruto das tuas sementes, que ano após ano se recolher do campo.
23 En voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zult gij eten de tienden van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen; opdat gij den HEERE, uw God, leert vrezen alle dagen.
23 E, perante o Senhor , teu Deus, no lugar que escolher para ali fazer habitar o seu nome, comerás os dízimos do teu cereal, do teu vinho, do teu azeite e os primogênitos das tuas vacas e das tuas ovelhas; para que aprendas a temer o Senhor , teu Deus, todos os dias.
24 Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen heendragen, omdat de plaats te verre van u zal zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te stellen; wanneer de HEERE, uw God, u zal gezegend hebben;
24 Quando o caminho te for comprido demais, que os não possas levar, por estar longe de ti o lugar que o Senhor , teu Deus, escolher para ali pôr o seu nome, quando o Senhor , teu Deus, te tiver abençoado,
25 Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;
25 então, vende-os, e leva o dinheiro na tua mão, e vai ao lugar que o Senhor , teu Deus, escolher.
26 En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en weest vrolijk, gij en uw huis.
26 Esse dinheiro, dá-lo-ás por tudo o que deseja a tua alma, por vacas, ou ovelhas, ou vinho, ou bebida forte, ou qualquer coisa que te pedir a tua alma; come-o ali perante o Senhor , teu Deus, e te alegrarás, tu e a tua casa;
27 Maar den Leviet, die in uw poorten is, zult gij niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erve met u.
27 porém não desampararás o levita que está dentro da tua cidade, pois não tem parte nem herança contigo.
28 Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelve jaar, en gij zult ze wegleggen in uw poorten;
28 Ao fim de cada três anos, tirarás todos os dízimos do fruto do terceiro ano e os recolherás na tua cidade.
29 Zo zal komen de Leviet, dewijl hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de HEERE, uw God, zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult.
29 Então, virão o levita (pois não tem parte nem herança contigo), o estrangeiro, o órfão e a viúva que estão dentro da tua cidade, e comerão, e se fartarão, para que o Senhor , teu Deus, te abençoe em todas as obras que as tuas mãos fizerem.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Deuteronômio 14, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.