1 Reis 16

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baesa, zeggende:
1 O Senhor Deus falou com o profeta Jeú, filho de Hanani, e lhe deu esta mensagem a respeito de Baasa:
2 Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israel gesteld heb, en gij gewandeld hebt in den weg van Jerobeam, en Mijn volk Israel hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;
2 “Você não era ninguém, mas eu fiz com que você se tornasse o chefe do meu povo de Israel. E agora você pecou como Jeroboão e fez o meu povo pecar. Os pecados deles me fizeram ficar irado ,
3 Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Baesa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat.
3 e por isso vou acabar com você e com a sua família, como fiz com Jeroboão.
4 Die van Baesa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten.
4 As pessoas da sua família que morrerem na cidade serão comidas pelos cachorros, e aquelas que morrerem nos campos serão comidas pelos urubus.”
5 Het overige nu der geschiedenissen van Baesa, en wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
5 Todas as outras coisas que Baasa fez e todos os seus atos de coragem estão escritos na História dos Reis de Israel .
6 En Baesa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats.
6 Baasa morreu e foi sepultado em Tirza, e o seu filho Elá ficou como rei no lugar dele.
7 Alzo geschiedde ook het woord des HEEREN, door den dienst van den profeet Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baesa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen des HEEREN, Hem tot toorn verwekkende door het werk zijner handen, omdat hij was gelijk het huis van Jerobeam, en omdat hij hetzelve verslagen had.
7 O profeta Jeú deu aquela mensagem do Senhor Deus a respeito de Baasa e da sua família por causa dos pecados que Baasa havia cometido contra o Senhor . Ele fez com que o Senhor ficasse irado não somente por causa do mal que praticou, como o rei Jeroboão havia feito antes dele, mas também porque ele matou toda a família de Jeroboão.
8 In het zes en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baesa, koning over Israel, te Thirza, en regeerde twee jaren.
8 No ano vinte e seis do reinado de Asa em Judá, Elá, filho de Baasa, se tornou rei de Israel e governou dois anos em Tirza.
9 En Zimri, zijn knecht, overste van de helft der wagenen, maakte een verbintenis tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, den hofmeester te Thirza;
9 Zinri, um dos seus oficiais, que comandava a metade dos seus carros de guerra, fez uma conspiração contra ele. Certo dia em Tirza, Elá estava se embebedando na casa de Arsa, que era o administrador do palácio.
10 Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats.
10 Zinri entrou na casa, matou Elá e ficou no lugar dele como rei. Isso aconteceu no ano vinte e sete do reinado de Asa em Judá.
11 En het geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het ganse huis van Baesa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden.
11 Assim que Zinri se tornou rei, matou todas as pessoas da família de Baasa. Todos os seus parentes do sexo masculino e todos os seus amigos foram mortos.
12 Alzo verdelgde Zimri het ganse huis van Baesa, naar het woord des HEEREN, dat Hij over Baesa gesproken had, door den dienst van den profeet Jehu;
12 E assim Zinri matou toda a família de Baasa, de acordo com aquilo que o Senhor , por meio do profeta Jeú, tinha dito a respeito de Baasa.
13 Om al de zonden van Baesa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmede zij gezondigd hadden, en waarmede zij Israel hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende den HEERE, den God Israels, door hun ijdelheden.
13 Por terem adorado ídolos e por terem feito com que o povo de Israel pecasse, Baasa e o seu filho Elá haviam feito o Senhor , o Deus de Israel, ficar irado .
14 Het overige nu der geschiedenissen van Ela, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
14 Todas as outras coisas que Elá fez estão escritas na História dos Reis de Israel .
15 In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat der Filistijnen is.
15 No ano vinte e sete do reinado de Asa em Judá, Zinri foi rei de todo o povo de Israel, em Tirza, durante sete dias. Os soldados israelitas estavam cercando a cidade de Gibetom, na terra dos filisteus.
16 Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een verbintenis gemaakt, ja, heeft ook den koning verslagen; daarom maakte het ganse Israel ten zelfden dage Omri, den krijgsoverste, koning over Israel, in het leger.
16 Eles souberam que Zinri havia feito uma conspiração contra o rei e que o havia assassinado. Por isso, naquele mesmo dia ali no acampamento, eles escolheram Onri, o comandante do exército, como rei de Israel.
17 En Omri toog op, en gans Israel met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza.
17 Onri e todos os seus soldados saíram de Gibetom e foram cercar a cidade de Tirza.
18 En het geschiedde, als Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis des konings, en verbrandde boven zich het huis des konings met vuur, en stierf;
18 Quando Zinri viu que a cidade havia sido conquistada, foi para a fortaleza interna do palácio, pôs fogo no palácio e morreu queimado.
19 Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelende in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israel zondigen.
19 Isso aconteceu por causa dos seus pecados contra Deus, o Senhor . Ele seguiu o exemplo de Jeroboão, que havia sido rei antes dele; Zinri desagradou ao Senhor por causa dos seus pecados e por ter feito o povo de Israel pecar.
20 Het overige nu der geschiedenissen van Zimri, en zijn verbintenis, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
20 Todas as outras coisas que Zinri fez e também a sua conspiração estão escritas na História dos Reis de Israel .
21 Toen werd het volk van Israel verdeeld in twee helften; de helft des volks volgde Tibni, den zoon van Ginath, om hem koning te maken; en de helft volgde Omri.
21 O povo de Israel estava dividido em dois partidos. A metade deles queria fazer de Tibni, filho de Ginate, o seu rei, e os outros estavam do lado de Onri.
22 Maar het volk, dat Omri volgde, was sterker dan het volk, dat Tibni, den zoon van Ginath, volgde; en Tibni stierf, en Omri regeerde.
22 Mas aqueles que estavam a favor de Onri ganharam; Tibni morreu, e Onri se tornou rei.
23 In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israel, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren.
23 No ano trinta e um do reinado de Asa em Judá, Onri se tornou rei de Israel e governou doze anos. Nos seis primeiros anos ele governou em Tirza.
24 En hij kocht den berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilvers, en bebouwde den berg; en noemde den naam der stad, die hij bouwde, naar den naam van Semer, den heer des bergs, Samaria.
24 Então comprou o monte de Samaria de um homem chamado Semer por mais ou menos setenta quilos de prata. Onri fez defesas militares no monte, construiu ali uma cidade e a chamou de Samaria, por causa do nome de Semer, que havia sido o primeiro dono do monte.
25 En Omri deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; ja, hij deed erger dan allen, die voor hem geweest waren.
25 Onri pecou contra o Senhor Deus mais do que todos aqueles que haviam sido reis antes dele.
26 En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, den zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmede hij Israel had doen zondigen, verwekkende den HEERE, den God Israels, tot toorn, door hun ijdelheden.
26 Como Jeroboão havia feito antes dele, Onri fez com que o Senhor , o Deus de Israel, ficasse irado por causa dos seus pecados e por fazer o povo de Israel adorar ídolos.
27 Het overige nu der geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijn macht die hij gepleegd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
27 Todas as outras coisas que Onri fez e todas as suas realizações estão escritas na História dos Reis de Israel .
28 En Omri ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Samaria; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats.
28 Onri morreu e foi sepultado em Samaria, e o seu filho Acabe ficou como rei no lugar dele.
29 En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israel, in het acht en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israel, te Samaria, twee en twintig jaren.
29 No ano trinta e oito do reinado de Asa em Judá, Acabe, filho de Onri, se tornou rei de Israel e governou vinte e dois anos em Samaria.
30 En Achab, den zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, meer dan allen, die voor hem geweest waren.
30 Ele pecou contra o Senhor Deus mais do que qualquer um dos que haviam sido reis antes dele.
31 En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-Baal, den koning der Sidoniers, en heenging, en diende Baal, en boog zich voor hem.
31 Não se contentando em pecar como o rei Jeroboão, Acabe fez pior e casou com Jezabel, filha de Etbaal, rei de Sidom, e adorou o deus Baal .
32 En hij richtte voor Baal een altaar op, in het huis van Baal, hetwelk hij te Samaria gebouwd had.
32 Acabe construiu um templo para Baal em Samaria, fez para ele um altar e o colocou no templo.
33 Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om den HEERE, den God Israels, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israel, die voor hem geweest waren.
33 Levantou também um poste da deusa Aserá e assim fez mais coisas para deixar o Senhor Deus irado do que todos os reis de Israel haviam feito antes dele.
34 In zijn dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord des HEEREN, dat Hij door den dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had.
34 Durante o reinado de Acabe, Hiel, que era de Betel, reconstruiu a cidade de Jericó. E, como o Senhor tinha dito por meio de Josué, filho de Num, Hiel perdeu Abirão, o seu filho mais velho, quando colocou os alicerces de Jericó, e perdeu Segube, o seu filho mais novo, quando colocou os portões.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Reis 16, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.