1 Reis 16

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baesa, zeggende:
1 Então a palavra do Senhor veio a Jeú, filho de Hanani, contra Baasa, dizendo:
2 Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israel gesteld heb, en gij gewandeld hebt in den weg van Jerobeam, en Mijn volk Israel hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;
2 — Eu o levantei do pó e fiz com que você se tornasse chefe sobre o meu povo de Israel, mas você tem andado no caminho de Jeroboão e tem feito o meu povo de Israel pecar, irritando-me com os seus pecados.
3 Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Baesa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat.
3 Por isso, Baasa, vou exterminar você e os seus descendentes e vou fazer com a sua casa o que fiz com a casa de Jeroboão, filho de Nebate.
4 Die van Baesa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten.
4 Se alguém da casa de Baasa morrer na cidade, os cães o comerão; e se alguém morrer no campo, as aves do céu o comerão.
5 Het overige nu der geschiedenissen van Baesa, en wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
5 Quanto aos demais atos de Baasa, ao que fez e ao seu poder, não está tudo escrito no Livro da História dos Reis de Israel?
6 En Baesa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats.
6 Baasa morreu e foi sepultado em Tirza. E Elá, seu filho, reinou em seu lugar.
7 Alzo geschiedde ook het woord des HEEREN, door den dienst van den profeet Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baesa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen des HEEREN, Hem tot toorn verwekkende door het werk zijner handen, omdat hij was gelijk het huis van Jerobeam, en omdat hij hetzelve verslagen had.
7 Assim, por meio do profeta Jeú, filho de Hanani, a palavra do Senhor veio contra Baasa e contra a sua descendência, por todo o mal que ele havia feito aos olhos do Senhor , irritando-o com as suas obras e fazendo-se igual à casa de Jeroboão, e também porque matou a casa de Jeroboão.
8 In het zes en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baesa, koning over Israel, te Thirza, en regeerde twee jaren.
8 No vigésimo sexto ano do reinado de Asa, rei de Judá, Elá, filho de Baasa, começou a reinar sobre Israel em Tirza; e reinou dois anos.
9 En Zimri, zijn knecht, overste van de helft der wagenen, maakte een verbintenis tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, den hofmeester te Thirza;
9 Zinri, seu servo, comandante da metade dos carros de guerra, conspirou contra ele. Elá estava em Tirza, bebendo e embriagando-se na casa de Arsa, seu encarregado em Tirza.
10 Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats.
10 Zinri entrou na casa, atacou Elá e o matou, no vigésimo sétimo ano do reinado de Asa, rei de Judá. E Zinri reinou em lugar de Elá.
11 En het geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het ganse huis van Baesa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden.
11 Logo que começou a reinar e se assentou no trono, Zinri matou todos os descendentes de Baasa; não lhe deixou nenhum do sexo masculino, nem dos parentes, nem dos seus amigos.
12 Alzo verdelgde Zimri het ganse huis van Baesa, naar het woord des HEEREN, dat Hij over Baesa gesproken had, door den dienst van den profeet Jehu;
12 Assim, Zinri exterminou todos os descendentes de Baasa, segundo a palavra do Senhor , anunciada por meio do profeta Jeú, contra Baasa,
13 Om al de zonden van Baesa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmede zij gezondigd hadden, en waarmede zij Israel hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende den HEERE, den God Israels, door hun ijdelheden.
13 por todos os pecados que Baasa e o seu filho Elá cometeram, e pelos pecados que fizeram Israel cometer, irritando o Senhor , Deus de Israel, com os seus ídolos.
14 Het overige nu der geschiedenissen van Ela, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
14 Quanto aos demais atos de Elá e a tudo o que ele fez, não está tudo escrito no Livro da História dos Reis de Israel?
15 In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat der Filistijnen is.
15 No vigésimo sétimo ano do reinado de Asa, rei de Judá, Zinri reinou sete dias em Tirza. O povo estava acampado contra Gibetom, cidade que pertencia aos filisteus.
16 Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een verbintenis gemaakt, ja, heeft ook den koning verslagen; daarom maakte het ganse Israel ten zelfden dage Omri, den krijgsoverste, koning over Israel, in het leger.
16 O povo que estava acampado ouviu dizer: “Zinri conspirou contra o rei e o matou.” Por isso, naquele mesmo dia, no arraial, todo o Israel constituiu rei sobre Israel a Onri, comandante do exército.
17 En Omri toog op, en gans Israel met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza.
17 Onri saiu de Gibetom, estando todo o Israel com ele, e sitiou Tirza.
18 En het geschiedde, als Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis des konings, en verbrandde boven zich het huis des konings met vuur, en stierf;
18 Quando Zinri viu que a cidade havia sido tomada, foi para a fortaleza do palácio real, pôs fogo no palácio real e morreu,
19 Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelende in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israel zondigen.
19 por causa dos pecados que havia cometido, fazendo o que era mau aos olhos do Senhor , andando no caminho de Jeroboão e no pecado que havia cometido, e fazendo Israel pecar.
20 Het overige nu der geschiedenissen van Zimri, en zijn verbintenis, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
20 Quanto aos demais atos de Zinri e à conspiração que fez, não está tudo escrito no Livro da História dos Reis de Israel?
21 Toen werd het volk van Israel verdeeld in twee helften; de helft des volks volgde Tibni, den zoon van Ginath, om hem koning te maken; en de helft volgde Omri.
21 Então o povo de Israel se dividiu em dois partidos: metade do povo seguia Tibni, filho de Ginate, para o fazer rei, e a outra metade seguia Onri.
22 Maar het volk, dat Omri volgde, was sterker dan het volk, dat Tibni, den zoon van Ginath, volgde; en Tibni stierf, en Omri regeerde.
22 Mas o povo que seguia Onri prevaleceu contra o que seguia Tibni, filho de Ginate. Tibni morreu, e Onri passou a reinar.
23 In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israel, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren.
23 No trigésimo primeiro ano do reinado de Asa, rei de Judá, Onri começou a reinar sobre Israel e reinou doze anos. Em Tirza, reinou seis anos.
24 En hij kocht den berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilvers, en bebouwde den berg; en noemde den naam der stad, die hij bouwde, naar den naam van Semer, den heer des bergs, Samaria.
24 De Semer ele comprou o monte de Samaria por sessenta e oito quilos de prata e o fortificou. E à cidade que edificou sobre o monte chamou de Samaria, nome oriundo de Semer, dono do monte.
25 En Omri deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; ja, hij deed erger dan allen, die voor hem geweest waren.
25 Onri fez o que era mau aos olhos do Senhor ; fez pior do que todos os reis que vieram antes dele.
26 En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, den zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmede hij Israel had doen zondigen, verwekkende den HEERE, den God Israels, tot toorn, door hun ijdelheden.
26 Andou em todos os caminhos de Jeroboão, filho de Nebate, bem como nos pecados que este levou Israel a cometer, irritando o Senhor , Deus de Israel, com os seus ídolos.
27 Het overige nu der geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijn macht die hij gepleegd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
27 Quanto aos demais atos de Onri, ao que fez e ao poder que manifestou, não está tudo escrito no Livro da História dos Reis de Israel?
28 En Omri ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Samaria; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats.
28 Onri morreu e foi sepultado em Samaria. E Acabe, seu filho, reinou em seu lugar.
29 En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israel, in het acht en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israel, te Samaria, twee en twintig jaren.
29 Acabe, filho de Onri, começou a reinar sobre Israel no trigésimo oitavo ano do reinado de Asa, rei de Judá. E Acabe, filho de Onri, reinou sobre Israel, em Samaria, vinte e dois anos.
30 En Achab, den zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, meer dan allen, die voor hem geweest waren.
30 Acabe, filho de Onri, fez o que era mau aos olhos do Senhor , mais do que todos os reis que vieram antes dele.
31 En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-Baal, den koning der Sidoniers, en heenging, en diende Baal, en boog zich voor hem.
31 Como se fosse pouca coisa andar nos pecados de Jeroboão, filho de Nebate, Acabe foi mais longe e tomou por mulher Jezabel, filha de Etbaal, rei dos sidônios; e foi, serviu Baal e o adorou.
32 En hij richtte voor Baal een altaar op, in het huis van Baal, hetwelk hij te Samaria gebouwd had.
32 Levantou um altar a Baal, no templo de Baal que tinha edificado em Samaria.
33 Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om den HEERE, den God Israels, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israel, die voor hem geweest waren.
33 Acabe fez também um poste da deusa Aserá, de maneira que cometeu mais abominações para irritar o Senhor , Deus de Israel, do que todos os reis de Israel que vieram antes dele.
34 In zijn dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord des HEEREN, dat Hij door den dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had.
34 Em seus dias, Hiel, o betelita, edificou Jericó. Quando ele lançou os alicerces da cidade, morreu Abirão, seu filho primogênito; e, quando colocou os portões, morreu Segube, seu filho mais novo, segundo a palavra do Senhor , anunciada por meio de Josué, filho de Num.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Reis 16, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.