Tiago 2
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NVT
NVT Nova Versão Transformadora
1 Mijn broeders, gij hebt toch het geloof van Jezus Christus, den Heere der glorie, niet met aanzien des persoons?
1 Meus irmãos, como podem afirmar que têm fé em nosso glorioso Senhor Jesus Cristo se mostram favorecimento a algumas pessoas?
2 Want als er in uw vergadering een man zou komen met een gouden ring aan, in een kostbaar kleed, en er zou een arme inkomen in een gering kleed,
2 Se, por exemplo, alguém chegar a uma de suas reuniões vestido com roupas elegantes e usando joias caras, e também entrar um pobre com roupas sujas,
3 en gij zoudt letten op dengene die het kostbaar kleed draagt en zeggen: zit gij hier op een goede plaats! en gij zoudt zeggen tot den arme: sta gij daar of zit onder aan mijn voetbank!
3 e vocês derem atenção ao que está bem vestido, dizendo-lhe: “Sente-se aqui neste lugar especial”, mas disserem ao pobre: “Fique em pé ali ou sente-se aqui no chão”,
4 zoudt gij dan in u zelven geen onderscheid maken en niet rechters geworden zijn van verkeerde gedachten?
4 essa discriminação não mostrará que agem como juízes guiados por motivos perversos?
5 Hoort, mijn beminde broeders! heeft God niet uitverkoren de armen naar de wereld tot rijken in het geloof en tot erfgenamen van het koninkrijk dat Hij beloofd heeft aan degenen die Hem beminnen?
5 Ouçam, meus amados irmãos: não foi Deus que escolheu os pobres deste mundo para serem ricos na fé? Não são eles os herdeiros do reino prometido àqueles que o amam?
6 Maar gij hebt den arme veracht. Zijn het niet de rijken die u overheerschen en zijn zij het niet die u trekken voor de rechtbanken?
6 Mas vocês desprezam os pobres! Não são os ricos que oprimem vocês e os arrastam aos tribunais?
7 Zijn zij het niet die den goeden Naam lasteren die over u is uitgeroepen?
7 Não são eles que difamam aquele cujo nome honroso vocês carregam?
8 Als gij echter de koninklijke wet volbrengt volgens de Schriftuur: Gij zult uw naaste beminnen als u zelven, dan doet gij wel.
8 Sem dúvida vocês fazem bem quando obedecem à lei do reino conforme dizem as Escrituras: “Ame seu próximo como a si mesmo”.
9 Maar als gij den persoon aanziet dan doet gij zonde, en gij wordt van de wet bestraft als overtreders.
9 Mas, se mostram favorecimento a algumas pessoas, cometem pecado e são culpados de transgredir a lei.
10 Want al wie de geheele wet zal houden, maar in één gebod zal overtreden, die is schuldig geworden aan al de geboden.
10 Pois quem obedece a todas as leis, exceto uma, torna-se culpado de desobedecer a todas as outras.
11 Want die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, die heeft ook gezegd: Gij zult niet doodslaan. Als gij nu geen overspel doet, maar wel doodslaat, dan zijt gij een overtreder der wet geworden.
11 Pois aquele que disse: “Não cometa adultério”, também disse: “Não mate”. Logo, mesmo que não cometam adultério, se matarem alguém, transgredirão a lei.
12 Spreekt alzoo en doet alzoo als die geoordeeld zult worden door de wet der vrijheid.
12 Portanto, em tudo que disserem e fizerem, lembrem-se de que serão julgados pela lei que os liberta.
13 Want een onbarmhartig oordeel zal komen over den– gene die geen barmhartigheid gedaan heeft. Barmhartigheid roemt tegen oordeel.
13 Não haverá misericórdia para quem não tiver demonstrado misericórdia. Mas, se forem misericordiosos, haverá misericórdia quando forem julgados.
14 Wat baat het, mijn broeders! als iemand zegt geloof te hebben, maar de werken heeft hij niet? Het geloof kan hem toch niet behouden?
14 De que adianta, meus irmãos, dizerem que têm fé se não a demonstram por meio de suas ações? Acaso esse tipo de fé pode salvar alguém?
15 Als een broeder of zuster naakt zou zijn en in gebrek aan dagelijksch voedsel,
15 Se um irmão ou uma irmã necessitar de alimento ou de roupa,
16 en iemand uit u zon tot hen zeggen: gaat heen in vrede; verwarmt en verzadigt u! doch gij zoudt hun niet geven de benoodigdheden des lichaams— wat zou dat baten?
16 e vocês disserem: “Até logo e tenha um bom dia; aqueça-se e coma bem”, mas não lhe derem alimento nem roupa, em que isso ajuda?
17 Alzoo ook het geloof, als het geen werken heeft dan is het in zich zelven dood.
17 Como veem, a fé por si mesma, a menos que produza boas obras, está morta.
18 Maar, zal iemand zeggen: gij hebt geloof en ik heb werken! — Toon mij uw geloof zonder de werken, en dan zal ik u uit mijn werken het geloof toonen.
18 Mas alguém pode argumentar: “Uns têm fé; outros têm obras”. Mostre-me sua fé sem obras e eu, pelas minhas obras, lhe mostrarei minha fé!
19 Gij gelooft dat God de Eenige is? Gij doet wel. Ook de booze geesten gelooven en sidderen.
19 Você diz crer que há um único Deus. Muito bem! Até os demônios creem nisso e tremem de medo.
20 Doch wilt gij weten, o nietig mensch, dat het geloof zonder de werken onvruchtbaar is?
20 Quanta insensatez! Vocês não entendem que a fé sem as obras é inútil?
21 Is Abraham onze vader niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij Isaak zijn zoon op den altaar offerde?
21 Não lembram que nosso antepassado Abraão foi declarado justo por suas ações quando ofereceu seu filho Isaque sobre o altar?
22 Gij ziet dus dat het geloof medewerkte met zijn werken en dat het geloof volkomen is geworden uit de werken,
22 Como veem, sua fé e suas ações atuaram juntas e, assim, as ações tornaram a fé completa.
23 en dat de Schriftuur is vervuld die zegt: Abraham heeft op God vertrouwd en dat is hem toegerekend tot rechtvaardigheid, en hij is een vriend van God genoemd.
23 E aconteceu exatamente como as Escrituras dizem: “Abraão creu em Deus, e assim foi considerado justo”. Ele até foi chamado amigo de Deus!
24 Gij ziet dus dat een mensch uit werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit geloof.
24 Vejam que somos declarados justos pelo que fazemos, e não apenas pela fé.
25 Evenzeer ook Rahab de hoere, is zij niet uit werken gerechtvaardigd, als zij de zendboden heeft ontvangen en langs een anderen weg heeft weggelaten?
25 Raabe, a prostituta, é outro exemplo. Ela foi declarada justa por causa de suas ações quando escondeu os mensageiros e os fez sair em segurança por um caminho diferente.
26 Want evenals het lichaam zonder geest dood is, zoo ook is het geloof zonder werken dood.
26 Assim como o corpo sem fôlego está morto, também a fé sem obras está morta.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Tiago 2, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.