Romanos 3

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 Wat is dan het voorrecht van den Jood, of wat is het profijt der besnijdenis?
1 Que vantagem então tem o judeu? Ou que proveito há na circuncisão?
2 Veel, in alle manieren. Want in de eerste plaats zijn de uitspraken Gods hun toevertrouwd.
2 Muita, sob todos os aspectos: Principalmente, porque, foram-lhes confiados os oráculos de Deus.
3 Hoe toch? — Al zijn sommigen ontrouw geweest? Hun ontrouw zal toch Gods getrouwheid niet vernietigen?
3 E se alguns deles não creram? A sua incredulidade anulará a fidelidade de Deus?
4 In het geheel niet! — Doch God zij waarachtig en elk mensch leugenachtig, zooals er geschreven is: opdat Gij wordt rechtvaardig bevonden in uw woorden, en overwint als Gij geoordeeld wordt.
4 De forma alguma! Sim, que Deus seja verdadeiro, e todo o homem mentiroso; como está escrito: Para que sejas justificado em tuas palavras, e venças quando fores julgado.
5 Maar als nu onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid bewijst, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig als Hij zijn gramschap laat gelden? — naar den mensch spreek ik.
5 Mas se a nossa injustiça ressalta a justiça de Deus, o que nós diremos? Seria Deus injusto por tomar a vingança? (eu falo como homem).
6 In het geheel niet! Hoe zou God anders de wereld oordeelen?
6 De forma alguma! Pois então como Deus julgará o mundo?
7 Maar als de waarheid Gods door mijn leugen overvloedig is geworden tot zijn glorie, wat word ik dan nog als zondaar geoordeeld?
7 Pois, se a minha mentira fez abundar a verdade de Deus para sua glória, por que sou eu ainda julgado também como um pecador?
8 En waarom zullen wij niet het kwade doen opdat daaruit het goede zou voortkomen? — zooals sommigen lasteren en zeggen dat wij leeren— wier veroordeeling rechtvaardig is.
8 E por que não dizemos (como somos caluniosamente reportados, e como alguns afirmam que dizemos): Façamos o mal, para que venha o bem? A condenação dos tais é justa.
9 Wat dan? Hebben wij iets vooruit bij de andere volken? — In het geheel niet! want wij hebben vooraf Joden en Grieken beschuldigd dat zij allen onder de zonde zijn,
9 Então o quê? Somos melhores do que eles? Não, de maneira nenhuma, pois nós já provamos antes que, tanto judeus como gentios, todos eles estão debaixo do pecado,
10 zooals er geschreven is: er is geen rechtvaardige, niet één;
10 como está escrito: Não há nenhum justo, não, nem um.
11 er is geen verstandige; er is geen die God zoekt;
11 Não há ninguém que entenda; não há ninguém que busque a Deus.
12 allen zijn afgeweken; samen zijn zij onnuttig geworden; er is geen die goed doet; zelfs niet één;
12 Todos se desviaram do caminho, e juntamente se tornaram inúteis. Não há quem faça o bem, não há nem um.
13 hun keel is een open graf: met hun tongen handelen zij bedriegelijk; slangenvergif is onder hun lippen;
13 A sua garganta é um sepulcro aberto; com as suas línguas enganam; veneno de áspides está debaixo de seus lábios,
14 hun mond is vol van vloek en bitterheid;
14 cuja boca está cheia de maldição e amargura;
15 snel zijn hun voeten om bloed te vergieten;
15 os seus pés são velozes para derramar sangue;
16 verwoesting en ellende is in hun wegen,
16 em seus caminhos há destruição e miséria;
17 en den weg des vredes kennen zij niet;
17 e eles não conhecem o caminho da paz;
18 er is geen vreeze Gods voor hun oogen.
18 não há temor de Deus diante de seus olhos.
19 Wij weten nu dat de wet alles wat zij zegt, tot degenen spreekt die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gansche wereld voor God strafschuldig zij.
19 Ora, nós sabemos que todas as coisas que diz a lei, ela o diz aos que estão debaixo da lei, para que toda a boca se cale, e todo o mundo se torne culpado diante de Deus.
20 Daarom zal uit werken der wet geen mensch voor Hem worden gerechtvaardigd, want door de wet is er kennis van zonde.
20 Por isso, pelas obras da lei, nenhuma carne será justificada à sua vista, porque por meio da lei vem o conhecimento do pecado.
21 Maar nu is Gods rechtvaardigheid zonder wet geopenbaard, die getuigenis heeft van de wet en de profeten,
21 Mas agora a justiça de Deus se manifestou sem a lei, tendo o testemunho da lei e dos profetas;
22 en dat wel een rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen die gelooven; want er is geen onderscheid.
22 a justiça de Deus, que é pela fé de Jesus Cristo para todos, e sobre todos os que creem; porque não há diferença;
23 Want allen hebben gezondigd en missen Gods glorie,
23 porque todos pecaram e estão privados da glória de Deus.
24 terwijl zij worden gerechtvaardigd om niet, uit zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is,
24 Sendo justificados livremente pela sua graça através da redenção que há em Cristo Jesus;
25 dien God heeft voorbestemd tot een verzoening in zijn bloed, door het geloof, tot betooning van zijn rechtvaardigheid, door het voorbijzien der zonden die onder de verdraagzaamheid Gods vroeger geschied zijn;
25 a quem Deus estabeleceu para ser uma propiciação através da fé no seu sangue, para declarar a sua justiça pela remissão dos pecados que são passados, na paciência de Deus;
26 tot betooning zijner rechtvaardigheid in dezen tegenwoordigen tijd, opdat Hij rechtvaardig zij en de rechtvaardigmaker van hem die uit het geloof van Jezus is.
26 para declarar, eu digo, a sua justiça neste tempo, para que ele seja justo e justificador daquele que crê em Jesus.
27 Waar is dan de roem? — Die is uitgesloten. — Door welke wet? — Van de werken? — Neen, maar door een wet des geloofs.
27 Onde está então a vanglória? É excluída. Por qual lei? Das obras? Não; mas pela lei da fé.
28 Want wij besluiten dat een mensch door het geloof wordt gerechtvaardigd, zonder werken der wet.
28 Portanto, concluímos que o homem é justificado pela fé sem as obras da lei.
29 Of is God alleen de God van de Joden, en ook niet van de volken? — Ja, ook van de volken;
29 É ele Deus somente dos judeus? Não é ele também dos gentios? Sim, também dos gentios;
30 indien er althans maar één God is, die de besnijdenis zal rechtvaardigen uit het geloof en de onbesnedenheid door het geloof.
30 visto que há um só Deus, que justifica a circuncisão pela fé, e a incircuncisão por meio da fé.
31 Vernietigen wij dan de wet door het geloof? — In het geheel niet, maar wij bevestigen de wet.
31 Anulamos, então, a lei pela fé? De forma alguma! Antes estabelecemos a lei.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Romanos 3, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.