Romanos 11
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ
BKJ BKJ
1 Ik zeg dan: God heeft toch zijn volk niet verstooten? In het geheel niet! want ik ben zelf een Israeliet, uit de nakomelingschap van Abraham, van den stam Benjamin.
1 Então, eu digo: Rejeitou Deus o seu povo? De forma alguma! Porque eu também sou israelita, da semente de Abraão, da tribo de Benjamim.
2 God heeft zijn volk niet verstooten dat Hij te voren gekend heeft! Of weet gij niet wat de Schrifture zegt, bij Elias, hoe hij bij God tegen Israël optreedt:
2 Deus não rejeitou o seu povo, que antes conheceu. Ou não sabeis o que a escritura diz de Elias, como ele intercede a Deus contra Israel, dizendo:
3 Heere! uw profeten hebben zij gedood, uw altaren hebben zij omvergeworpen en ik ben alleen overgebleven, en zij zoeken mijn leven.
3 Senhor, eles mataram os teus profetas e derrubaram os teus altares; e eu fiquei sozinho, e eles buscam a minha vida.
4 Maar wat zegt Gods antwoord tot hem: Ik heb voor Mij zelven zeven duizend mannen overgehouden, die de knie niet gebogen hebben voor den Baäl.
4 Mas o que lhe diz a resposta de Deus? Eu reservei para mim sete mil homens, que não dobraram os joelhos diante da imagem de Baal.
5 Evenzoo is er dan ook in den tegenwoordigen tijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade.
5 Assim, então, também no tempo presente há um remanescente, de acordo com a eleição da graça.
6 En is het door genade, dan is het niet meer uit werken, anders is de genade geen genade meer.
6 E se é por graça, então não é mais por obras; caso contrário, a graça não é mais graça. Mas se for por obras, então não é mais por graça, do contrário a obra não é mais obra.
7 Wat dan? Hetgeen Israël zoekt dat heeft het niet bekomen, maar de uitverkorenen hebben het bekomen, doch de overigen zijn verhard,
7 O que então? Israel não conseguiu o que buscava; mas os eleitos conseguiram, e os demais ficaram cegos.
8 zooals er geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van bedwelming; oogen om niet te zien en ooren om niet te hooren, tot, op den dag van heden.
8 (De acordo como está escrito: Deus lhes deu um espírito de sonolência, olhos para não verem e ouvidos para não ouvirem), até este dia.
9 En David zegt: Hun tafel worde hun tot een strik en tot een val, en tot een ergernis, en tot een vergelding;
9 E Davi diz: Que a sua mesa se torne em laço, e em armadilha, e em pedra de tropeço, e em recompensa para eles;
10 laat hun oogen verduisterd worden om niet te zien en verkrom hun rug ten allen tijd.
10 sejam escurecidos os seus olhos, para que eles não vejam, e para que encurvem continuamente as costas.
11 Ik zeg dan: Zij hebben toch niet gestruikeld opdat zij vallen zouden? In het geheel niet. Maar door hun overtreding is de behoudenis den volken overkomen, om hen tot jaloezie op te wekken.
11 Então, eu digo: Eles tropeçaram para que caíssem? De forma alguma! Mas, antes, pela sua queda, a salvação veio aos gentios, para provocar-lhes ciúme.
12 Indien nu hun overtreding de rijkdom der wereld is, en hun verlies de rijkdom der volken, hoeveel te meer zal het dan hun volheid zijn!
12 Ora, se a sua queda é a riqueza do mundo, e a sua diminuição a riqueza dos gentios, quanto mais a sua plenitude?
13 Want tot ulieden, o volken! spreek ik. Voor zooveel ik dan de apostel der volken ben maak ik mijn bediening heerlijk;
13 Porque eu falo a vós, gentios; na medida em que eu sou apóstolo dos gentios, eu magnifico o meu ofício;
14 of ik ook mijn volk tot jaloezie mocht bewegen en eenigen uit hen behouden.
14 para ver se de alguma maneira eu posso provocar ciúmes aos que são da minha carne e salvar alguns deles.
15 Want als hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal dan hun aanneming anders zijn dan leven uit de dooden?
15 Porque se a sua rejeição é a reconciliação do mundo, qual será a sua aceitação, senão a vida dentre os mortos?
16 En als de eerstelingen heilig zijn, dan ook de deesem, en als de wortel heilig is, dan ook de takken.
16 E, se os primeiros frutos são santos, a massa também é santa; e se a raiz for santa, assim serão os ramos.
17 Maar als sommigen van de takken zijn afgebroken, en gij, die een wilde olijfboom zijt, ingeënt zijt in hen, en mede deel gekregen hebt aan den wortel en de vettigheid van den olijfboom,
17 E se alguns dos ramos foram quebrados, e tu, sendo uma oliveira silvestre, foste enxertado entre eles, e feito participante da raiz e da seiva da oliveira,
18 zoo beroemt u dan niet tegen de takken. Maar als gij u zoudt beroemen, gij zijt het niet die den wortel draagt maar de wortel draagt u!
18 não te glories contra os ramos; mas se te gloriares, não és tu que sustentas a raiz, mas a raiz a ti.
19 Gij zult wellicht zeggen: De takken zijn afgehouwen opdat ik zou worden ingeënt,
19 Tu então dirias: Os ramos foram quebrados para que eu pudesse ser enxertado.
20 Het is waar; door ongeloof zijn zij afgehouwen, maar gij staat door het geloof. Zijt niet hoogmoedig, maar vreest.
20 Bem, por sua incredulidade eles foram quebrados, e tu estás em pé pela fé. Não sejas arrogante, mas teme.
21 Want als God de natuurlijke takken niet heeft gespaard, dan zal hij ook u niet sparen.
21 Porque, se Deus não poupou os ramos naturais, cuida para que ele não poupe a ti também.
22 Zie dan Gods goedertierenheid en gestrengheid. Over hen die gevallen zijn, gestrengheid; maar over u Gods goedertierenheid, als gij zult blijven in de goedertierenheid; anders zult gij ook worden afgehouwen.
22 Vê, pois, a bondade e a severidade de Deus; para com os que caíram, severidade, mas para contigo, a bondade, se permaneceres na sua bondade, do contrário, tu também serás cortado.
23 Maar ook zij, als zij niet blijven bij het ongeloof, zullen ingeënt worden, want God is machtig om hen weder in te enten.
23 E eles também, se não permanecerem na incredulidade, serão enxertados; pois Deus é capaz de enxertá-los novamente.
24 Want als gij zijt afgehouwen van den olijfboom die van nature wild was, en ingeënt tegen nature op den tammen olijfboom, hoeveel te meer zullen zij, die natuurlijke takken zijn, worden ingeënt op hun eigen olijfboom?
24 Porque, se tu foste cortado da oliveira, que é silvestre por natureza, e contra a natureza foste enxertado na oliveira boa, quanto mais esses, que são ramos naturais, serão enxertados na sua própria oliveira?
25 Want ik wil niet, broeders, dat deze verborgenheid u onbekend zij, opdat gij niet wijs zijt bij u zelven: dat er een verharding is over een gedeelte van Israël, totdat de volheid der volken zal zijn ingegaan,
25 Porque eu não quero irmãos, que ignoreis este mistério, para que não sejais sábios em seus próprios conceitos, que a cegueira aconteceu em parte a Israel, até que tenha entrado a plenitude dos gentios.
26 en alzoo zal geheel Israël behouden worden, zooals er geschreven is: Uit Sion zal de Verlosser komen; Hij zal de goddeloosheden van Jakob wegdoen,
26 E assim todo o Israel será salvo, como está escrito: Virá de Sião o Libertador, e desviará de Jacó as impiedades.
27 en dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.
27 E este será o meu pacto com eles, quando eu tirar os seus pecados.
28 Wat het Evangelie aangaat zijn zij dus wel vijanden om uwentwil, maar wat de uit verkiezing aangaat zijn ze beminden om der vaderen wil;
28 Quanto ao evangelho, eles são inimigos por causa de vós; mas quanto à eleição, eles são amados por causa dos pais.
29 want onberouwelijk zijn Gods giften der genade en roeping.
29 Porque os dons e o chamado de Deus são sem arrependimento.
30 Want gelijk ook gijlieden vroeger ongehoorzaam aan God zijt geweest, doch nu barmhartigheid hebt ontvangen door hun ongehoorzaamheid,
30 Porque assim como vós também em tempos passados não críeis em Deus, mas agora alcançastes misericórdia pela desobediência deles,
31 alzoo ook zijn dezen nu ongehoorzaam geworden door de barmhartigheid aan u, opdat ook zij nu barmhartigheid zouden ontvangen.
31 assim também estes agora não creram, para que através da sua misericórdia eles também pudessem alcançar misericórdia.
32 Want God heeft allen besloten tot ongehoorzaamheid opdat Hij allen zou barmhartig zijn.
32 Porque Deus encerrou a todos na incredulidade, para que ele pudesse ter misericórdia sobre todos.
33 O diepte van rijkdom en wijsheid en kennisse Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn toch zijn oordeelen, en ondoorgrondelijk zijn wegen!
33 Ó profundidade das riquezas, da sabedoria e do conhecimento de Deus! Quão insondáveis são os seus juízos, e quão inescrutáveis, os seus caminhos!
34 Wie toch heeft Gods verstand gekend? Of wie is zijn raadgever geweest?
34 Pois, quem conheceu a mente do Senhor? Ou quem foi seu conselheiro?
35 Of wie heeft Hem eerst gegeven, zoodat het Hem zal wedergegeven worden?
35 Ou quem lhe deu primeiro, para que lhe seja recompensado?
36 Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen! Hem de glorie tot in eeuwigheid! Amen.
36 Porque dele, e por ele, e para ele, são todas as coisas; a ele seja a glória para sempre! Amém.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Romanos 11, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.