Mateus 9
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NTLH
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En in het schip gegaan zijnde, voer Jezus over en kwam in zijn eigen stad.
1 Jesus entrou num barco, voltou para o lado oeste do lago e chegou à sua cidade .
2 En ziet, zij brachten tot Hem een lamme, die op een bed lag. En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den lamme: Zoon, heb goeden moed, uw zonden zijn vergeven.
2 Então algumas pessoas trouxeram um paralítico deitado numa cama. Jesus viu que eles tinham fé e disse ao paralítico:
3 En ziet, sommigen der schriftgeleerden zeiden bij zich zelven: Deze lastert!
3 Aí alguns mestres da Lei começaram a pensar: — Este homem está
4 En Jezus hun gedachten ziende, zeide: Waarom denkt gij kwaad in uw harten?
4 Porém Jesus sabia o que eles estavam pensando e disse:
5 Want wat is gemakkelijker? te zeggen: Uw zonden zijn vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?
5 O que é mais fácil dizer ao paralítico: “Os seus pecados estão perdoados” ou “Levante-se e ande”?
6 Maar opdat gij weten moogt dat de Zoon des menschen macht heeft, op de aarde zonden te vergeven, — toen zeide Hij tot den lamme: Sta op, neem uw bed op en ga heen naar uw huis.
6 Pois vou mostrar a vocês que eu, o Então disse ao paralítico:
7 En opstaande, ging hij heen naar zijn huis.
7 O homem se levantou e foi para casa.
8 Doch de scharen, dit ziende, werden bevreesd, en zij gaven God de glorie, die zulk een macht aan de menschen had gegeven.
8 Quando o povo viu isso, ficou com medo e louvou a Deus por dar esse poder a seres humanos.
9 En Jezus, vandaar heengaande, zag een mensch zitten bij het tolhuis, Mattheüs genaamd, en Hij zeide tot hem: Volg Mij na! En hij stond op en volgde Hem.
9 Jesus saiu dali e, no caminho, viu um cobrador de impostos, chamado Mateus, sentado no lugar onde os impostos eram pagos. Jesus lhe disse: Mateus se levantou e foi com ele.
10 En het geschiedde toen Hij in het huis aanlag, dat vele tollenaren en zondaren kwamen en mede aanlagen met Jezus en zijn discipelen.
10 Mais tarde, enquanto Jesus estava jantando na casa de Mateus, muitos cobradores de impostos e outras pessoas de má fama chegaram e sentaram-se à mesa com Jesus e os seus discípulos.
11 En de fariseërs, dit ziende, zeiden tot zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en zondaren?
11 Alguns fariseus viram isso e perguntaram aos discípulos: — Por que é que o mestre de vocês come com os cobradores de impostos e com outras pessoas de má fama?
12 Maar Jezus hoorde dit en zeide: Niet de gezonden hebben een geneesmeester noodig, maar de zieken.
12 Jesus ouviu a pergunta e respondeu:
13 Maar gaat heen en leert wat het is: Barmhartigheid wil Ik en niet een offerande. Want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen maar zondaars.
13 Vão e procurem entender o que quer dizer este trecho das
14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de fariseërs veel, doch uw discipelen vasten niet?
14 Então os discípulos de João Batista chegaram perto de Jesus e perguntaram: — Por que é que nós e os
15 En Jezus zeide tot hen: Kunnen de bruiloftsgasten wel treuren, zoolang de bruidegom bij hen is? Maar er zullen dagen komen, als de bruidegom van hen is weggerukt, en dan zullen zij vasten.
15 Jesus respondeu:
16 Niemand zet toch een stuk ongekrompen laken op een oud kleed; want dan zou dit nieuwe stuk van het kleed afscheuren en de scheur zou nog erger worden.
16 — Ninguém usa um retalho de pano novo para remendar uma roupa velha; pois o remendo novo encolhe e rasga a roupa velha, aumentando o buraco.
17 Ook giet men geen jongen wijn in oude zakken; want dan zouden de zakken barsten, en de wijn zou wegvloeien, en de zakken zouden verloren zijn. Maar jongen wijn giet men in nieuwe zakken, en dan blijven beide bewaard.
17 Ninguém põe vinho novo em
18 En terwijl Hij dit tot hen sprak, ziet, een overste kwam tot Hem, die Hem aanbad en zeide: Mijn dochter is zoo even gestorven, maar kom Gij, leg uw hand op haar, en zij zal leven.
18 Enquanto Jesus estava falando ao povo, um chefe religioso chegou perto dele, ajoelhou-se e disse: — A minha filha morreu agora mesmo! Venha e ponha as mãos sobre ela para que viva de novo.
19 En opstaande, volgde Jezus hem met zijn discipelen.
19 Então Jesus foi com ele, e os seus discípulos também foram.
20 En ziet, een vrouw die twaalf jaar lang het bloedvloeien gehad had, kwam van achteren tot Hem en raakte den boord van zijn kleed aan;
20 Certa mulher, que fazia doze anos que estava com uma hemorragia, veio por trás de Jesus e tocou na barra da capa dele.
21 want zij zeide bij zich zelve: Als ik zijn kleed maar aanraak, zal ik genezen zijn.
21 Pois ela pensava assim: “Se eu apenas tocar na capa dele, ficarei curada.”
22 En Jezus zich omkeerende, en haar ziende, zeide: Dochter, heb goeden moed! uw geloof heeft u behouden! En de vrouw was gezond van die zelfde ure.
22 Jesus virou, viu a mulher e disse: E naquele momento a mulher ficou curada.
23 En toen Jezus in het huis van den overste kwam, en de fluitspelers en het woelende volk zag,
23 Depois Jesus foi para a casa do chefe religioso. Quando viu os que tocavam música fúnebre e viu a multidão numa confusão geral,
24 zeide Hij: Gaat weg, want het meisje is niet gestorven, maar het slaapt! En zij lachten Hem uit.
24 disse: Então começaram a caçoar dele.
25 Maar toen het volk was weggejaagd, ging Hij binnen, en Hij greep haar hand. En het meisje stond op.
25 Logo que a multidão saiu, Jesus entrou no quarto em que a menina estava, pegou-a pela mão, e ela se levantou.
26 En het gerucht hiervan liep door die geheele landstreek.
26 E a notícia a respeito disso se espalhou por toda aquela região.
27 En toen Jezus vandaar wegging, volgden Hem twee blinden, roepende en zeggende: Ontferm U over ons, o Zoon van David!
27 Jesus saiu daquele lugar, e no caminho dois cegos começaram a segui-lo, gritando: —
28 En als Hij in huis was gekomen, kwamen de blinden tot Hem, en Jezus zeide tot hen: Gelooft gij dat Ik dat kan doen? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!
28 Assim que Jesus entrou em casa, os cegos chegaram perto dele. Então ele perguntou: — Sim, senhor! Nós cremos! — responderam eles.
29 Toen opende Hij hun oogen, zeggende: Naar uw geloof geschiede u!
29 Jesus tocou nos olhos deles e disse:
30 En hun oogen werden geopend. En Jezus verbood hun streng, zeggende: Ziet toe, dat het niemand wete.
30 E os olhos deles ficaram curados. Aí Jesus ordenou com severidade:
31 Maar zij uitgaande, maakten Hem ruchtbaar in die gansche landstreek.
31 Porém eles foram embora e espalharam as notícias a respeito de Jesus por toda aquela região.
32 Terwijl dezen nu uitgingen, bracht men tot Hem een stommen mensch, die door een boozen geest bezeten was.
32 Quando eles foram embora, algumas pessoas levaram a Jesus um homem que não podia falar porque estava dominado por um demônio.
33 En toen de booze geest was uitgedreven, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Nooit is zoo iets in Israël gezien!
33 Logo que o demônio foi expulso, o homem começou a falar. Todos ficaram admirados e afirmavam: — Nunca vimos em Israel uma coisa assim!
34 Maar de fariseërs zeiden: Door den overste der booze geesten werpt Hij de booze geesten uit.
34 Mas os fariseus diziam: — O chefe dos demônios é quem dá a esse homem poder para expulsar demônios.
35 En Jezus trok door al de steden en vlekken, leerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des koninkrijks en genezende alle ziekten en kwalen onder het volk.
35 Jesus andava visitando todas as cidades e povoados. Ele ensinava nas sinagogas , anunciava a boa notícia sobre o Reino e curava todo tipo de enfermidades e doenças graves das pessoas.
36 En de scharen ziende, werd Hij over hen bewogen, omdat zij geplunderd en uitgeput waren, als schapen die geen herder hebben.
36 Quando Jesus viu a multidão, ficou com muita pena daquela gente porque eles estavam aflitos e abandonados, como ovelhas sem pastor.
37 Toen zeide Hij tot zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders.
37 Então disse aos discípulos:
38 Bidt dan den Heere van den oogst dat Hij arbeiders in zijn oogst uitzende.
38 Peçam ao dono da plantação que mande mais trabalhadores para fazerem a colheita.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 9, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.