Mateus 27
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs AAI
AAI TUR GEWASIN O BAIBASIT BOUBUN
1 En toen het dag geworden was, beraadslaagden al de overpriesters en de oudsten des volks tegen Jezus, om Hem te dooden.
1 Maraumanika Firis ukwarih etei naatu regaregah ai’in bairi Jesu morob isan hio hiyabunai sawar.
2 En zij bonden Hem en voerden Hem weg en leverden Hem over aan den stadhouder Pontius Pilatus.
2 Basit uman hifatum hibai hitit Roman hai gawan Pilate umanamaim hiyai.
3 Toen nu Judas, de verrader, zag dat Jezus veroordeeld was, kreeg hij berouw en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en de oudsten terug en zeide:
3 Judas, yanuwayan Jesu kakafinamaim hiya’iyai i’itin ana veya dogoron rusib, kabay 30 bai matabir na Firis ukwarih naatu regaregah ai’in nahimaim tit, eo
4 Ik heb gezondigd door onschuldig bloed te verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? dat is uw zaak!
4 “Ayu asinaf kakaf orot gewasin baban ao emomorob.” Hiya’afut hio, “Nati o a yababan, o akisimo ina’itin inayabunai.”
5 En de zilverlingen in den tempel neergeworpen hebbende, ging hij heen en verworgde zich.
5 Judas kabay nati Tafaror Bar kabay teya’aya’amaim itaiy re naatu ihamiyih tit in sikan warasa yai morob. Judas kabay bai na rouw ere’er|alt="Judas throwing money down" src="cn01832b.tif" size="col" loc="Mat 27.5" copy="©1978 David C. Cook Publishing Co." ref="27.5"
6 Maar de overpriesters namen de zilverlingen en zeiden: Dit geld mag niet in de offerkist worden geworpen, daar het een bloedprijs is!
6 Firis ukwarih kabay hibai hio, “Iti i rara ana kabay, ata ofafar men ebibasit boro Tafaror Bar ana kabay ya’aya’amaim tanayai na’in.”
7 En toen zij beraadslaagd hadden, kochten zij daarvoor den akker van den pottebakker, tot een begraafplaats voor de vreemdelingen.
7 Etei’imak hio hibibasit ufunamaim, kabay hibai noukwat bu’urayan ana kamar hitubun, saise nah touman sabuw hai rah ana efan namatar.
8 Daarom is die akker tot op den huidigen dag Bloedakker genoemd.
8 Ana’an nati isan kamar wabin “Rara ana Kamar” hibiwab in na iti boun ana veya tit.
9 Toen is vervuld wat gesproken is door den profeet Jeremia, als hij zegt: En zij hebben de dertig zilverlingen genomen, den prijs des gewaardeerden, dien zij gewaardeerd hebben, van de kinderen Israëls,
9 Naatu abistan dinab orot Jeremiah eo ina iturobe.
10 en zij hebben dien gegeven voor den akker des pottebakkers, gelijk mij de Heere bevolen heeft.
10 Noukwat bu’urayan ana kamar hitubun Regah ayu iu’uwu na’atube.”
11 En Jezus stond voor den stadhouder. En de stadhouder vroeg Hem, zeggende: Zijt Gij de koning der Joden? En Jezus zeide: Gij zegt het.
11 Jesu Roman gawan nanamaim bat, naatu gawan Jesu ibatiy, “O Jews sabuw hai aiwob?” Jesu iya’afut eo. “Nati kuo, ayu boro abi tur anao.”
12 En terwijl Hij door de overpriesters en oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
12 Firis ukwarih naatu regaregah ai’in Jesu ubar hitin tur kakafin isan hio men kafa’imo iyafutimih.
13 Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet hoeveel dezen tegen U getuigen?
13 Basit Pilate Jesu iu, “Sabuw kakafih isan ubar hit teo’orereb kunonowar?”
14 Maar Hij antwoordde hem geen enkel woord, zoodat de stadhouder zich zeer verwonderde.
14 Baise Jesu men kafa’imo awanamaim tur ta tit, naatu Gawan orot ana kasiy ra’at ifofofor men kafaita.
15 Tegen het feest nu was de stadhouder gewoon het volk een gevangene los te laten, wien zij wilden.
15 Tar Nowaten hiyuw ana veya, gawan hai binanakwar eo na’atube, mar etei dibur barane sabuw hai kok orot menatan tirurubin i ebobotait.
16 En zij hadden toen een beruchten gevangene, Barabbas genaamd.
16 Nati ana veya orot wabin gagamin Jesu Barabas dibur ma’am.
17 En toen zij samengekomen waren, zeide Pilatus tot hen: Wien wilt gij dat ik u zal loslaten? Barabbas, of Jezus, die Christus genoemd wordt?
17 Naatu sabuw hiru’ay sawar, basit Pilate ibatiyih, “Orot menatan kwakokok diburune anabotait, Jesu Barabas o Jesu Keriso?”
18 Want hij wist dat ze Hem uit nijdigheid hadden overgeleverd.
18 Anayabin sabuw bobowenamaim Jesu hibai Pilate umanamaim hiya’iyai i so’ob.
19 En terwijl hij op den rechterstoel zat, zond zijn vrouw tot hem, zeggende: Bemoei u toch niet met dien Rechtvaardige, want veel heb ik heden in een droom om Hem geleden!
19 Pilate baibabatiyen ana efanamaim ma’am, aawan tur iyafar na eo, “Orot nati gewasin isan men abisa ta inasinaf, anayabin fai ayu mim fokarin maiyow isan amim au not ekakasiy”
20 Doch de overpriesters en de oudsten stookten de scharen op, dat zij Barabbas zouden eischen en Jezus dooden.
20 Baise firis ukwarih naatu regaregah ai’in sabuw tafah fair hiyai, Barabas botaitin naatu Jesu asabunin isan Pilate hiokikin.
21 En de stadhouder antwoordde en zeide tot hen: Wien van deze twee wilt gij dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Barabbas!
21 Pilate sabuw ibatiyih, “Orot i rou’ab, imih orot menatan kwakokok ana botait?” Etei’imak hiya’afut hio, “Barabas!”
22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt? Zij zeiden allen: Hij moet gekruisigd worden!
22 Pilate sabuw ibatiyih, “Bo Jesu wabin Keriso isan boro mi’itube anasinaf?” Etei’imak hiya’afut hio, “Ku’onaf!”
23 En hij zeide: Wat kwaad heeft Hij dan gedaan? Maar zij schreeuwden nog sterker: Hij moet gekruisigd worden!
23 Pilate ibatiyih, “Abisa kakafin sinaf?” Baise sabuw hitar koukuw hio, “Ku’onaf!” Sabuw rou’ay gagamin nahimaim Pilate Jesu ibatiy|alt="Jesus placed before crowd" src="CN01822b.tif" size="col" loc="Mat 27.23" copy="©1978 David C. Cook Publishing Co." ref="27.23"
24 En toen Pilatus zag dat hij niets vorderde, maar dat er veeleer oproer kwam, nam hij water en wiesch zich de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen Rechtvaardige; gij moogt het verantwoorden!
24 Pilate naniyan bai men karam boro ef ta tasinaf, naatu sabuw auman kougeyagey hibusuruf, imih harew bai sabuw etei nahimaim uman sauwen eo, “Ayu iti orot namomorob isan men ana ubar anabaimih. Nati i kwa akis a ubar.”
25 En het gansche volk antwoordde en zeide: Zijn bloed kome op ons en op onze kinderen!
25 Sabuw etei hiya’afut hio, “I namomorob ana ubar i aki anab naatu natunatu auman ana ubar hinab.”
26 Toen liet hij hun Barabbas los, en Jezus gegeeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.
26 Imaibo Pilate Barabas botait, naatu Jesu wabir ana baiyowayah iuwih, onafin isan hibai hin.
27 Toen namen de soldaten van den stadhouder Jezus mede naar het rechthuis en vergaderden tegen Hem de gansche bende.
27 Imaibo Pilate ana baiyowayah Jesu hibai hin gawan ana bar hitit, nati’imaim baiyowayah etei hiru’ay hibebera’uh.
28 En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een scharlaken mantel om.
28 Ana faifuw hi’oromen, faifuw namar hibai hi’us,
29 En zij vlochten een kroon van doornen en die zetten zij op zijn hoofd, en een rietstok in zijn rechterhand. En zij knielden voor Hem neder en bespotten Hem, zeggende: Gegroet, Gij, koning der Joden!
29 kokor hififin ukwarin ana raramamih hiyara’ah, uman ana asukwafune tu hitin, nanamaim suh hiyowen hi’i’iyab hio, “Jews hai aiwob tanabora’ara’ah.”
30 En zij spuwden op Hem en namen den rietstok en sloegen Hem op zijn hoofd.
30 Yumatan hikwaitututur, uman tu hibosair ukwarinamaim hiborabirab.
31 En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem den mantel af en zijn eigen kleederen aan, en voerden Hem weg om gekruisigd te worden.
31 Hibi’i’iyab ufunamaim, faifuw hi’us ma’am hibosair ana faifuw hibow hina hi’us, imaibo hibai hin onafin isan.
32 En toen zij uitgingen vonden zij een man van Cyrene, Simon genaamd. Dezen dwongen zij om zijn kruis op te nemen.
32 Hitit hinan efamaim Sairini orot wabin Simon bairi hitar naatu baiyowayah hi’ukikin Jesu ana onaf bai e’abar.
33 En gekomen op de plaats genaamd Golgotha, hetgeen Plaats der Doodshoofden beteekent,
33 Hina efan wabin Golgotha imaim hitit, nati efan hibiwab yabin efan ana itinin i orot ukwarin ana gifow na’atube.
34 gaven ze Hem azijn te drinken met galle vermengd. En toen Hij het geproefd had, wilde Hij niet drinken.
34 Nati’imaim wine harew tenakuyakuy auman hisartabir Jesu tomanih hitin bai kakartubun ufunamaim kwahir.
35 En toen zij Hem aan het kruis gehangen hadden, verdeelden zij zijn kleederen door het lot te werpen; opdat vervuld zou worden hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben mijn kleederen onder malkander verdeeld, en hebben het lot over mijn kleeding geworpen.
35 Naatu hi’o’onaf ana veya arowamaim ana faifuw hikusib hifaram hibow.
36 En zij zaten neder en bewaakten Hem aldaar.
36 Imaibo nati’imaim himarir Jesu hima’uh hima.
37 En zij stelden boven zijn hoofd zijn beschuldiging, aldus geschreven: Deze is Jezus, de koning der Joden.
37 Naatu tafanamaim ubar hibitin ana tur hikirum hikubar, “ITI I JESU, JEW SABUW HAI AIWOB.”
38 Toen kruisigden zij met Hem twee moordenaars, een aan zijn rechter– en een aan zijn linkerzijde.
38 Naatu bainowan orot rou’ab Jesu bairi hi’onafih, ta ana beyawane ta ana asukwafune.
39 En die voorbijgingen lasterden Hem, schudden hun hoofden en zeiden:
39 Sabuw nanane hinan ukwarih hita’asi’asiy ubar hitin tur kakafih maiyow Jesu hi’i’iyab hio,
40 Gij, tempelafbreker en opbouwer in drie dagen! verlos U zelven! Als Gij Gods Zoon zijt, kom dan af van het kruis!
40 “Tafaror bar tarabounin veya tounu wanawananamaim wowabin sawaramih io! Bo o God Natun na’at kwiyawasi cross afe’enane kure’eban a’it?”
41 En desgelijks bespotten Hem ook de overpriesters met de schriftgeleerden en de oudsten, zeggende:
41 Ef ta’imon firis ukwarih, Ofafar Bai’obaiyenayah naatu regaregah ai’in auman Jesu hi’i’iyab hio,
42 Anderen heeft Hij verlost, en zich zelven verlossen kan Hij niet! — Koning Israëls is Hij! — Laat Hem nu afkomen van het kruis en wij zullen in Hem gelooven!
42 “Sabuw afa iyawasih, baise i taiyuwin men karam boro niyawas, Israel sabuw hai aiwob! Bo cross afe’enane boun nare tana itin boro tanitumitum.
43 Op God heeft Hij vertrouwd! Dat die Hem dan nu redde, indien Hij Hem genegen is! Hij heeft toch gezegd: Ik ben Gods Zoon!
43 God i bitumitum, bo God boun iyawasiban ta’itin, anayabin i taiyuwin i God Natun rouw eo.”
44 En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars die met Hem gekruisigd waren.
44 Ef ta’imon bainowah orot rou’ab Jesu bairi hi’onafih hi’inu’in ubar hitin tur kakafih hi’u.
45 En van de zesde ure af was er duisternis over de geheele aarde tot de negende ure toe.
45 Veya yen tafat yan tafaram etei gugum inu’in veya botabir re 3 korok bai.
46 En omtrent de negende ure riep Jezus met een groote stem, zeggende: Eli! Eli! lema sabachtanei! dat is: Mijn God! mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?
46 Veya 3 korok na’atube, Jesu fanan aumetawat rerey eo, “Eloi, Eloi Lema Sabachthani?” Anayabin, “Au God, au God, aisim ihamiyu?”
47 En sommigen die daar stonden, hoorden dit en zeiden: Deze roept Elias!
47 Sabuw afa nati’imaim hibatabat hinowar hio, “Elijah isan eafa’af kwanowar.”
48 En terstond liep een van hen, en nam een spons gevuld met azijn en die op een riet gestoken hebbende, gaf hij Hem te drinken.
48 Naatu orot ta nunuw in sawar ta biyan sou’usau bai, wine tenakuyakuy butu’ub, eot ra’ah Jesu awanamaim yai tomamih.
49 Maar de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien of Elias komt om Hem te verlossen!
49 Baise sabuw afa hio, “Kubat, Elijah nan nabiyawas tana’itin!”
50 En Jezus wederom roepende met een groote stem, gaf den geest.
50 Jesu iban maiye fanan aumetawat rerey, naatu ayubin tabaratait.
51 En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde en de steenrotsen barstten;
51 Faifuw Tafaror Bar wanawanan hita’iy re efan kakafiyin hirafut inu’in yate rusib re in uran tit rou’ab himatar, iriyoy tit kabay hitaseseb.
52 en de graven werden geopend en vele lichamen van ontslapen heiligen werden opgewekt,
52 Rah awah hiha’e, sabuw kakafiyih moumurih na’in marasika himorob hi’inu’in etei hiyawas himisir.
53 en uit de graven uitgegaan zijnde, kwamen zij na zijn verrijzenis in de heilige stad en verschenen aan velen.
53 Hai rah hitumaren hitit, Jesu morobone mimisir ufunamaim, murumurubih etei hitit hin Jerusalem hitit, sabuw moumurih na’in hi’itih.
54 De hoofdman nu en die met hem waren en Jezus bewaakten, ziende de aardbeving en wat er geschied was, werden zeer bevreesd en zeiden: Waarlijk, Gods Zoon was deze!
54 Baiyowayah hai orot ukwarih naatu baiyowayah afa bairi nati’imaim Jesu hima’uh hima’am iriyoy hitatam, naatu abisa’awat himamatar hi’itah hai bir ra’at hio, “Turobe iti orot i anababatun God Natun!”
55 En daar waren vele vrouwen die het van verre aanschouwden; deze waren Jezus gevolgd van Galilea om Hem te dienen.
55 Nati’imaim baibin moumurih na’in hina ef yokaika hibat abisa’awat himamatar hi’itah. Iti baibin i Galilee’ine Jesu hi’ufunun bairi hina hibibais.
56 Onder deze was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedeüs.
56 Baibin wanawanahimaim i Mary Magdalene, Mary, James, Joseph hairi hinah naatu Zebedee aawan.
57 Toen het nu avond geworden was, kwam er een rijk man van Arimathea, genaamd Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.
57 Birabirab auman orot sawar wairafin, wabin Joseph ana tafaram Arimathea’ane na tit. Iti orot i Jesu ana bai’ufununayan ta, baise wa’iwa’iramaim bi’ufununun. Tafaror bar wanawanan faifuw taseb ro’ab himatar|alt="temple veil being torn down" src="CN01843B.TIF" size="col" loc="Mat 27.57" copy="©1978 David C. Cook Publishing Co." ref="27.57"
58 Deze kwam tot Pilatus en verzocht om het lichaam van Jezus. Toen gebood Pilatus het hem te geven.
58 Joseph na Pilate nanamaim tit, Jesu biyan bai na ya’in isan fefeyan, naatu Pilate ana baiyowayah uwih Jesu biyan hibai hitin.
59 En Jozef nam het lichaam en wond het in rein lijnwaad,
59 Joseph, Jesu biyan bai faifuw boubunamaim sum
60 en leide het in zijn nieuwen grafkelder, dien hij in een rots had uitgekapt; en als hij een grooten steen had gewenteld tegen den ingang van den grafkelder, ging hij weg.
60 bai in hub boubun i isan iti boro’omo to naiwanamaim bai inu’in, imaim Jesu yai naatu kabay ifururuw na sou hir naatu ana ubar in.
61 En Maria Magdalena en de andere Maria zaten daar, tegenover het graf.
61 Mary Magdalene naatu Mary, James, Joseph hairi hinah i rah rewan rounane himare hima hi’itin.
62 En den volgenden dag, dat is den dag na de voorbereiding, kwamen de overpriesters en de fariseërs tot Pilatus en zeiden:
62 Mar natot i boro Sabbath ana veya, imih Firis ukwarih naatu Pharisee hina Pilate nanamaim hitit
63 Heer, wij herinneren ons, dat deze verleider, toen Hij nog leefde, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik verrijzen.
63 hio, “Regah ni’i orot baifufuwenayan yawasin ma’am eo, ‘Ayu boro veya tounu ufunamaim morobone anamisir.’ Iti na’atube eo i aki anotanot.
64 Beveel dan dat het graf bewaakt worde tot den derden dag toe, opdat zijn discipelen niet komen bij nacht en Hem stelen en tot het volk zeggen: Hij is verrezen van de dooden! En zoo zou het laatste bedrog erger zijn dan het eerste.
64 Isan imih akokok baiyowayah afa iniyafarih hinan rah hinama’uh hinama veya tounu, saise ana bai’ufununayah boro men hinan biyan hinabain hinabihir, naatu morobone misir maiye hinarouw hinao sabuw hinifuwihimih. Anayabin baifuwen iti boun natitit boro kakafin anababatun men wan anabifuwen na’atube’emih.”
65 En Pilatus zeide tot hen: Gij hebt een wacht; gaat heen en bewaakt het zoo goed gij kunt.
65 Pilate iyafutih eo, “Ma’utenayah orot kwa aso’obamaim kwanabuwih naatu kwana’uwih matah toniwa’an rah hinama’uh gewas hinama.”
66 En zij gingen heen en bewaakten het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.
66 Basit hitit hin rah ana etawan kabay tafanamaim kwah hiyai, naatu ma’utenayah orot nati’imaim rah hima’uh hima. Mautenayah rah awan hibat firis bairi teo|alt="soldiers guarding tomb" src="cn01849b.tif" size="col" loc="Mat 27.66" copy="©1978 David C. Cook Publishing Co." ref="27.66"
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 27, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.