Mateus 26
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NTLH
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En het geschiedde toen Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot zijn discipelen zeide:
1 Quando Jesus acabou de ensinar essas coisas, disse aos discípulos:
2 Gij weet het dat na twee dagen paaschfeest is, en dat de Zoon des menschen wordt overgeleverd om gekruisigd te worden.
2 — Vocês sabem que daqui a dois dias vai ser comemorada a
3 Toen vergaderden de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de oudsten des volks in de zaal van den hoogepriester, genaamd Kajafas,
3 Os chefes dos sacerdotes e os líderes judeus se reuniram no palácio de Caifás, o Grande Sacerdote ,
4 en zij beraadslaagden om Jezus door list te vatten en te dooden;
4 e fizeram um plano para prender Jesus em segredo e matá-lo.
5 doch zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen oproer zij onder het volk.
5 Eles diziam: — Não vamos fazer isso durante a festa, para não haver uma revolta no meio do povo.
6 Toen nu Jezus in Bethanië was, in het huis van Simon, den melaatsche,
6 — ausente —
7 kwam tot Hem een vrouw die een albasten flesch had met kostbaren balsem, en zij goot dien uit over zijn hoofd terwijl Hij aanlag.
7 — ausente —
8 En de discipelen dit ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies?
8 Ao verem aquilo, os discípulos ficaram zangados e disseram: — Que desperdício!
9 want dit had duur verkocht kunnen worden en aan de armen gegeven.
9 Esse perfume poderia ter sido vendido por uma fortuna, e o dinheiro, dado aos pobres.
10 Maar Jezus bemerkte dit en zeide: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan Mij gedaan.
10 Mas Jesus, sabendo o que eles diziam, disse:
11 Want de armen hebt gij altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd.
11 Pois os pobres estarão sempre com vocês, mas eu não.
12 Want dat zij dezen balsem over mijn lichaam gegoten heeft, dit deed zij ter voorbereiding mijner begrafenis!
12 O que ela fez foi perfumar o meu corpo para o meu sepultamento.
13 Voorwaar, Ik zeg u, overal waar dit Evangelie in de gansche wereld zal verkondigd worden, zal ook van hetgeen deze gedaan heeft, tot haar gedachtenis worden gesproken.
13 Eu afirmo a vocês que isto é verdade: em qualquer lugar do mundo onde o
14 Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters en zeide:
14 Então um dos doze discípulos, chamado Judas Iscariotes, foi falar com os chefes dos sacerdotes.
15 Wat wilt gij mij geven en ik zal Hem aan u overleveren? En zij wogen hem dertig zilverlingen toe.
15 Ele disse: — Quanto vocês me pagam para eu lhes entregar Jesus? E eles lhe pagaram trinta moedas de prata.
16 En van toen af zocht hij een geschikte gelegenheid om Hem over te leveren.
16 E daí em diante Judas ficou procurando uma oportunidade para entregar Jesus.
17 En op den eersten dag der ongedeesemde brooden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Waar wilt Gij dat wij toebereidselen voor U maken om het pascha te eten?
17 No primeiro dia da Festa dos Pães sem Fermento , os discípulos chegaram perto de Jesus e perguntaram: — Onde é que o senhor quer que a gente prepare o jantar da
18 En Hij zeide: Gaat naar de stad tot zoo iemand, en zegt tot hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, bij u houd Ik het paaschfeest met mijn discipelen.
18 Ele respondeu:
19 En de discipelen deden gelijk Jezus hun bevolen had en bereidden het pascha.
19 Os discípulos fizeram como Jesus havia mandado e prepararam o jantar da Páscoa.
20 Als het nu avond was geworden, lag Hij aan met de twaalf discipelen.
20 Quando anoiteceu, Jesus e os doze discípulos sentaram para comer.
21 En terwijl zij aten zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg ulieden dat één van u Mij zal verraden.
21 Durante o jantar Jesus disse:
22 En zeer bedroefd geworden zijnde, begon ieder van hen tot Hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Heere?
22 Eles ficaram muito tristes e, um por um, começaram a perguntar: — O senhor não está achando que sou eu; está?
23 En Hij antwoordde en zeide: Die met Mij de hand in den schotel indoopt, die zal Mij verraden.
23 Jesus respondeu:
24 De Zoon des menschen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mensch door wien de Zoon des menschen verraden wordt; beter ware het dien mensch zoo hij niet geboren was.
24 Pois o
25 En Judas, die Hem verried, zeide: Ik ben het toch niet, Meester? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.
25 Então Judas, o traidor, perguntou: — Mestre, o senhor não está achando que sou eu; está? Jesus respondeu:
26 En terwijl zij aten, nam Jezus brood, en gedankt hebbende, brak Hij het en gaf het aan de discipelen en zeide: Neemt, eet; dat is mijn lichaam.
26 Enquanto estavam comendo, Jesus pegou o pão e deu graças a Deus. Depois partiu o pão e o deu aos discípulos, dizendo:
27 En een beker nemende, dankte Hij en gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit,
27 Em seguida, pegou o cálice de vinho e agradeceu a Deus. Depois passou o cálice aos discípulos, dizendo:
28 want dit is mijn bloed, des Nieuwen Verbonds, dat voor velen vergoten wordt tot vergiffenis der zonden.
28 porque isto é o meu sangue, que é derramado em favor de muitos para o perdão dos pecados, o sangue que garante a
29 En Ik zeg u, Ik zal van nu af niet meer drinken van deze vrucht des wijnstoks tot op dien dag als Ik ze met u nieuw zal drinken in het koninkrijk mijns Vaders.
29 Eu afirmo a vocês que nunca mais beberei deste vinho até o dia em que beber com vocês um vinho novo no
30 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Berg der Olijven.
30 Então eles cantaram canções de louvor e foram para o monte das Oliveiras.
31 Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geërgerd worden in dezen nacht; want er is geschreven: Ik zal den herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.
31 E Jesus disse aos discípulos:
32 Maar nadat Ik zal verrezen zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
32 Mas, depois que eu ressuscitar, irei adiante de vocês para a Galileia.
33 En Petrus antwoordde en zeide tot Hem: Al werden ook allen aan U geërgerd, zoo zal ik toch nimmer geërgerd worden.
33 Então Pedro disse a Jesus: — Eu nunca abandonarei o senhor, mesmo que todos o abandonem.
34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, voordat een haan kraait, Mij driemaal zult verloochenen.
34 Mas Jesus lhe disse:
35 Petrus zeide tot Hem: Al moest ik dan ook met U sterven, U verloochenen zal ik niet. Evenzoo spraken ook al de discipelen.
35 Pedro respondeu: — Eu nunca vou dizer que não o conheço, mesmo que eu tenha de morrer com o senhor! E todos os outros discípulos disseram a mesma coisa.
36 Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Gethsemane, en Hij zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik daar zal gegaan zijn om te bidden.
36 Jesus foi com os discípulos para um lugar chamado Getsêmani e lhes disse:
37 En Petrus en de twee zonen van Zebedeüs medenemende, begon Hij bedroefd en zeer benauwd te worden.
37 Então Jesus foi, levando consigo Pedro e os dois filhos de Zebedeu. Aí ele começou a sentir uma grande tristeza e aflição
38 Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is diep bedroefd tot stervens toe! blijft hier en waakt met Mij!
38 e disse a eles:
39 En een weinig voortgaande, viel Hij op het aangezicht, biddende en zeggende: Vader, indien het mogelijk is, laat dezen beker van Mij voorbijgaan! Doch niet zooals Ik wil, maar zooals Gij wilt.
39 Ele foi um pouco mais adiante, ajoelhou-se, encostou o rosto no chão e orou:
40 En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Zoo hebt gij dan niet één uur met Mij kunnen waken?
40 Depois voltou e encontrou os três discípulos dormindo. Então disse a Pedro:
41 Waakt en bidt opdat gij niet in bekoring komt! de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.
41 Vigiem e orem para que não sejam tentados. É fácil querer resistir à tentação; o difícil mesmo é conseguir.
42 En voor de tweede maal heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! als deze beker van Mij niet voorbijgaan kan, tenzij dat Ik hem drinke, uw wil geschiede!
42 Pela segunda vez Jesus foi e orou, dizendo:
43 En komende, vond Hij hen wederom slapende, want hun oogen waren bezwaard.
43 Ele voltou de novo e encontrou os discípulos dormindo. Eles estavam com sono e não conseguiam ficar com os olhos abertos.
44 En hen daar latende, ging Hij wederom heen en bad voor de derde maal, dezelfde woorden sprekende.
44 Jesus tornou a sair de perto deles e orou pela terceira vez, dizendo as mesmas palavras.
45 Toen kwam Hij tot de discipelen en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust! Ziet, de ure is nabij en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.
45 Então voltou até onde os discípulos estavam e perguntou:
46 Staat op, laat ons gaan! Ziet, hij is nabij die Mij verraadt.
46 Levantem-se, e vamos embora. Vejam! Aí vem chegando o homem que está me traindo!
47 En terwijl Hij nog sprak, ziet, Judas, een der twaalven, kwam, en met hem een groote schare met zwaarden en stokken, gezonden door de overpriesters en oudsten des volks.
47 Jesus ainda estava falando, quando chegou Judas, um dos doze discípulos. Vinha com ele uma grande multidão armada com espadas e porretes, que tinha sido mandada pelos chefes dos sacerdotes e pelos líderes judeus.
48 En die Hem verried had hun een teeken gegeven, zeggende: Wien ik zal kussen, die is het; grijpt Hem!
48 O traidor tinha combinado com eles um sinal. Ele tinha dito: “Prendam o homem que eu beijar, pois é ele.”
49 En terstond kwam hij op Jezus toe en zeide: Gegroet Meester! en hij kuste Hem.
49 Judas foi até perto de Jesus e disse: — Mestre, que a paz esteja com o senhor! E o beijou.
50 En Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier? Toen traden zij toe en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
50 Jesus respondeu: Então eles chegaram, prenderam Jesus e o amarraram.
51 En ziet, een dergenen die met Jezus waren, strekte de hand uit, trok zijn zwaard en trof den dienaar van den hoogepriester en sloeg hem het oor af.
51 Mas um dos que estavam ali com Jesus tirou a espada, atacou um empregado do Grande Sacerdote e cortou uma orelha dele.
52 Toen zeide Jezus tot hem: Steek uw zwaard weder in zijn scheede; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen.
52 Aí Jesus disse:
53 Of meent gij dat Ik mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen te hulp zenden?
53 Você não sabe que, se eu pedisse ajuda ao meu Pai, ele me mandaria agora mesmo doze exércitos de anjos?
54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, omdat het alzoo moet geschieden?
54 Mas, nesse caso, como poderia se cumprir aquilo que as
55 Te dier ure zeide Jezus tot de schare: Als tegen een roover zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen! dagelijks was Ik bij u in den tempel gezeten om te leeren, en gij hebt Mij niet gegrepen.
55 Depois Jesus disse para aquela gente:
56 Maar dit alles is geschied opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. — Toen verlieten Hem al de discipelen en zij vluchtten.
56 Mas tudo isso está acontecendo para se cumprir o que os Então todos os discípulos abandonaram Jesus e fugiram.
57 Maar zij die Jezus gegrepen hadden, voerden Hem naar Kajafas, den hoogepriester, waar de schriftgeleerden en de oudsten vergaderd waren.
57 Os homens que prenderam Jesus o levaram até a casa do Grande Sacerdote Caifás, onde estavam reunidos alguns mestres da Lei e alguns líderes judeus.
58 Petrus evenwel volgde Hem van verre tot aan den voorhof van den hoogepriester, en hij ging daar binnen en zat bij de dienaren om den afloop te zien.
58 Pedro seguiu Jesus de longe até o pátio da casa do Grande Sacerdote. Entrou e sentou-se com os guardas para ver como aquilo ia terminar.
59 En de overpriesters en de oudsten en de geheele Raad zochten valsch getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem dooden konden.
59 Os chefes dos sacerdotes e todo o Conselho Superior estavam procurando alguma acusação falsa contra Jesus a fim de o condenar à morte.
60 Maar zij vonden niets, ofschoon er vele valsche getuigen opdaagden. Doch ten laatste kwamen er twee valsche getuigen, die zeiden:
60 Mas não puderam encontrar nada contra ele, embora muitos se levantassem para dizer mentiras a respeito dele. Afinal dois homens se apresentaram
61 Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen hem weder opbouwen.
61 e disseram: — Este homem afirmou: “Eu posso destruir o Templo de Deus e construí-lo de novo em três dias.”
62 En de hoogepriester stond op en zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
62 Aí o Grande Sacerdote se levantou e perguntou a Jesus: — Você não vai se defender desta acusação?
63 Maar Jezus zweeg. En de hoogepriester antwoordde en zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt of Gij de Christus zijt, de Zoon van God!
63 Mas Jesus ficou calado. Então o Grande Sacerdote tornou a perguntar: — Em nome do Deus vivo, eu exijo que você diga para nós: você é o
64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd; daarenboven zeg Ik ulieden, van nu af zult gij den Zoon des menschen zien, gezeten aan de rechterzijde der Almacht, en komende op de wolken des hemels.
64 Jesus respondeu:
65 Toen scheurde de hoogepriester zijn kleederen en zeide: Hij heeft gelasterd! wat hebben wij nog getuigen van doen? Ziet, nu hebt gij de lastering gehoord!
65 Aí o Grande Sacerdote rasgou as suas próprias roupas e disse: — Ele
66 Wat dunkt u? — En zij antwoordden en zeiden: Hij is des doods schuldig!
66 Então, o que resolvem? Eles responderam: — Ele é culpado e deve morrer!
67 Toen spogen zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten, en zij sloegen Hem in zijn gezicht, zeggende:
67 Em seguida cuspiram no rosto de Jesus e deram bofetadas nele. E os que batiam nele
68 Profeteer ons, Christus! Wie is hij, die U sloeg?
68 diziam: — Ei, Messias, adivinhe para nós quem foi que bateu em você!
69 En Petrus zat buiten in den voorhof; en er kwam een dienstmaagd bij hem, die zeide: Ook gij waart met Jezus den Galileër!
69 Pedro estava sentado lá fora no pátio, quando uma das empregadas chegou perto dele e disse: — Você também estava com Jesus da Galileia.
70 Doch hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet wat gij zegt.
70 Mas ele negou diante de todos, dizendo: — Eu não sei do que é que você está falando.
71 En toen hij uitging naar de voorpoort, zag hem een andere, die zeide tot hen die daar waren: Deze was met Jezus den Nazarener!
71 Depois foi para a entrada do pátio. Outra empregada o viu e disse às pessoas que estavam ali: — Ele estava com Jesus de Nazaré.
72 En wederom loochende hij het, met een eed: Ik ken dien mensch niet.
72 Pedro negou outra vez, respondendo: — Juro que não conheço esse homem!
73 En een weinig later kwamen zij, die daar stonden, tot Petrus en zeiden: Waarlijk, gij zijt ook van die, want uw spraak maakt u bekend!
73 Pouco depois, os que estavam ali chegaram perto de Pedro e disseram: — O seu modo de falar mostra que, de fato, você também é um deles.
74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken dien mensch niet! En terstond kraaide een haan.
74 Então Pedro disse: — Juro que não conheço esse homem! Que Deus me castigue se não estou dizendo a verdade! Naquele instante o galo cantou,
75 En Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, die gezegd had: Eer een haan zal kraaien, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitter.
75 e Pedro lembrou que Jesus lhe tinha dito: “Antes que o galo cante, você dirá três vezes que não me conhece.” Então Pedro saiu dali e chorou amargamente.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 26, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.