Mateus 23

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 Toen sprak Jezus tot de scharen en tot zijn discipelen, zeggende:
1 Então falou Jesus à multidão, e aos seus discípulos,
2 De schriftgeleerden en de fariseërs zijn gezeten op den leerstoel van Mozes.
2 dizendo: Na cadeira de Moisés se assentam os escribas e os fariseus.
3 Doet dan en onderhoudt alles wat zij u zeggen dat gij houden zult; maar doet niet naar hun werken, want zij zeggen het wel, maar doen het niet.
3 Tudo, pois, o que vos disserem, isso observai e fazei; porém não façais segundo as suas obras, porque eles dizem, e não fazem.
4 Want zij binden zware en ondragelijke lasten samen, en leggen die op de schouders der menschen; maar zij zelven willen die met hun vinger niet aanraken.
4 Porque eles atam fardos pesados e difíceis de suportar, e os põem nos ombros dos homens; mas eles nem com seu dedo querem movê-los.
5 En al hun werken doen zij om door de menschen gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedels breed en de boorden van hun kleederen groot.
5 Mas todas as suas obras eles fazem para serem vistos pelos homens; eles fazem os seus filactérios mais largos, e aumentam as orlas das suas vestes,
6 En zij zitten gaarne vooraan bij de maaltijden en in de synagogen.
6 e amam os lugares mais altos nas festas, e os principais assentos nas sinagogas,
7 En zij worden gaarne gegroet op de markten en door de menschen Meester genoemd.
7 e as saudações nos mercados, e serem chamados pelos homens: Rabi, Rabi.
8 Maar gij, laat u niet Meester noemen; want één is uw Meester, namelijk de Christus, en gij allen zijt broeders.
8 Mas vós não sereis chamados de Rabi, porque um só é o vosso Mestre, o Cristo, e todos vós sois irmãos.
9 En noemt niemand op aarde Vader; want één is uw Vader, die in den hemel is.
9 E a nenhum homem na terra chameis de vosso pai, porque um só é o vosso Pai, o qual está no céu.
10 En laat u ook niet Leeraar noemen; want één is uw Leeraar, de Christus.
10 Nem vos chameis de mestres, porque um só é o vosso Mestre, o Cristo.
11 Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.
11 Mas o que for maior dentre vós será o vosso servo.
12 En wie zich zelven verhoogt, zal vernederd worden! en wie zich zelven vernedert, zal verhoogd worden.
12 E aquele que a si mesmo se exaltar será humilhado; e aquele que a si mesmo se humilhar será exaltado.
13 Wee u, schriftgeleerden en fariseërs, gij geveinsden! omdat gij het koninkrijk der hemelen sluit voor de menschen; want gij gaat er zelf niet binnen, en die er zouden binnengaan, belet gij om binnen te gaan.
13 Mas ai de vós, escribas e fariseus, hipócritas! Porque fechais o reino do céu aos homens; pois nem vós entrais, nem deixais entrar os que estão entrando.
14 Wee u, schriftgeleerden en fariseërs, gij geveinsden! omdat gij de huizen der weduwen opeet, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.
14 Ai de vós, escribas e fariseus, hipócritas! Porque devorais as casas das viúvas, e sob pretexto fazeis longas orações; por isso recebereis a maior condenação.
15 Wee u, schriftgeleerden en fariseërs, gij geveinsden! omdat gij zee en land afreist om één proseliet te maken, en wanneer hij het is geworden, dan maakt gij hem een kind der hel, tweemaal meer dan gij zelf zijt.
15 Ai de vós, escribas e fariseus, hipócritas! Porque percorreis o mar e a terra para fazer um prosélito, e depois de o terdes feito, o fazeis duas vezes mais filho do inferno do que vós.
16 Wee u, gij blinde leidslieden! die zegt: Bij den tempel te zweren, dat is niets; maar zoo wie zweert bij het goud van den tempel, die is gebonden.
16 Ai de vós, guias cegos, que dizeis: Quem jurar pelo templo, isso nada é; mas o que jurar pelo ouro do templo, esse é um devedor.
17 Gij dwazen en blinden! wat is er toch meer, het goud, of de tempel die het goud heiligt?
17 Tolos e cegos! Pois qual é maior, o ouro, ou o templo que santifica o ouro?
18 En bij den altaar te zweren, dat is niets; maar, zoo wie zweert bij de gave die daarop is, die is gebonden.
18 E aquele que jurar pelo altar, isso nada é; mas aquele que jurar pela oferta que está sobre ele, esse é um devedor.
19 Gij dwazen en blinden! wat is toch meer, de gave, of de altaar die de gave heiligt?
19 Tolos e cegos; por que qual é maior, a oferta, ou o altar que santifica a oferta?
20 Die dan zweert bij den altaar, zweert bij dien en bij al wat er op is.
20 Portanto, o que jurar pelo altar, jura por ele, e por todas as coisas sobre ele.
21 En wie bij den tempel zweert, zweert bij dezen en bij Hem die er in woont.
21 E, o que jurar pelo templo, jura por ele, e por aquele que nele habita.
22 En wie zweert bij den hemel, zweert bij den troon van God en bij Hem die daarop zit.
22 E, o que jurar pelo céu, jura pelo trono de Deus, e por aquele que está assentado sobre ele.
23 Wee u, schriftgeleerden en fariseërs, gij geveinsden! want gij geeft de tienden van de munte, en van de dille, en van het komijn, en gij laat het gewichtigste van de wet na, het recht en de barmhartigheid en de getrouwheid. Het eene nu moest gij doen en het andere niet nalaten.
23 Ai de vós, escribas e fariseus, hipócritas! Porque pagam o dízimo da hortelã, do endro e do cominho, e tendes omitido as questões importantes da lei, juízo, misericórdia e fé; essas coisas devíeis ter feito, e não deixar as outras por fazer.
24 Gij blinde leidslieden! de mug zift gij uit, maar den kameel zwelgt gij door!
24 Guias cegos, que coais um mosquito, e engolis um camelo.
25 Wee u, schriftgeleerden en fariseërs, gij geveinsden! want gij zuivert het buitenste van den beker en van den schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid.
25 Ai de vós, escribas e fariseus, hipócritas! Porque limpais o lado de fora do copo e do prato, mas por dentro estão cheios de extorsão e transgressão.
26 Gij blinde fariseër! zuiver eerst het binnenste van den beker en van den schotel, opdat ook zijn buitenste gezuiverd worde.
26 Tu fariseu cego! Limpa primeiro o que está dentro do copo e do prato, para que também o lado de fora seja limpo também.
27 Wee u, schriftgeleerden en fariseërs, gij geveinsden! want gij gelijkt op de gewitte grafsteden die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onzuiverheid.
27 Ai de vós, escribas e fariseus, hipócritas! Porque sois semelhantes aos sepulcros caiados, que por fora realmente parecem formosos, mas por dentro estão cheios de ossos de homens mortos e de toda a impureza.
28 Zoo ook schijnt gij van buiten voor de menschen wel rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en goddeloosheid.
28 Assim também vós exteriormente pareceis justos aos homens, mas por dentro estais cheios de hipocrisia e de iniquidade.
29 Wee u, schriftgeleerden en fariseërs, gij geveinsden! want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de grafteekenen der rechtvaardigen,
29 Ai de vós, escribas e fariseus, hipócritas! Porque edificais os túmulos dos profetas e enfeitam os sepulcros dos justos;
30 en gij zegt: Indien wij er geweest waren in de dagen onzer vaderen, dan zouden wij met hen geen deel genomen hebben aan den moord der profeten.
30 e dizeis: Se existíssemos nos dias de nossos pais, não teríamos sido com eles cúmplices no sangue dos profetas.
31 Alzoo getuigt gij dus tegen u zelven dat gij kinderen zijt van de profeten–moordenaars,
31 Assim, testificais contra vós mesmos, pois sois filhos dos que mataram os profetas.
32 en gij— maakt de maat uwer vaderen vol!
32 Enchei vós, então, a medida de vossos pais.
33 Gij slangen– en adderengebroed! hoe zoudt gij het vonnis der hel ontvlieden?
33 Serpentes, geração de víboras, como podeis escapar da condenação do inferno?
34 Daarom ziet, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden, en sommigen van hen zult gij dooden en kruisigen, en anderen zult gij geeselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad.
34 Portanto, eis que eu vos envio profetas, homens sábios e escribas; a alguns deles matareis e crucificareis; e a outros açoitareis nas vossas sinagogas e os perseguireis de cidade em cidade.
35 Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed dat op de aarde vergoten is, van het bloed van den rechtvaardigen Abel af, tot op het bloed van Zacharias, een zoon van Barachias, dien gij vermoord hebt tusschen den tempel en den altaar.
35 Para que sobre vós possa vir todo o sangue justo, que foi derramado sobre a terra, desde o sangue do justo Abel até o sangue de Zacarias, filho de Baraquias, que matastes entre o templo e o altar.
36 Voorwaar Ik zeg u, dit alles zal komen over deze natie!
36 Na verdade eu vos digo que todas estas coisas sobrevirão sobre esta geração.
37 Jerusalem, Jerusalem! dat de profeten doodt en steenigt die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen gelijk een klokhen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen! en gij hebt niet gewild!
37 Ó Jerusalém, Jerusalém, que matas os profetas, e apedrejas os que te são enviados, quantas vezes eu quis ajuntar os teus filhos, como a galinha ajunta os seus pintinhos debaixo das asas, e tu não quiseste!
38 Zie, uw huis wordt u woest gelaten!
38 Eis que a vossa casa é deixada desolada.
39 Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zeggen, zult: Gezegend Hij, die komt in den Naam des Heeren!
39 Porque eu vos digo que desde agora não me vereis mais, até que digais: Bendito seja o que vem em nome do Senhor.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 23, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.