Mateus 21

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 Toen zij nu Jerusalem naderden en te Bethfagé aan den berg der Olijven kwamen, zond Jezus twee discipelen en zeide tot hen:
1 E, quando eles se aproximaram de Jerusalém, e chegando a Betfagé, junto ao monte das Oliveiras, então enviou Jesus dois discípulos,
2 Gaat naar het dorp daar tegenover u, en terstond zult gij een ezelin vinden, die vastgebonden is, en een veulen bij haar; maakt die los en brengt ze tot Mij;
2 dizendo-lhes: Ide à aldeia que está defronte de vós, e logo encontrareis uma jumenta presa, e com ela um jumentinho; soltando-os, trazei-os para mim.
3 en als soms iemand iets tot u zegt, dan moet gij zeggen dat de Heere ze noodig heeft; en terstond zal hij ze laten volgen.
3 E, se algum homem vos disser alguma coisa, dizei: O Senhor necessita deles, e logo os enviará.
4 Dit nu geschiedde, opdat vervuld zou worden het woord, dat door den profeet gesproken is:
4 Tudo isso foi feito para que pudesse se cumprir o que foi dito pelo profeta, dizendo:
5 Zegt tot de dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier.
5 Dizei à filha de Sião: Eis que o teu Rei vem a ti, manso, e montado sobre um jumento, e um jumentinho, cria de uma jumenta.
6 En de discipelen gingen heen en deden gelijk Jezus hun bevolen had.
6 E, indo os discípulos, fazendo como Jesus lhes ordenara,
7 Zij brachten de ezelin en het veulen, en leiden er hun kleederen op; en Jezus ging daarop zitten.
7 trouxeram a jumenta e o jumentinho, e sobre eles puseram as suas vestes, e eles o colocaram em cima.
8 En de grootste menigte spreidde hun kleederen op den weg, en anderen sneden takken van de boomen en spreidden die op den weg.
8 E uma multidão muito grande estendia as suas vestes pelo caminho, e outros cortavam ramos de árvores, e os espalhavam pelo caminho.
9 En de scharen die vóór Hem gingen en die volgden riepen, zeggende: Hosannah, den Zoon van David! Gezegend Hij die komt in den Naam des Heeren! Hosannah, in het allerhoogste!
9 E as multidões, que iam à frente e as que o seguiam, clamavam, dizendo: Hosana ao Filho de Davi! Bendito é o que vem em nome do Senhor. Hosana nas alturas!
10 En toen Hij binnen Jerusalem kwam, geraakte de gansche stad in roeren, zeggende: Wie is deze?
10 E entrando ele em Jerusalém, toda a cidade estava agitada, dizendo: Quem é este?
11 En de scharen zeiden: Deze is de profeet Jezus, van Nazaret in Galilea.
11 E a multidão dizia: Este é Jesus, o profeta de Nazaré da Galileia.
12 En Jezus ging naar den tempel Gods en Hij wierp daaruit allen die kochten en verkochten in den tempel, en de tafelen der wisselaars keerde Hij om, en de zetels van de duivenverkoopers.
12 E entrando Jesus no templo de Deus, expulsou todos os que vendiam e compravam no templo, e derrubou as mesas dos cambistas e os bancos dos que vendiam pombas;
13 En Hij zeide tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genoemd worden, maar gij hebt het gemaakt tot een roovershol.
13 e disse-lhes: Está escrito: A minha casa será chamada casa de oração; mas vós a fazeis covil de ladrões.
14 En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in den tempel en Hij genas hen.
14 E foram ter com ele no templo cegos e coxos, e ele os curou.
15 En toen de overpriesters en de schriftgeleerden de mirakelen zagen die Hij deed, en de kinderen die in den tempel riepen: Hosannah! den Zoon van David! — toen werden zij kwaad,
15 E vendo os principais sacerdotes e os escribas as coisas maravilhosas que ele fizera, e as crianças gritando no templo, e dizendo: Hosana ao Filho de Davi!, indignaram-se,
16 en zeiden tot Hem: Hoort gij wel wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja! hebt gij nooit gelezen: Uit den mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij U lof bereid?
16 e perguntaram-lhe: Ouves o que estes dizem? E Jesus lhes disse: Sim; nunca lestes: Pela boca dos pequeninos e dos bebês de peito tiraste perfeito louvor?
17 En Hij verliet hen en ging de stad uit naar Bethanië en overnachtte aldaar.
17 E ele deixando-os, saiu da cidade para Betânia, e ele se alojou ali.
18 Toen Hij nu des morgens vroeg naar de stad terugkeerde, had Hij honger.
18 Ora, de manhã, voltando para a cidade, teve fome.
19 En een vijgeboom aan den weg ziende, ging Hij er naar toe; en Hij vond er niets aan dan alleen bladeren. En Hij zeide: Dat er nooit in der eeuwigheid meer vrucht aan u kome! En de vijgeboom verdorde terstond.
19 E, avistando uma figueira à beira do caminho, dela se aproximou, e não encontrou nada, senão algumas folhas, e disse-lhe: Jamais cresça fruto em ti, para sempre! E a figueira murchou imediatamente.
20 En de discipelen dit ziende, verwonderden zich en zeiden: Hoe is de vijgeboom terstond verdord!
20 E, vendo isto os discípulos, admiraram-se, dizendo: Como murchou imediatamente a figueira?
21 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: Indien gij geloof hebt en niet twijfelt, dan zult gij niet alleen doen wat den vijgeboom is geschied, maar al zegt gij dan ook tot dien berg: Hef u op, en werp u in de zee! — het zal geschieden.
21 Jesus, respondendo, disse-lhes: Na verdade eu vos digo: Se tiverdes fé e não duvidardes, não só fareis o que foi feito à figueira, mas também, se a este monte disserdes: Move-te e lança-te no mar, isso será feito.
22 En alles wat gij geloovig begeeren zult in het gebed, dat zult gij ontvangen.
22 E todas as coisas, tudo o que pedirdes em oração, crendo, recebereis.
23 En toen Hij in den tempel was gekomen, kwamen de overpriesters en de oudsten des volks tot Hem, terwijl Hij leerde, en zij zeiden: Door welke macht doet Gij deze dingen? en wie heeft u deze macht gegeven?
23 Tendo Jesus entrado no templo, e estando ele a ensinar, os principais sacerdotes e os anciãos do povo se aproximaram dele, dizendo: Com que autoridade tu fazes estas coisas? E quem te deu tal autoridade?
24 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ik zal u ook één ding vragen; zoo gij Mij dit zegt, dan zal Ik u ook zeggen door welke macht Ik deze dingen doe.
24 E Jesus, respondendo, disse-lhes: Eu também vos perguntarei uma coisa; se me responderdes, eu de igual modo vos direi com que autoridade eu faço estas coisas.
25 De doop van Johannes, vanwaar was die? uit den hemel of uit de menschen?
25 O batismo de João, de onde era? Do céu, ou dos homens? E eles arrazoavam entre si, dizendo: Se nós dissermos: Do céu, ele nos dirá: Então por que não acreditastes nele?
26 En zij overleiden bij zich zelven, zeggende: Als wij zeggen: Uit den hemel, dan zal Hij tot ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? En als wij zeggen: Uit de menschen, dan vreezen wij het volk, want allen houden Johannes voor een profeet.
26 Mas, se nós dissermos: Dos homens, tememos o povo, porque todos consideram João como profeta.
27 En zij antwoordden Jezus en zeiden: Wij weten het niet. Toen zeide ook Hij tot hen: Dan zeg Ik u ook niet door welke macht Ik deze dingen doe.
27 E, respondendo a Jesus, disseram: Nós não podemos dizer. Ele disse-lhes: Nem eu vos digo com que autoridade eu faço estas coisas.
28 Maar wat dunkt u? Iemand had twee zonen. En hij kwam tot den een en zeide: Zoon, ga vandaag in mijn wijngaard werken!
28 Mas que vos parece? Certo homem tinha dois filhos, e, dirigindo-se ao primeiro, disse: Filho, vai trabalhar hoje na minha vinha.
29 Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet. Maar later had hij berouw en ging.
29 Ele respondeu, e disse: Eu não quero. Mas depois, arrependido, foi.
30 En tot den ander komende, zeide hij hetzelfde. En die antwoordde en zeide: Ik ga, heer! maar hij ging niet.
30 E dirigindo-se ao segundo, falou-lhe de igual modo; e respondendo ele, disse: Eu vou, senhor; e não foi.
31 Wie van de twee heeft den wil van den vader gedaan? — Zij zeiden: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het koninkrijk Gods.
31 Qual destes dois fez a vontade do seu pai? Disseram-lhe eles: O primeiro. Disse-lhes Jesus: Na verdade eu vos digo que os publicanos e as prostitutas entram antes de vós no reino de Deus.
32 Want Johannes is tot u gekomen in den weg der rechtvaardigheid, en gij hebt hem niet geloofd. Maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; en ofschoon gij dit gezien hebt, hebt gij toch later geen berouw gehad, om hem te gelooven.
32 Pois João veio a vós no caminho da justiça, e não crestes nele; mas os publicanos e as prostitutas creram. E vós, vendo isto, nem depois vos arrependestes para crerdes nele.
33 Hoort een andere gelijkenis: Er was een heer des huizes die een wijngaard plantte; en hij leide er een haag rond en groef er een wijnpers in, en hij bouwde een wachttoren, en verhuurde den wijngaard aan landlieden en ging buitenslands.
33 Ouvi outra parábola: Havia um certo chefe de família que plantou uma vinha, cercou-a, cavou nela um lagar, edificou uma torre, e a deixou com uns lavradores, e foi para uma terra distante.
34 Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn dienaren naar de landlieden om zijn vruchten te ontvangen.
34 E, estando próximo o tempo dos frutos, ele enviou os seus servos aos lavradores, para que eles pudessem receber os seus frutos.
35 En de landlieden grepen zijn dienaren, en sloegen den een, en doodden den ander, en steenigden een derde.
35 E os lavradores, tomaram os servos, bateram em um, e mataram outro, e a outro apedrejaram.
36 Wederom zond hij andere dienaren, meer in getal dan de eersten, en die handelden zij evenzoo.
36 Ele enviou ainda outros servos, em maior número do que os primeiros; e eles fizeram-lhes do mesmo modo.
37 Ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen toch mijn zoon wel ontzien!
37 Mas, por último, enviou-lhes o seu filho, dizendo: Eles respeitarão ao meu filho.
38 Maar de landlieden den zoon ziende, spraken onder malkander: Deze is de erfgenaam! komt, laat ons hem dooden en zijn erfenis aan ons houden!
38 Mas os lavradores vendo o filho, disseram entre si: Este é o herdeiro; vinde, matemo-lo, e apoderemo-nos da sua herança.
39 En zij namen hem, wierpen hem buiten den wijngaard en doodden hem.
39 E, agarrando-o, lançaram-no fora da vinha e o mataram.
40 Als dan de heer des wijngaards komt, wat zal hij aan die landlieden doen?
40 Quando, pois, vier o senhor da vinha, o que ele fará com esses lavradores?
41 Zij zeiden tot Hem: Hij zal die boozen schrikkelijk verderven, en den wijngaard zal hij verhuren aan andere landlieden, die hem zijn vruchten zullen opbrengen op zijn tijd.
41 Dizem-lhe eles: Ele destruirá miseravelmente aqueles homens perversos, e deixará sua vinha com outros lavradores, que a seu tempo lhe entreguem os frutos.
42 Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; vanwege den Heere is dit geschied, en het is wonderbaar in onze oogen?
42 Jesus disse para eles: Nunca lestes nas escrituras: A pedra que os edificadores rejeitaram, essa se tornou a cabeça de esquina; isso é obra do Senhor, e é maravilhosa aos nossos olhos?
43 Daarom zeg Ik ulieden dat van u het koninkrijk Gods zal weggenomen worden, en gegeven aan een volk dat zijn vruchten voortbrengt.
43 Portanto eu vos digo que o reino de Deus vos será tirado, e será dado a uma nação que dê os seus frutos.
44 Want al wie over dezen steen valt, die zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.
44 E, quem cair sobre esta pedra, despedaçar-se-á; mas aquele sobre quem ela cair será reduzido a pó.
45 En als de overpriesters en de fariseërs zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij dat Hij van hen sprak.
45 E quando os principais sacerdotes e fariseus ouviram estas parábolas, entenderam que ele falava deles.
46 En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de scharen, omdat die Hem voor een profeet hielden.
46 Mas, embora procurassem prendê-lo, temiam a multidão, pois o tinham por profeta.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 21, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.