Mateus 11

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 En het is geschied, toen Jezus geëindigd had aan zijn twaalf discipelen bevelen te geven, dat Hij vandaar ging om te onderwijzen en te prediken in hun steden.
1 E aconteceu que, tendo Jesus terminado de dar instruções aos seus doze discípulos, ele partiu dali para ensinar e pregar nas cidades deles.
2 En Johannes de Dooper, in de gevangenis vernomen hebbende van de werken van Christus, zond twee van zijn discipelen om tot Hem te zeggen:
2 Ora, quando João ouviu na prisão sobre as obras de Cristo, ele enviou dois dos seus discípulos,
3 Zijt Gij degene die komen zou, of moeten wij een ander verwachten?
3 a dizer-lhe: És tu aquele que havia de vir, ou aguardamos outro?
4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen, boodschapt aan Johannes wat gij hoort en ziet:
4 Jesus lhes respondeu: Ide, e mostrai a João novamente as coisas que ouvis e vedes:
5 Blinden worden ziende, en kreupelen wandelen; melaatschen worden gezuiverd, en dooven hooren; dooden worden opgewekt, en aan armen wordt het Evangelie verkondigd;
5 Os cegos recebem a sua visão, e os coxos andam; os leprosos são purificados, e os surdos ouvem; os mortos são ressuscitados, e aos pobres é pregado o evangelho.
6 en zalig is hij, die zich aan Mij niet zal ergeren.
6 E abençoado é aquele que não se ofender em mim.
7 Toen dezen nu heengingen, begon Jezus te zeggen tot de scharen aangaande Johannes: Wat zijt gij in de woestijn gaan zien? Een riet dat door den wind heen en weder geschud wordt?
7 E, partindo eles, começou Jesus a dizer às multidões a respeito de João: O que fostes ver no deserto? Um caniço agitado pelo vento?
8 Maar wat zijt gij gaan zien? Een mensch met schoone kleederen bekleed? Ziet, die schoone kleederen dragen, zijn in de huizen der koningen.
8 Mas o que fostes ver? Um homem trajado de roupas finas? Eis que os que se vestem de roupas finas estão nas casas dos reis.
9 Maar waartoe zijt gij uitgegaan? Om een profeet te zien? — Ja, zeg Ik u, ook veel meer dan een profeet.
9 Mas o que fostes ver? Um profeta? Sim, eu vos digo, e muito mais do que profeta.
10 Want hij is het van wien is geschreven: Ziet, Ik zend mijn engel voor uw aangezicht, die den weg vóór U uit bereiden zal.
10 Porque este é aquele, de quem está escrito: Eis que diante da tua face eu envio o meu mensageiro, que preparará diante de ti o teu caminho.
11 Voorwaar Ik zeg u, onder die van vrouwen geboren zijn, is er geen meerdere opgestaan dan Johannes de Dooper; maar de minste in het koninkrijk der hemelen is meer dan hij.
11 Na verdade eu vos digo: Dentre os nascidos de mulheres, não apareceu um maior do que João, o Batista; contudo aquele que é o menor no reino do céu é maior do que ele.
12 En van de dagen van Johannes den Dooper af tot nu toe, wordt het koninkrijk der hemelen bestormd en bestormers rooven het weg.
12 E, desde os dias de João, o Batista, até agora, o reino do céu sofre violência, e os violentos o tomam pela força.
13 Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot op Johannes.
13 Pois todos os profetas e a lei profetizaram até João.
14 En zoo gij het wilt aannemen, hij is de Elias die komen zou.
14 E se vós quiserdes aceitar, este é Elias, o que havia de vir.
15 Wie ooren heeft om te hooren, die hoore.
15 Quem tem ouvidos para ouvir, ouça.
16 Doch waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderen die op de pleinen zitten, en hun gezellen toeroepen, zeggende:
16 Mas, a quem eu compararei esta geração? É semelhante às crianças que se assentam nos mercados, e chamam aos seus companheiros,
17 Op de fluit speelden wij voor u, en gedanst hebt gij niet; klaagliederen hebben wij gezongen, en gij hebt niet geweend!
17 dizendo: Tocamo-vos flauta, e não dançastes; cantamo-vos murmurações, e não lamentastes.
18 Want Johannes is gekomen, niet etende of drinkende, en men zegt: Hij heeft een boozen geest!
18 Portanto veio João, não comia nem bebia, e dizem: Ele tem um demônio.
19 De Zoon des menschen is gekomen, etende en drinkende, en men zegt: Ziet daar, een gulzigaard en dronkaard, een vriend van tollenaars en zondaars! En de wijsheid is gerechtvaardigd door haar kinderen.
19 Veio o Filho do homem, comendo e bebendo, e dizem: Eis aí um homem comilão e beberrão, amigo dos publicanos e pecadores. Mas a sabedoria é justificada por seus filhos.
20 Toen begon Hij de steden te verwijten, waarin zijn meeste krachten geschied warén, omdat zij zich niet bekeerden:
20 Então ele começou a repreender as cidades nas quais se havia feito a maioria das suas poderosas obras, porque eles não se arrependeram.
21 Wee u, Chorazin! Wee u, Bethsaïda! Want zoo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren die in u geschied zijn, zij hadden al lang in zak en assche boetvaardigheid gedaan.
21 Ai de ti, Corazim! Ai de ti, Betsaida! Porque, se em Tiro e em Sidom fossem feitas as poderosas obras que em vós se fizeram, há muito eles teriam se arrependido, em pano de saco e cinza.
22 Maar Ik zeg u: Tyrus en Sidon zal het verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan ulieden!
22 Mas eu vos digo que haverá mais tolerância no dia do juízo para Tiro e Sidom do que para vós.
23 En gij Kapernaüm! zijt gij niet tot den hemel toe verhoogd? Tot het doodenrijk toe zult gij nedergestooten worden. Want zoo in Sodom de krachten geschied, waren die in u geschied zijn, het zou tot vandaag toe bestaan hebben.
23 E tu, Cafarnaum, exaltada até ao céu, serás derrubada para o inferno; porque, se em Sodoma tivessem sido feitas obras poderosas que em ti se fizeram, teria permanecido até hoje.
24 Maar Ik zeg u dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels dan u.
24 Mas eu vos digo que haverá mais tolerância no dia do juízo para os de Sodoma do que para ti.
25 In dien tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik loof U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen verborgen hebt voor wijzen en verstandigen, en ze aan kinderen hebt geopenbaard.
25 Naquele momento, Jesus respondeu e disse: Graças te dou, ó Pai, Senhor do céu e da terra, porque tu ocultaste estas coisas aos sábios e prudentes, e as revelaste às criancinhas.
26 Ja, o Vader! want alzoo is het voor U welbehagelijk geweest.
26 Sim, Pai, pois assim foi agradável diante de ti.
27 Alles is Mij overgegeven van mijn Vader, en niemand kent den Zoon dan de Vader, en niemand kent den Vader dan de Zoon, en wien het de Zoon wil openbaren.
27 Todas as coisas me foram entregues por meu Pai, e nenhum homem conhece o Filho, senão o Pai; e nenhum homem conhece o Pai, senão o Filho, e aquele a quem o Filho o quiser revelar.
28 Komt tot Mij, gij allen die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u rust geven.
28 Vinde a mim, todos vós que estais cansados e sobrecarregados, e eu vos darei descanso.
29 Neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen.
29 Tomai sobre vós o meu jugo, e aprendei de mim, pois eu sou manso e humilde de coração; e encontrareis descanso para as vossas almas.
30 Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.
30 Porque o meu jugo é suave, e o meu fardo é leve.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 11, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.