Mateus 10

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 En Jezus riep zijn twaalf discipelen tot zich en gaf hun macht over de onreine geesten, om die uit te werpen, en om alle ziekten en kwalen te genezen.
1 E ele chamando a si os seus doze discípulos, deu-lhes poder contra os espíritos imundos, para os expulsarem, e para curarem toda espécie de doenças e toda espécie de enfermidades.
2 De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: vooreerst Simon, genaamd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder;
2 Ora, os nomes dos doze apóstolos são estes: O primeiro, Simão, chamado Pedro, e André, seu irmão; Tiago, filho de Zebedeu, e João, seu irmão;
3 Fillippus en Bartholomeüs, Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs en Labbeüs, toegenaamd Taddeüs;
3 Filipe e Bartolomeu; Tomé e Mateus, o publicano; Tiago, filho de Alfeu, e Lebeu, cujo sobrenome era Tadeu;
4 Simon, de Kananeër en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
4 Simão, o cananita, e Judas Iscariotes, quem também o traiu.
5 Deze twaalf zond Jezus uit en gebood hun, zeggende: Op den weg tot de heidenen zult gij niet gaan, en in een stad der Samaritanen zult gij niet treden.
5 Estes Doze Jesus enviou, dando-lhes ordens, dizendo: Não ireis pelo caminho dos gentios, e não entreis em nenhuma cidade samaritana.
6 Maar gaat liever tot de verloren schapen van het huis Israëls.
6 Mas ide antes às ovelhas perdidas da casa de Israel.
7 Gaat heen en predikt, zeggende: Het koninkrijk der hemelen is nabij.
7 E, enquanto forem, pregai, dizendo: O reino do céu tem-se aproximado.
8 Geneest kranken, wekt dooden op, zuivert melaatschen, werpt booze geesten uit; om niet hebt gij het ontvangen; geeft het ook om niet.
8 Curai os enfermos, purificai os leprosos, ressuscitai os mortos, expulsai os demônios; de graça recebestes, de graça dai.
9 Hebt geen goud, of zilver, of koper in uw beurzen.
9 Não provisioneis ouro, nem prata, nem cobre, nos vossos cintos,
10 Hebt geen reiszak op weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardig.
10 nem alforje para sua jornada, nem duas túnicas, nem calçados, nem bordões; porque digno é o trabalhador do seu alimento.
11 En in wat stad of dorp gij komt, onderzoekt wie daarin waardig is; en blijft daar totdat gij er uitgaat.
11 E, em qualquer cidade ou aldeia em que entrardes, investigai quem nela é digno, e ali vos hospedeis até prosseguirdes.
12 En als gij de woning binnentreedt, groet haar dan.
12 E, quando entrardes em uma casa, saudai-a;
13 En wanneer die woning het waardig is, dan kome uw vrede over haar; maar als zij het niet waardig is, dan keere uw vrede tot u weder.
13 E, se a casa for digna, deixai sobre ela a vossa paz; mas, se não for digna, torne para vós a vossa paz.
14 En zoo iemand u niet ontvangt en uw woorden niet hoort, schudt dan het stof van uw voeten af, als gij uit dat huis of uit die stad vertrekt.
14 E, todo aquele que não vos receber, nem ouvir as vossas palavras, quando vos partirdes daquela casa ou cidade, sacudi a poeira dos vossos pés.
15 Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan voor die stad.
15 Na verdade eu vos digo que, no dia do juízo, haverá mais tolerância para a terra de Sodoma e Gomorra do que para aquela cidade.
16 Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van wolven; zijt dan voorzichtig zooals de slangen en eenvoudig zooals de duiven.
16 Eis que eu vos envio como ovelhas ao meio de lobos; portanto, sede sensatos como as serpentes e inofensivos como as pombas.
17 Wacht u voor de menschen, want zij zullen u overleveren aan de rechtbanken, en in hun synagogen zullen zij u geeselen.
17 Mas cuidado com os homens; porque eles vos entregarão aos concílios, e vos açoitarão nas suas sinagogas;
18 Doch ook voor stad houders en koningen zult gij gesteld worden om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en de heidenen.
18 e sereis levados à presença dos governadores e dos reis, por causa de mim, como testemunho contra eles e os gentios.
19 Maar zijt niet bezorgd, als zij u overleveren, hoe of wat gij zult zeggen; want hetgeen gij spreken zult, zal u in die zelfde ure gegeven worden.
19 Mas quando vos entregarem, não cuideis de como ou o que haveis de falar, pois naquela hora vos será dado o que haveis de dizer.
20 Want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders die in u spreekt.
20 Porque não sois vós que falais, mas é o Espírito de vosso Pai que fala em vós.
21 En de eene broeder zal den anderen overleveren ter dood en de vader zijn kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders en hen dooden.
21 E o irmão entregará à morte o irmão, e o pai o filho; e os filhos se levantarão contra os seus pais, e os colocarão para a morte.
22 En gij zult gehaat zijn van allen om mijn Naam; maar die tot het einde toe volhardt, die zal behouden worden.
22 E sereis odiados de todos os homens por causa do meu nome; mas aquele que perseverar até o fim será salvo.
23 Wanneer men u dan in de eene stad vervolgt, vlucht naar de andere; want voorwaar Ik zeg u, gij zult de steden Israëls niet doorreisd hebben vóórdat de Zoon des menschen zal gekomen zijn.
23 Quando vos perseguirem nesta cidade, fugi para outra; porque em verdade eu vos digo que não tereis percorrido as cidades de Israel sem que venha o Filho do homem.
24 De discipel is niet boven zijn meester, en de knecht niet boven zijn heer.
24 O discípulo não está acima de seu mestre, nem o servo acima de seu ­senhor.
25 Het zij den discipel genoeg dat hij gelijk is aan zijn meester, en den knecht gelijk aan zijn heer. Indien zij den huisheer Beëlzebul hebben genoemd, hoeveel te meer dan zijn huisgenooten!
25 Basta ao discípulo ser como o seu mestre, e ao servo como seu senhor. Se chamaram Belzebu ao mestre da casa, quanto mais chamarão aos de sua casa?
26 Vreest hen dan niet; want niets is bedekt dat niet ontdekt zal worden, en verborgen dat niet bekend zal worden.
26 Portanto, não os temais; porque nada há encoberto que não venha a ser revelado, nem oculto que não venha a ser conhecido.
27 Hetgeen Ik tot u zeg in de duisternis, spreekt gij dat in het licht, en hetgeen u in het oor wordt gezegd, predikt dat van de daken.
27 O que eu vos digo às escuras, falai-o à plena luz; e o que ouvirdes no ouvido pregai-o sobre os telhados.
28 En vreest niet voor hen die het lichaam dooden, maar de ziel niet kunnen dooden, maar vreest veel meer hem die ziel en lichaam kan verderven in de hel.
28 E não temais os que matam o corpo, mas não podem matar a alma; temei antes aquele que pode destruir tanto a alma como o corpo no inferno.
29 Worden niet twee musschen verkocht voor een penning? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.
29 Não se vendem dois pardais por um asse? E nenhum deles cairá em terra sem vosso Pai.
30 En van u zijn zelfs al de haren des hoofds geteld.
30 Mas os próprios cabelos da vossa cabeça estão todos contados.
31 Vreest dus niet; want gij zijt meer waard dan vele musschen.
31 Portanto, não temais; mais valeis vós do que muitos pardais.
32 Een ieder dan die Mij zal belijden voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor mijn Vader die in de hemelen is.
32 Portanto, qualquer que me confessar diante dos homens, eu também o confessarei diante de meu Pai que está no céu.
33 Maar wie Mij verloochent voor de menschen, dien zal Ik ook verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is.
33 Mas qualquer que me negar diante dos homens, eu também o negarei diante de meu Pai que está no céu.
34 Meent niet dat Ik ben gekomen om vrede op de aarde te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.
34 Não penseis que eu vim trazer paz à terra; eu não vim trazer paz, mas ­espada.
35 Want Ik ben gekomen om den mensch verdeeld te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder;
35 Porque eu vim pôr um homem em desacordo contra seu pai, e a filha contra sua mãe, e a nora contra sua sogra.
36 en des menschen vijanden zullen zijn huisgenooten zijn.
36 E os inimigos de um homem serão os da sua própria casa.
37 Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig, en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.
37 O que ama o pai ou a mãe mais do que a mim não é digno de mim; e o que ama o filho ou a filha mais do que a mim não é digno de mim.
38 En wie zijn kruis niet opneemt en Mij navolgt, die is Mijns niet waardig.
38 E o que não toma a sua cruz e segue após mim, não é digno de mim.
39 Wie zijn leven vindt zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.
39 O que encontrar a sua vida, perdê-la-á, e o que perder a sua vida por minha causa, encontra-la-á.
40 Wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.
40 O que vos recebe, a mim me recebe; e o que me recebe, recebe aquele que me enviou.
41 Wie een profeet ontvangt om zijn naam van profeet, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt om zijn naam van rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen.
41 O que recebe um profeta em nome de um profeta, receberá recompensa de profeta; e quem recebe um homem justo em nome de um homem justo, receberá recompensa de um homem justo.
42 En zoo wie aan een van deze geringsten maar een beker koud water te drinken geeft om zijn naam van discipel, voorwaar Ik zeg u, hij zal zijn loon niet verliezen.
42 E todo o que der de beber ainda que seja um copo de água fria a um destes pequeninos apenas em nome de um discípulo, em verdade eu vos digo que de modo algum perderá a sua recompensa.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.