Marcos 8

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Toen er nu in die dagen wederom veel volk was, en zij niet te eten hadden, riep Jezus de discipelen samen en zeide tot hen:
1 Pouco tempo depois, ajuntou-se outra vez uma grande multidão. Como eles não tinham nada para comer, Jesus chamou os discípulos e disse:
2 Ik heb medelijden met het volk, omdat zij al drie dagen bij Mij zijn gebleven, en zij hebben niet te eten;
2 — Estou com pena dessa gente porque já faz três dias que eles estão comigo e não têm nada para comer.
3 en als Ik ze zonder eten naar hun huis laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken, en sommigen van hen zijn van verre gekomen!
3 Se eu os mandar para casa com fome, eles vão cair de fraqueza pelo caminho, pois alguns vieram de longe.
4 En zijn discipelen antwoordden Hem: Vanwaar zal iemand; hier in een woestijn, dezen met brood kunnen verzadigen?
4 Os discípulos perguntaram: — Como vamos encontrar, neste lugar deserto, comida que dê para toda essa gente?
5 En Hij vroeg hun: Hoeveel brooden hebt gij? — En zij zeiden: Zeven.
5 — Quantos pães vocês têm? — perguntou Jesus. — Sete! — responderam eles.
6 En Hij gebood het volk op den grond te gaan zitten; en Hij nam de zeven brooden, en dankte, en brak ze, en gaf ze aan zijn discipelen, om ze voor te zetten; en zij zetten ze aan de schare voor.
6 Aí Jesus mandou o povo sentar-se no chão. Depois pegou os sete pães e deu graças a Deus. Então os partiu e os entregou aos discípulos, e eles os distribuíram ao povo.
7 En zij hadden enkele vischjes; en als Hij gedankt had zette Hij die ook voor.
7 Eles tinham também alguns peixinhos. Jesus deu graças a Deus por eles e mandou que os discípulos os distribuíssem.
8 En zij aten en werden verzadigd, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden.
8 Todos comeram e ficaram satisfeitos; e os discípulos ainda encheram sete cestos com os pedaços que sobraram.
9 En die gegeten hadden waren omtrent vier duizend. — En Hij liet ze weggaan.
9 As pessoas que comeram eram mais ou menos quatro mil. Jesus mandou o povo embora,
10 En terstond ging Hij naar het schip met zijn discipelen en kwam naar de omstreken van Dalmanutha.
10 e, logo depois, subiu no barco com os seus discípulos, e foi para a região de Dalmanuta.
11 En de fariseërs gingen uit en begonnen met Hem te twisten, verzoekende van Hem een teeken uit den hemel, om Hem te verstrikken.
11 Alguns fariseus chegaram e começaram a falar com Jesus. Eles queriam conseguir alguma prova contra ele e por isso pediram que ele fizesse um milagre para mostrar que o seu poder vinha mesmo de Deus.
12 En Hij zuchtte in zijn geest en zeide: Wat verzoekt dit geslacht een teeken? — Voorwaar zeg Ik ulieden: Aan dit geslacht zal geen teeken gegeven worden!
12 Jesus deu um grande suspiro e disse:
13 En hen verlatende ging Hij wederom per schip naar de overzijde.
13 Então Jesus foi embora. Ele subiu no barco e voltou para o lado leste do lago.
14 En de discipelen hadden vergeten brooden mede te nemen, en hadden niets dan één brood bij zich in het schip.
14 Os discípulos haviam esquecido de levar pão e só tinham um pão no barco.
15 En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdeesem der fariseërs en van den zuurdeesem van Herodes!
15 Jesus chamou a atenção deles, dizendo:
16 En zij overleiden onder malkander, zeggende: Hij zegt dit omdat wij geen brooden hebben!
16 Aí os discípulos começaram a dizer uns aos outros: — Ele está dizendo isso porque não temos pão.
17 En Jezus, dit bemerkt hebbende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen brooden hebt? verstaat en begrijpt gij nog niet? hebt gij nog uw verhard harte?
17 Jesus ouviu o que eles estavam dizendo e perguntou:
18 terwijl gij oogen hebt ziet gij niet, en terwijl gij ooren hebt hoort gij niet, en gij hebt geen geheugen?
18 Vocês têm olhos e não enxergam? Têm ouvidos e não escutam? Não lembram
19 Toen ik de vijf brooden brak voor de vijf duizend, hoeveel volle korven met brokken naamt gij op? Zij zeiden tot Hem: Twaalf.
19 dos cinco pães que eu parti para cinco mil pessoas? Quantos cestos cheios de pedaços vocês recolheram? Eles responderam: — Doze.
20 En toen Ik de zeven brak voor de vier duizend, hoeveel volle manden met brokken naamt gij toen op? — Zij zeiden: Zeven.
20 Jesus perguntou outra vez: Eles responderam: — Sete.
21 En Hij zeide tot hen: Verstaat gij dan nog niet?
21 Então Jesus perguntou:
22 En zij kwamen naar Bethsaïda, en men bracht tot Hem een blinde, en bad Hem dat Hij hem zou aanraken.
22 Depois Jesus e os discípulos chegaram ao povoado de Betsaida. Algumas pessoas trouxeram um cego e pediram a Jesus que tocasse nele.
23 En den blinde bij de hand genomen hebbende, bracht Hij hem buiten het dorp. En als Hij hem op de oogen gespuwd had, leide Hij hem de handen op en vroeg hem of hij wat zag.
23 Ele pegou o cego pela mão e o levou para fora do povoado. Então cuspiu, passou a saliva nos olhos do homem, pôs a mão sobre ele e perguntou:
24 En opziende zeide de blinde: Ik zie demenschen; want als boomen zie ik ze wandelen!
24 O homem olhou e disse: — Vejo pessoas; elas parecem árvores, mas estão andando.
25 Toen leide Jezus wederom de handen op zijn oogen en hij zag op en was genezen, en zag alles klaarlijk.
25 Jesus pôs outra vez as mãos sobre os olhos dele. Dessa vez o cego olhou firme e ficou curado; aí começou a ver tudo muito bem.
26 En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet naar het dorp en zeg het aan niemand.
26 Em seguida, Jesus mandou o homem para casa e ordenou:
27 En Jezus ging met zijn discipelen uit naar de dorpen van Cesarea Filippi, en onderweg vroeg Hij zijn discipelen en zeide tot hen: Wie zeggen de menschen dat Ik ben?
27 Depois Jesus e os seus discípulos foram para os povoados que ficam perto de Cesareia de Filipe. No caminho, ele lhes perguntou:
28 En zij spraken tot Hem en zeiden: Johannes de Dooper; — en anderen: Elias— en anderen: Een der profeten.
28 Os discípulos responderam: — Alguns dizem que o senhor é João Batista; outros, que é Elias; e outros, que é um dos
29 En Hij vroeg hun: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? En Petrus antwoordde en zeide tot Hem: Gij zijt de Christus!
29 — E vocês? Quem vocês dizem que eu sou? — perguntou Jesus. — O senhor é o
30 En Hij gebood hun scherpelijk dat zij tot niemand over Hem spreken zouden.
30 Então Jesus proibiu os discípulos de contarem isso a qualquer pessoa.
31 En Hij begon hun te leeren dat de Zoon des menschen veel moest lijden, en verworpen worden van de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen verrijzen.
31 Jesus começou a ensinar os discípulos, dizendo: — O
32 En dit woord sprak Hij vrij uit. En Petrus nam Hem ter zijde en begon Hem te bestraffen.
32 Jesus dizia isso com toda a clareza. Então Pedro o levou para um lado e começou a repreendê-lo.
33 Maar Hij keerde zich om en op zijn discipelen ziende, bestrafte Hij Petrus en zeide: Ga weg, achter Mij, Satan! want gij bedenkt niet de dingen van God, maar die der menschen!
33 Jesus virou-se, olhou para os discípulos e repreendeu Pedro, dizendo:
34 En als Hij de schare met zijn discipelen tot zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Zoo wie wil achter Mij komen die verloochene zich zelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij na.
34 Aí Jesus chamou a multidão e os discípulos e disse:
35 Want zoo wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen, maar zoo wie zijn leven zal verliezen om Mijnentwil en om des Evangelies wil, die zal het behouden.
35 Pois quem põe os seus próprios interesses em primeiro lugar nunca terá a vida verdadeira; mas quem esquece a si mesmo por minha causa e por causa do
36 Want welk profijt zal een mensch hebben, als hij de geheele wereld wint en zijn leven verliest?
36 O que adianta alguém ganhar o mundo inteiro, mas perder a vida verdadeira?
37 Wat toch zal een mensch geven in ruil voor zijn leven?
37 Pois não há nada que poderá pagar para ter de volta essa vida.
38 Want zoo wie zich over Mij en mijn woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en goddeloos geslacht, over dien zal ook de Zoon des menschen zich schamen, als Hij komt in de glorie zijns Vaders met de heilige engelen.
38 Portanto, se nesta época de incredulidade e maldade alguém tiver vergonha de mim e dos meus ensinamentos, então o Filho do Homem, quando vier na

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Marcos 8, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.