Marcos 6
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs AAI
AAI TUR GEWASIN O BAIBASIT BOUBUN
1 En Jezus ging vandaar weg en kwam naar zijn vaderland, en zijn discipelen volgden Hem.
1 Jesu efan nati ihamiy matabir maiye ana bai’ufununayah hitur bairi hina ana bar ana merar hitit.
2 En toen het sabbat was geworden begon Hij onderwijs te geven in de synagoge. En velen die Hem hoorden stonden verwonderd, zeggende: Vanwaar heeft deze dit alles? en welke wijsheid is het, die Hem gegeven is? en zulke krachten geschieden er door zijn handen?
2 Baiyarir ana veya Kou’ay Baremaim busuruf sabuw i’obaibiyih, naatu sabuw moumurih ana tur hinonowar i hifofofor naatu hio, “Iti orot menamaim kirum so’ob? Naatu not rerekab yait itin ina’inanen fokarih esisinaf?
3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus, en van Joses, en van Judas, en van Simon? en zijn ook zijn zusters niet hier bij ons? — En zij werden aan Hem geërgerd.
3 Iti orot i bar wowabayan. Mary natun taitin James, Joseph, Judas naatu Simon, ruburubun baibitar iti’imaim bairit tama’am?” Iti na’atube hio naatu hikwahir.
4 En Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeacht, dan in zijn eigen vaderland, en onder zijn familie, en in zijn huis!
4 Naatu Jesu hai tur eowen bar merar afa’amaim dinab orot i tekakakafiy, baise orot taiyuwin ana bar merar, ana sabuw, ana rara men tekakakafiy.
5 En Hij kon aldaar geen kracht doen, behalve dat Hij aan weinige zieken de handen opleide en ze genas.
5 Naatu ana bar meraramaim ina’inan men ta sinaf, sawusawuwih bai’abamo biyah botobonen hiyawas.
6 En Hij verwonderde zich over hun ongeloof, en trok, onderwijs gevende, door de omliggende dorpen.
6 Sabuw men hibitumatum isan Jesu ifofofor men kafai ta.
7 En Hij riep de twaalven tot zich, en begon hen uit te zenden twee aan twee, en gaf hun macht over de onzuivere geesten.
7 Ana bai’ufununayah nah 12 eafih hina hitit afiy kakafih nunih isan fair itih naatu orot rouru’ab iyafarih hitit.
8 En Hij gebood hun dat zij niets zouden meenemen op reis, dan alleen een staf; geen reiszak, geen brood, geen geld in de beurs,
8 Naatu iuwih, “Remor kwanabubusuruf a tu akisin kwanab, men sawar ta, men rafiy, men hafoy, naatu men kabay ta kwanab naiw a kikiramaim kwanarobere.
9 maar met schoenzolen aan de voeten gebonden, en niet bekleed met twee kleederen.
9 A baibiyon kwaniyoun, baise biya baibiyon men bairou’abin kwanab.”
10 En Hij zeide tot hen: Wanneer gij ergens naar een huis komt, blijft daar totdat gij vandaar weggaat.
10 Naatu iuwih, “Bar merar menatan kwarur imaim kwanama kwanabow nanan a veya nab imaibo nati bar merar kwanihamiy.
11 En zoo wat plaats u niet zal ontvangen, noch u hooren, schudt, bij het weggaan vandaar, het stof af, dat onder aan uw voeten is, tot een getuigenis tegen hen.
11 Naatu efan menamaim a merar men hinay hinabubuwi, o fana men hinanonowar kwana’orarafih kwanana’ufut tafaram kwanihamiy kwanan, nati i hai baimatnuwen!”
12 En zij gingen uit en predikten dat zij boetvaardigheid zouden doen;
12 Basit hitit hin bowabow kakafihine dogor baikitabiren isan hibinan.
13 en veel booze geesten wierpen zij uit, en zalfden veel kranken met olie, en maakten ze gezond.
13 Wagabur moumurih maiyow hinunih hitit naatu sawusawuwih moumurih na’in biyah raiy hirarouw etei hiyawas.
14 En de koning Herodes hoorde het, want zijn naam werd vermaard, en zeide: Johannes de Dooper is verrezen uit de dooden, en daarom werken die krachten in Hem!
14 Jesu wabin ra’at aiwob orot Herod nowar, anayabin sabuw afa hio’o Iti i John Baptist morobone misir maiye, imih biyanamaim fair ma ina’inanen ta ta sinaf temamatar.
15 Anderen nu zeiden: Hij is Elias! En anderen zeiden: Hij is een profeet als een der profeten.
15 Afa hio, “Iti i Elijah. Afa ibanak hio’o, ‘Iti i marasika dinab orot ta na tit.’”
16 Maar toen Herodes het hoorde zeide hij: Het is Johannes, dien ik onthoofd heb, die uit de dooden is verrezen!
16 Baise Herod nonowar ana maramaim eo, “John sikan abuburu’um i morobone misir maiye?”
17 Want deze Herodes had gezonden om Johannes te vangen, en hij had hem in de gevangenis geboeid, ter oorzake van Herodias, de vrouw van Filippus, zijn broeder, omdat hij haar getrouwd had.
17 Anayabin Herod taiyuwin iuwih John hifatum hibai hin dibur baremaim hiyaru’uy. Iti sisinaf ana’an i Herod tain Philip aawan bi’awan isan.
18 Want Johannes zeide tot Herodes: Het is u niet geoorloofd de vrouw uws broeders te hebben!
18 Anayabin Herod tain aawan bi’aawan isan John gam tur fokarin maiyow eo, “O i ofafar iastu’ub yawas kakafin kusisinaf.”
19 Herodias nu loerde op hem en wilde hem dooden, en kon niet;
19 Imih Herodias yan so’ar kok kwanekwan boro John ta’asabun, baise ef men ta ma boro tasinaf.
20 want Herodes vreesde Johannes, wetende dat hij een rechtvaardig en heilig man was; en hij spaarde hem. En als hij hem gehoord had, was hij zeer verslagen en hoorde hem gaarne.
20 Baise Herod i John isan birubir anayabin i so’ob John i orot kakafiyin, ana yawas mutufurin imih tatafafar, John binan Herod nonowar ana not i’afiy baise Herod ana kok i John tabinan i tanowar.
21 En als er een bekwame dag gekomen was, toen Herodes op zijn kroningsdag een maaltijd had aangericht voor zijn grooten en krijgsoversten, en de eersten van Galilea,
21 Basit veya gewasin ta Herod tutufuw ana veya baiyasisir isan hiyuw bogaigiwas, ana sabuw nukwanukwarih, baiyowayah nukwanukwarih, naatu Galilee wanawanan sabuw gagamih etei e’af ayuwih.
22 en de dochter van die Herodias binnengekomen was, en danste, behaagde zij aan Herodes en aan degenen die mede aanlagen. En de koning zeide tot het dochterken: Vraag van mij wat gij wilt, en ik zal het u geven!
22 Nati’imaim Herodias natun babitai na run benaben Herod ana nanawan sabuw hiru’ay hima’am etei hiyasisir men kikimin ta.
23 En hij bezwoer haar: Zoo wat gij van mij vraagt, zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk toe!
23 Naatu babitai isan eobaifaro eo, “Abisa isan inifefeyan au aiwob turin auman boro anit.”
24 En zij ging uit en zeide tot haar moeder: Wat zal ik vragen? — En die zeide: Het hoofd van Johannes den Dooper!
24 Babitai in hinah ibatiy, “Ayu boro abisa isan anifefeyan?” Hinah iya’afut iu, “John Baptist ukwarin!”
25 En zij ging terstond met haast tot den koning en vroeg, zeggende: Ik wil dat gij mij terstond op een schotel het hoofd geeft van Johannes den Dooper!
25 Babitai matan kabiy in aiwob biyan tit ifefeyan eo, “Ayu akokok John Baptist ukwarin tew yan inayai iti boun inab inan initu.”
26 En de koning werd zeer bedroefd; doch om de eeden en om de aanliggenden wilde hij haar niet afwijzen.
26 Aiwob orot yababan gagamin bai, baise men karam sabuw matahamaim babitai isan eo’obaifaro ta’astu’ub.
27 En de koning zond terstond een van zijn lijfwacht en gebood zijn hoofd te brengen.
27 Mar ta’imonamo tur iyafar sika afu’afuw orot iyun in John dibur baremaim ma’am sikan buru’um.
28 Deze nu ging weg en onthoofdde hem in de gevangenis, en hij bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het dochterken, en het dochterken gaf het aan haar moeder.
28 Naatu ukwarin tew yan iwan bai na babitai itin imaibo bai in hinah itin.
29 En zijn discipelen hoorden het en kwamen en namen zijn lijk weg en leiden het in een graf.
29 John ana bai’ufununayah tur hinonowar ana veya hina biyan hibai hin rahamaim hiyai.
30 En de apostelen verzamelden zich tot Jezus en boodschapten Hem al wat zij gedaan en geleerd hadden.
30 Tur Abarayah himatabir hina Jesu biyan hitit mi’itube hibowabow naatu sabuw hibi’obaiyih ana tur hi’owen.
31 En Hij zeide tot hen: Komt mede, gijlieden alleen, naar een eenzame plaats en rust een weinig! — Want er waren er velen die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen tijd om te eten.
31 Naatu Jesu iuwih eo, “Tarabon tan efan sira’utubinamaim mar kafai taniyarir. Anayabin sabuw moumurih Jesu isan hirun hititit, ana bai’ufununayah bay men karam boro hitaa.
32 En zij vertrokken afzonderlijk per schip naar een eenzame plaats.
32 Imih akisihimo wa afe’en hisra’at hin efan ana sira’utubinamaim hitit.
33 En de schare zag hen weggaan; en velen kenden hen en liepen over land van alle steden daar samen en kwamen eer dan zij aan.
33 Baise hinan sabuw moumurih na’in hi’itih hi’inanih, naatu hai bar hai merar hihamiyen aunah hi’iyon hina hima isan hikakaif na run,
34 En Jezus ging uit en zag een groote menigte, en kreeg innerlijk medelijden met hen, omdat ze waren als schapen die geen herder hebben, en Hij begon hun veel te leeren.
34 wa’ane bisure auman sabuw kou’ay gagamin hima’am itih iyababan, anayabin iti sabuw i sheep na’atube aurih nabatanenayan en, naatu busuruf sawar moumurih na’in i’obaibiyih.
35 En toen het al laat was geworden kwamen zijn discipelen tot Hem en zeiden: Deze plaats is eenzaam, en het is al laat;
35 Veya ra’iy birabirab auman, ana bai’ufununayah hina biyan hitit hio, “Iti efan i yok na’in naatu veya i sawar,
36 zend ze van U, opdat zij naar de omliggende dorpen en vlekken gaan om voor zich zelven wat eten te koopen!
36 sabuw kwiyafarih ten bar merar afa iti yubinamaim naatu masaw baremaim bay hinatobon hinaa.”
37 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Geeft gij hun te eten! — En zij zeiden tot Hem: Wij zouden dan heengaan en voor tweehonderd penningen brood koopen, en hun te eten geven?
37 Baise Jesu iyafutih eo, “Kwa a efanamaim abisa ema’am i kwaitih te’aan.” Naatu hiya’afut hio, “Bay nati na’atube i boro sumar etei eight orot ta’imon ana baiyan ana fofonin tanatobon sabuw tanituwih.”
38 En Hij zeide tot hen: Hoeveel brooden hebt gij? gaat heen en ziet! — En toen zij het wisten zeiden zij: Vijf, en twee visschen.
38 Jesu ibatiyih, “Kwa rafiy fafar bai’ab isa tema’am? Kwan kwa’itin.” Hin hiso’ob hina ana tur hi’owen rafiy fafar etei five naatu siy rou’ab.
39 En Hij gebood hun allen bij groepen te gaan zitten op het groene gras.
39 Imaibo Jesu eo, “Sabuw kwa’uwih matan, matan fotan gewasin yan timarir.”
40 En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig.
40 Naatu sabuw hi’uwih matan, matan fotan gewasin yan himarir, afa 100 na’atube afa 50 na’atube.
41 En Hij nam de vijf brooden en de twee visschen, en zag op naar den hemel en dankte; en Hij brak de brooden en gaf die aan de discipelen om ze hun voor te zetten, en de twee visschen deelde Hij onder allen.
41 Jesu rafiy five naatu siy rou’ab auman bow au mar nuw ra’at God ana merar yi imseseben ana bai’ufununayah itih hibow sabuw hifaramih.
42 En zij allen aten en werden verzadigd,
42 Sabuw etei nati bay hi’aa hai fofonin bai.
43 en zij namen twaalf volle korven met brokken op, en ook van de visschen.
43 Ana bai’ufununayah rafiy rebarebah, naatu siy turih sabuw hi’aa hibow sakasak etei 12 hiwan foten.
44 En die de brooden gegeten hadden, waren vijf duizend mannen.
44 Oro’orot bay hi’aa i etei 5,000.
45 En terstond dwong Hij zijn discipelen naar het schip te gaan en vooruit te varen naar den overkant, naar Bethsaïda, terwijl Hij de schare van zich zou laten.
45 Mar ta’imonamo Jesu ana bai’ufununayah iuwih wa hisra’at au Bethsaida wan iyafarih hirabon naatu i baise ma sabuw itubabarih hai ubar hin.
46 En als Hij van hen afscheid had genomen, ging Hij naar een berg om te bidden.
46 Sabuw itubarih hinan ufunamaim yoyobanamih yen in oyaw wan tit.
47 En toen het avond was geworden, was het schip in het midden der zee, en Hij alleen was op het land;
47 Birabirab auman wa re in kuyowen naatu Jesu akisinamo i me yanamaim ma.
48 En als Hij zag dat zij veel moeite hadden om voort te roeien— want zij hadden tegenwind— kwam Hij omtrent de vierde nachtwake tot hen, wandelende op de zee, en Hij wilde hen voorbijgaan.
48 Ana bai’ufununayah i’itih i hiboy hibi’akir, anayabin yourabad nahine bababin, mar tot auman Jesu tit riy yan bat remor in biyah tit tanatabirihimih.
49 Maar toen zij Hem op de zee zagen wandelen, meenden zij dat het een spooksel was en zij schreeuwden het uit.
49 Baise hinuw harew yan bat remor nan hi’itin ana veya wagabur mowan ta hirouw hitar koukuw.
50 Want zij zagen Hem allen en werden ontroerd. Maar Hij sprak terstond met hen en zeide tot, hen: Hebt moed, Ik ben het, vreest niet!
50 Anayabin Jesu iti na’atube sinaf hi’itin i hibir men kikimin ta, baise Jesu matan kabiy iuwih eo, “Ya hinakwat! Men kwanabirumih! Ayu anan.”
51 En Hij klom tot hen in het schip en de wind bedaarde; en zij waren in zich zelven bovenmate zeer ontroerd,
51 Naatu wa afe’en yen nuwarob eafuw ana bai’ufununayah hifofofor men kafaita.
52 want zij hadden niet opgelet bij de brooden, maar hun hart was verhard.
52 Anayabin rafiy bimasib ana kirikirifot men hiso’ob, baise dogorohine i fokar.
53 En toen zij waren overgevaren naar het land, kwamen zij naar Gennesaret en leiden daar aan.
53 Naatu harew hirabon tafaram Genesaret imaim hirun hai wa hirouw,
54 En toen zij uit het schip gegaan waren herkenden ze Hem terstond,
54 wa’ane hitit hirara’iy ana veya sabuw Jesu hi’itin hi’inan.
55 en zij liepen dat geheele land rond en begonnen op bedden de kranken om te dragen daar waar zij hoorden dat Hij was;
55 Naatu nati tafaram wanawanan sabuw himatkabikabiy hinunuw sawusawuwih emo’em hiwan hi’abar Jesu ana tur hinonowar imaim hi’abar hin.
56 en overal waar Hij kwam, naar dorpen, of steden, of vlekken, leiden zij de zieken op de markten, en baden Hem dat zij maar den zoom van zijn kleed mochten aanraken; en zoovelen Hem aanraakten, werden genezen.
56 Bar merar kikimin o gagamin, naatu masaw bar imaim inan ana tur hinonowar, sawusawuwih hibow hitit ahar efanamaim hiya hifefeyan hai kok i mi’itube ana waifuw yomaninawat hitabutubun. Naatu sabuw etei Jesu hibubutubun iyawasih.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Marcos 6, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.