Marcos 2

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 En na eenige dagen kwam Jezus wederom naar Kapernaüm, en men hoorde dat Hij te huis was.
1 E, novamente, ele entrou em Cafarnaum depois de alguns dias, e divulgou-se que ele estava na casa.
2 En velen verzamelden zich, zoodat er geen plaats meer was, zelfs niet bij de deur; en Hij sprak het woord tot hen.
2 E imediatamente muitos se reuniram, de modo que não havia lugar para recebê-los, nem mesmo diante da porta; e ele lhes pregava a palavra.
3 En zij kwamen en brachten tot Hem een lamme, die door vier gedragen werd.
3 E vieram até ele, trazendo um paralítico, que era carregado por quatro.
4 En omdat zij niet bij Hem konden komen ter oorzake van de menigte, namen zij het dak weg waar Hij was, en toen zij een opening gemaakt hadden lieten zij het bed naar beneden, waar de lamme op lag.
4 E, eles não podendo aproximar-se dele, por causa da multidão, destaparam o telhado onde estava; e, fazendo uma abertura, eles baixaram o leito onde estava deitado o paralítico.
5 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den lamme: Zoon, de zonden zijn u vergeven!
5 E Jesus vendo a fé deles, disse ao paralítico: Filho, teus pecados estão perdoados.
6 Er waren nu sommigen van de schriftgeleerden daar gezeten, die in hun harten redeneerden:
6 Mas estavam ali assentados alguns escribas, que argumentavam em seus corações:
7 Hoe spreekt deze alzoo? Hij lastert! — Wie kan zonden vergeven, dan God alleen?
7 Por que fala este homem blasfêmias? Quem pode perdoar pecados, senão Deus?
8 En terstond bekende Jezus in zijn geest dat zij alzoo redeneerden in zich zelven, en zeide tot hen: Wat beredeneert gij deze dingen in uw harten?
8 E imediatamente quando Jesus percebeu em seu espírito que argumentavam entre si, disse-lhes: Por que argumentais sobre estas coisas em vossos corações?
9 Wat is gemakkelijker, tot den lamme te zeggen: Uw zonden zijn vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw bed op en ga heen!
9 O que é mais fácil dizer ao paralítico: Teus pecados estão perdoados; ou dizer: Levanta-te, e toma o teu leito, e anda?
10 Maar opdat gij weten moogt dat de Zoon des menschen macht heeft op aarde om zonden te vergeven, — toen zeide Hij tot den lamme:
10 Mas para que possas saber que o Filho do homem tem na terra poder para perdoar pecados (ele disse ao paralítico),
11 Ik zeg u, sta op, neem uw bed op en ga heen naar uw huis!
11 a ti te digo: Levanta-te, toma o teu leito, e vai pelo teu caminho para a tua casa.
12 En hij stond op en nam terstond het bed op en ging uit voor aller oogen, zoodat allen verbaasd waren en God de glorie gaven, zeggende: Zoo iets hebben wij nooit gezien!
12 E, imediatamente, ele se levantou, tomou o leito e saiu à vista de todos; de modo que todos se maravilharam e glorificaram a Deus, dizendo: Nós nunca vimos algo assim!
13 En Hij ging wederom uit naar de zee en al het volk kwam tot Hem en Hij onderwees hen.
13 E ele saiu outra vez para a beira do mar; e toda a multidão ia ter com ele, e ele os ensinava.
14 En voorbijgaande zag Hij Levi, den zoon van Alfeüs, aan het tolhuis zitten, en Hij zeide tot hem: Volg Mij na! — En opstaande volgde hij Hem na.
14 E, enquanto ele passava, viu Levi, filho de Alfeu, sentado na coletoria, e disse-lhe: Segue-me. E ele, levantando-se, o seguiu.
15 En het geschiedde dat Hij aanlag in Levi’s huis, en veel tollenaars en zondaars lagen met Jezus en zijn discipelen mede aan; want er waren er velen en zij waren Hem nagevolgd.
15 E aconteceu que, quando Jesus reclinou-se para comer em sua casa, muitos publicanos e pecadores reclinaram-se também junto com Jesus e seus discípulos; porquanto eram muitos, e eles o seguiam.
16 En de schriftgeleerden en fariseërs, als ze zagen dat Hij at met de tollenaars en zondaars, zeiden tot zijn discipelen: Waarom eet en drinkt Hij met de tollenaars en zondaars?
16 E quando os escribas e fariseus viram-no comendo com publicanos e pecadores, disseram aos seus discípulos: Por que ele come e bebe com publicanos e pecadores?
17 En Jezus dit hoorende zeide tot hen: Niet de gezonden hebben een geneesmeester noodig, maar de zieken; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars!
17 E Jesus ouvindo isto, disse-lhes: Os sãos não necessitam de médico, mas os que estão enfermos; eu não vim para chamar os justos, mas os pecadores ao arrependimento.
18 En de discipelen van Johannes en van de fariseërs waren vastende, en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en die der fariseërs, maar uw discipelen vasten niet?
18 E os discípulos de João e os fariseus jejuavam; e vieram e disseram-lhe: Por que jejuam os discípulos de João e os dos fariseus, mas os teus discípulos não jejuam?
19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen dan de bruiloftsgasten vasten terwijl de bruidegom bij hen is? Zoolang zij den bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten!
19 E respondeu-lhes Jesus: Podem os convidados do noivo jejuar enquanto o noivo está com eles? Enquanto eles têm consigo o noivo, não podem jejuar.
20 maar er zullen dagen komen, als de bruidegom van hen is weggenomen, en dan zullen zij vasten in dien dag!
20 Mas dias virão em que lhes será tirado o noivo, e então hão de jejuar naqueles dias.
21 Niemand toch naait een stuk ongekrompen laken op een oud kleed; anders scheurt het ingezette stuk, dat nieuw is, van het oude af, en de scheur wordt erger.
21 Nenhum homem põe um pedaço de pano novo em roupa velha, do contrário o remendo novo rompe o velho, e faz-se maior o rasgo.
22 En niemand giet jongen wijn in oude zakken, anders doet de wijn de zakken barsten, en de wijn wordt uitgestort, en de zakken gaan verloren; maar jongen wijn moet men in nieuwe zakken gieten.
22 E nenhum homem põe vinho novo em odres velhos; do contrário o vinho novo rompe os odres, e o vinho se derrama, e os odres se perdem; mas vinho novo deve ser colocado dentro de odres novos.
23 En het geschiedde dat Hij op den sabbat door het korenveld ging, en zijn discipelen begonnen al gaande, aren te plukken.
23 E aconteceu que ele passou entre os campos de trigo no dia do shabat; e os seus discípulos começaram, enquanto eles iam, a arrancar espigas de trigo.
24 En de fariseërs zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op den sabbat wat niet geoorloofd is?
24 E os fariseus lhe disseram: Vê, por que eles estão fazendo no dia do shabat o que não é lícito?
25 En Hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen, wat David gedaan heeft, toen hij gebrek had en honger had, en zij die met hem waren?
25 Mas ele disse-lhes: Nunca lestes o que fez Davi, quando teve necessidade e estava faminto, ele e os que com ele estavam?
26 Hoe hij is ingegaan in het huis Gods, ten tijde van Abjathar den hoogepriester, en de toonbrooden heeft gegeten, die niemand mag eten dan alleen de priesters, en dat hij gegeven heeft ook aan degenen die met hem waren?
26 Como entrou na casa de Deus, nos dias de Abiatar, sumo sacerdote, e comeu os pães da proposição, dos quais não era lícito comer senão aos sacerdotes, e deu também aos que com ele estavam?
27 En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den mensch, en niet de mensch om den sabbat.
27 E disse-lhes: O shabat foi feito para o homem, e não o homem para o shabat.
28 Zoo is de Zoon des menschen Heer, ook van den sabbat!
28 Portanto o Filho do homem é Senhor também do shabat.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Marcos 2, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.