Marcos 13
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ
BKJ BKJ
1 En toen Jezus uit den tempel ging zeide een zijner discipelen tot Hem: Meester, zie eens, hoedanige steenen en hoedanige gebouwen!
1 E, quando ele saía do templo, disse-lhe um dos seus discípulos: Mestre, vê que tipo de pedras e que construções estão aqui!
2 En Jezus zeide tot hem: Gij ziet die groote gebouwen? — geen twee steenen zullen op elkander gelaten worden, die niet zullen afgebroken worden!
2 E, respondendo Jesus, disse-lhe: Vês estas grandes construções? Não se deixará aqui uma pedra sobre outra que não seja derrubada.
3 En toen Hij op den Berg der Olijven zat, tegenover den tempel, vroegen Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andreas Hem afzonderlijk:
3 E, assentando-se ele no monte das Oliveiras, defronte do templo, Pedro, e Tiago, e João e André lhe perguntaram em particular:
4 Zeg ons, wanneer zal dat zijn? en wat is het teeken, als dit alles zal volbracht worden?
4 Dize-nos, quando serão essas coisas? E qual será o sinal quando todas estas coisas estiverem para se cumprir?
5 En Jezus begon tot hen te zeggen: Ziet toe, dat u niemand verleide!
5 E Jesus, respondendo-lhes, começou a dizer: Acautelai-vos para que nenhum homem vos engane;
6 Velen zullen komen onder mijn Naam, zeggende: Ik ben het! en zij zullen velen verleiden.
6 porque muitos virão em meu nome, dizendo: Eu sou o Cristo; e enganarão a muitos.
7 Als gij dan hooren zult van oorlogen en oorlogsgeruchten, verschrikt niet! want dit moet geschieden, maar nog is het einde er niet.
7 E, quando ouvirdes de guerras e de rumores de guerras, não vos perturbeis; porque todas essas coisas necessitam acontecer, mas ainda não será o fim.
8 Want volk zal tegen volk opstaan, en koninkrijk tegen koninkrijk; aardbevingen zullen er allerwege zijn, en hongersnooden! — Dat is het begin der smarten.
8 Pois nação se levantará contra nação, e reino contra reino; e haverá terremotos em vários lugares, e haverá fomes e tribulações; essas coisas são o princípio das dores.
9 Maar ziet gij toe voor u zelven; want zij zullen u overleveren aan de raadsvergaderingen, en in de synagogen zult gij geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden om Mijnentwille, tot een getuigenis voor hen.
9 Mas fiquem atentos por vós mesmos; porque eles vos entregarão aos conselhos, e nas sinagogas sereis açoitados; e sereis levados perante governadores e reis por minha causa, para um testemunho contra eles.
10 En aan al de volken moet eerst het Evangelie gepredikt worden.
10 E o evangelho deve ser primeiramente pregado entre todas as nações.
11 En als zij u wegvoeren en overleveren, weest dan te voren niet bekommerd wat gij zeggen zult, maar wat u zal worden gegeven in die ure, spreekt dat; want gij zijt het niet die spreekt, maar de Heilige Geest.
11 Mas quando eles vos conduzirem e vos entregarem, não penseis de antemão sobre o que haveis de falar, nem premediteis; mas, o que vos for dado naquela hora, isso falai; porque não sois vós que falais, mas sim o Espírito Santo.
12 En de eene broeder zal den anderen broeder overgeven tot den dood, en een vader zijn kind, en kinderen zullen opstaan tegen ouders en zullen hen dooden;
12 Ora, o irmão entregará à morte o irmão, e o pai ao filho; e levantar-se-ão os filhos contra os seus pais, e eles farão com que sejam entregues à morte.
13 en gij zult gehaat zijn door allen om mijns Naams wil; maar die zal volharden tot den einde, die zal behouden worden.
13 E sereis odiados de todos os homens por causa do meu nome; mas aquele que perseverar até ao fim será salvo.
14 Wanneer gij dan den gruwel der verwoesting zult zien staan waar hij niet mag zijn—( die het leest lette er op! — dat dan die in Judea zijn naar de bergen vluchten;
14 Mas, quando vós virdes a abominação da desolação, predita pelo profeta Daniel, de pé onde não deveria (quem lê, compreenda), então os que estiverem na Judeia fujam para os montes;
15 die dan op het dak is, kome niet naar beneden in zijn huis, en ga niet uit om iets uit zijn huis weg te nemen;
15 e não deixai o que estiver sobre o telhado descer para a casa, nem entrar nela, para levar alguma coisa de sua casa;
16 en die op den akker is, keere niet terug om zijn kleed weg te nemen!
16 e não deixai voltar o que estiver no campo para buscar o seu manto.
17 Maar wee den zwangeren en den zogenden in die dagen!
17 Mas ai das grávidas e das que amamentarem naqueles dias!
18 Bidt dus, dat dit niet voorvalle in den winter!
18 E orai para que a vossa fuga não seja no inverno.
19 Want in die dagen zal er een verdrukking zijn, zooals er geene is geweest van het begin der schepping, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.
19 Porque naqueles dias haverá aflição, tal como nunca houve desde o princípio da criação que Deus criou, até agora, nem haverá jamais.
20 En zoo de Heere die dagen niet verkort had, geen vleesch zou behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen, die Hij uitverkoren heeft, heeft Hij die dagen verkort.
20 E, se o Senhor não abreviasse aqueles dias, nenhuma carne se salvaria; mas, por causa dos eleitos, que ele escolheu, abreviou aqueles dias.
21 En als iemand dan tot ulieden zal zeggen: Zie hier, de Christus! — zie daar! — gelooft het niet.
21 E então, se algum homem vos disser: Eis que o Cristo está aqui; ou: Ele está ali; não o acrediteis.
22 Want schijnchristussen en schijnprofeten zullen er opstaan, en zij zullen mirakelen doen en teekenen om te verleiden, als het mogelijk was, zelfs de uitverkorenen.
22 Porque se levantarão falsos Cristos, e falsos profetas, e farão sinais e maravilhas, para seduzir, se possível fora, até os eleitos.
23 Maar ziet gijlieden toe; Ik heb u alles voorzegd!
23 Ficai atentos: Eis que eu tenho predito todas as coisas.
24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon duister worden, en de maan zal haar licht niet geven,
24 Mas naqueles dias, após a tribulação, o sol se escurecerá, e a lua não dará a sua luz,
25 en de sterren zullen uit den hemel vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen beroerd worden;
25 e as estrelas cairão do céu, e os poderes que estão no céu serão abalados.
26 en alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien komen in wolken, met veel kracht en glorie;
26 E, então verão vir o Filho do homem nas nuvens, com grande poder e glória.
27 en alsdan zal Hij de engelen zenden en zal de uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het uiteinde der aarde tot het uiteinde des hemels.
27 E, então ele enviará os seus anjos, e ajuntará os seus eleitos, desde os quatro ventos, da extremidade da terra até a extremidade do céu.
28 Van den vijgeboom nu leert gij deze gelijkenis: Zoodra zijn tak zacht wordt en de bladeren uitbotten, dan weet gij dat de zomer nabij is.
28 Mas aprendei da parábola da figueira: Quando o seu ramo já está tenro, e brotam folhas, sabeis que está próximo o verão.
29 Zoo ook gijlieden, als gij die dingen ziet geschieden, dan weet gij dat het nabij is, vóór de deur.
29 Assim também vós, quando virdes acontecer estas coisas, sabei que está perto, às portas.
30 Voorwaar, Ik zeg ulieden, dat deze natie niet zal voorbijgaan, totdat dit alles zal geschied zijn.
30 Na verdade eu vos digo que não passará esta geração, até que todas essas coisas sejam feitas.
31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan!
31 O céu e a terra passarão, mas as minhas palavras não passarão.
32 Maar van dien dag of die ure weet niemand, noch de engelen in den hemel, noch de Zoon, maar wel de Vader.
32 Mas daquele dia e hora nenhum homem sabe, nem os anjos que estão no céu, nem o Filho, senão o Pai.
33 Ziet toe, zijt gereed en bidt! want gij weet niet wanneer het de tijd is.
33 Tomem cuidado, vigiai e orai; porque não sabeis quando chegará o tempo.
34 Het is zooals een mensch, die buitenslands ging, zijn huis verliet en zijn dienstknechten het bestuur gaf, aan een ieder zijn werk, en aan den deurwachter gebood dat hij waken zou.
34 Porque o Filho do homem é como um homem viajando para longe, que deixou a sua casa, e deu autoridade aos seus servos, e a cada homem seu trabalho, e ordenou ao porteiro que vigiasse.
35 Waakt dan, want gij weet niet wanneer de heer des huizes komt, of laat, of des middernachts, of tegen den morgen, of des morgens vroeg!
35 Vigiai, portanto; porque não sabeis quando virá o senhor da casa, à tarde, ou à meia-noite, ao cantar do galo, ou pela manhã;
36 opdat hij, onverziens komende, u niet slapende vinde.
36 para que, vindo ele subitamente, não vos encontre dormindo.
37 En wat Ik ulieden zeg, dat zeg Ik tot allen: — Waakt!
37 E o que eu digo a vós, a todos digo: Vigiai.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Marcos 13, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.