Marcos 10
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ
BKJ BKJ
1 En Jezus stond op en ging vandaar naar de landstreken van Judea en over den Jordaan; en wederom kwamen er scharen tot Hem, en Hij onderwees hen wederom, zooals Hij gewoon was.
1 E ele levantando-se dali, foi para o litoral da Judeia, além do Jordão; e novamente a multidão recorre a ele; e, como era seu costume, ele os ensinou novamente.
2 En de fariseërs kwamen tot Hem en vroegen Hem of het een man geoorloofd is zijn vrouw te verlaten, — Hem verzoekende.
2 E os fariseus vindo até ele, perguntaram-lhe, tentando-o: É lícito ao homem repudiar sua mulher?
3 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wat heeft Mozes u geboden?
3 E ele, respondendo, disse-lhes: O que Moisés vos ordenou?
4 En zij zeiden: Mozes heeft toegestaan een akte van scheiding te schrijven en haar te verlaten.
4 E eles disseram: Moisés permitiu escrever carta de divórcio e repudiá-la.
5 Maar Jezus zeide tot hen: Om uw verhardheid van harte heeft hij voor ulieden dit gebod geschreven;
5 E Jesus, respondendo, disse-lhes: Pela dureza dos vossos corações ele vos escreveu esse mandamento.
6 maar van het begin der schepping af heeft God hen man en vrouw gemaakt.
6 Mas desde o princípio da criação, Deus os fez macho e fêmea.
7 Daarom zal een mensch zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aanhangen,
7 Por isso deixará o homem pai e mãe, e se unirá à sua esposa;
8 en die twee zullen zijn tot één vleesch, zoodat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch.
8 e eles dois serão uma só carne; e assim não são mais dois, mas uma só carne.
9 Wat God dan heeft vereenigd, dat scheide de mensch niet!
9 Portanto, o que Deus uniu, nenhum homem o separe.
10 En tehuis vroegen de discipelen Hem wederom over deze zaak;
10 E, em casa, os seus discípulos o perguntaram novamente acerca do mesmo assunto.
11 en Hij zeide tot hen: Zoo wie zijn vrouw zal verlaten en met een andere trouwen, doet overspel tegen haar;
11 E ele lhes disse: Qualquer que despedir a sua esposa e casar com outra, comete adultério contra ela.
12 en als een vrouw haar man verlaat en met een ander trouwt, doet zij overspel.
12 E, se a mulher despedir a seu marido, e casar com outro, ela comete adultério.
13 En zij brachten kinderkens tot Hem opdat Hij die zou aanraken; maar de discipelen bestraften degenen die ze bij Hem brachten.
13 E lhe traziam criancinhas, para que as tocasse; e os seus discípulos repreendiam aos que as traziam.
14 En Jezus dit ziende nam het kwalijk en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, verhindert ze niet! want voor zoodanigen is het koninkrijk Gods.
14 Mas Jesus, vendo isto, indignou-se, e disse-lhes: Deixai vir a mim as criancinhas, e não as impeçais; porque de tais é o reino de Deus.
15 Voorwaar Ik zeg ulieden: Zoo wie het koninkrijk Gods niet zal aannemen als een kindeken, die zal er geenszins in komen!
15 Na verdade eu vos digo: Quem não receber o reino de Deus como uma criancinha, não entrará nele.
16 En Hij omhelsde ze en leide hun de handen op, en zegende ze.
16 E ele, tomando-as nos seus braços, impôs suas mãos sobre elas, e as abençoou.
17 En toen Hij op weg ging, liep er een naar Hem toe en voor Hem op de knieën vallende vroeg hij Hem: Goede Meester! wat zal ik doen om eeuwig leven te verkrijgen?
17 E, estando ele pelo caminho, veio ali alguém correndo, e ajoelhando-se diante dele, perguntou-lhe: Bom Mestre, o que farei para que eu possa herdar a vida eterna?
18 Doch Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? niemand is goed dan de eenige God!
18 E Jesus lhe disse: Por que tu me chamas bom? Ninguém é bom, a não ser um, que é Deus.
19 De geboden kent gij: Gij zult geen overspel doen, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult geen valsch getuigenis geven, gij zult niemand te kort doen, eer uw vader en uw moeder.
19 Tu sabes os mandamentos: Não cometerás adultério, não assassinarás, não furtarás, não dirás falso testemunho, não defraudarás, honra a teu pai e a tua mãe.
20 Maar hij zeide tot Hem: Meester, dit alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.
20 E ele respondeu, dizendo: Mestre, tudo isso eu tenho guardado desde a minha juventude.
21 En Jezus zag hem aan en beminde hem, en zeide tot hem: Eén zaak ontbreekt u! ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het aan de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel, en kom, en volg Mij!
21 E Jesus, olhando para ele, o amou e lhe disse: Uma coisa te falta; vai pelo teu caminho, vende tudo quanto tens, e dá-o aos pobres, e tu terás um tesouro no céu; e vem, toma a cruz, e segue-me.
22 Maar hij werd bedroefd over dat woord en ging treurig heen, want hij bezat veel goederen.
22 Mas ele, entristecendo-se com o que foi dito, foi embora afligido; pois ele tinha grandes posses.
23 En Jezus zag rond en zeide tot zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen zij die goederen bezitten, tot het koninkrijk Gods ingaan!
23 E Jesus, olhando ao redor, disse aos seus discípulos: Quão dificilmente entrarão no reino de Deus os que têm riquezas!
24 En de discipelen werden verwonderd over zijn woorden. Maar Jezus antwoordde wederom en zeide tot hen: Kinderen! hoe bezwaarlijk is het voor hen die op hun goederen vertrouwen, tot het koninkrijk Gods in te gaan!
24 E os discípulos se admiraram destas suas palavras. Mas Jesus, tornando a falar, disse-lhes: Filhos, quão difícil é, para os que confiam nas riquezas entrar no reino de Deus!
25 Gemakkelijker is het dat een kameel door het oog van de naald gaat, dan dat een rijke tot het koninkrijk Gods ingaat!
25 É mais fácil um camelo passar pelo olho da agulha, do que entrar um homem rico no reino de Deus.
26 Zij nu werden nog meer verwonderd en zeiden tot malkander: En wie kan dan behouden worden?
26 E eles ficaram extremamente admirados, dizendo entre si: Quem então, poderá ser salvo?
27 Doch Jezus zag hen aan en zeide: Bij de menschen onmogelijk, maar niet bij God! want bij God is alles mogelijk.
27 E Jesus, olhando para eles, disse: Com homens isso é impossível, mas não com Deus; porque com Deus todas as coisas são possíveis.
28 Toen begon Petrus tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd!
28 E Pedro começou a dizer-lhe: Eis que nós deixamos tudo, e te seguimos.
29 Jezus zeide: Voorwaar Ik zeg ulieden, niemand is er, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of moeder, of vader, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en om des Evangelies wil,
29 E Jesus, respondendo, disse: Na verdade eu vos digo que não há nenhum homem, que tenha deixado casa, ou irmãos, ou irmãs, ou pai, ou mãe, ou mulher, ou filhos, ou campos, por causa de mim e do evangelho,
30 of hij ontvangt honderdvoudig nu in dezen tijd huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met vervolgingen, en in de eeuw die komende is, eeuwig leven.
30 que não receba cem vezes mais, já neste tempo, em casas, e irmãos, e irmãs, e mães, e filhos, e campos, com perseguições; e no mundo vindouro a vida eterna.
31 Doch veel eersten zullen laatsten zijn, en de laatsten eersten.
31 Mas muitos que são primeiros serão últimos, e os últimos, primeiros.
32 En zij waren op weg om naar Jerusalem te gaan, en Jezus ging vóór hen uit. En zij waren verbaasd, en volgden Hem vreezende. En de twaalven wederom tot zich nemende, begon Hij tot hen te spreken over de dingen die Hem overkomen zouden:
32 E eles estavam no caminho, subindo a Jerusalém; e Jesus ia adiante deles. E eles maravilhavam-se, e seguiam-no atemorizados. E, ele tomando novamente os doze, começou a dizer-lhes as coisas que deviam acontecer com ele,
33 Ziet, wij gaan op naar Jerusalem, en de Zoon des menschen wordt overgeleverd aan de overpriesters en aan de schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordeelen, en Hem aan de heidenen overleveren,
33 dizendo: Eis que vamos para Jerusalém, e o Filho do homem será entregue aos principais sacerdotes, e aos escribas, e eles o condenarão à morte, e o entregarão aos gentios;
34 en zij zullen Hem bespotten, en Hem geeselen, en Hem bespuwen, en Hem dooden, en na drie dagen zal Hij verrijzen.
34 e eles zombarão dele, e o açoitarão, e cuspirão nele, e o matarão; e ao terceiro dia ele será ressuscitado.
35 En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, en zeiden tot Hem: Meester! wij wenschen dat Gij ons doen zult wat wij U verzoeken!
35 E Tiago e João, filhos de Zebedeu, aproximaram-se dele, dizendo: Mestre, queremos que tu nos faças o que nós desejamos.
36 En Hij zeide tot hen: Wat wilt gij dat Ik u doen zal?
36 E ele lhes disse: O que quereis que eu vos faça?
37 En zij zeiden tot Hem: Geef ons dat wij, de een aan uw rechter– en de ander aan uw linkerhand, mogen zitten in uw glorie!
37 E eles lhe disseram: Concede-nos que na tua glória nós possamos nos assentar, um à tua direita, e o outro à tua esquerda.
38 Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet wat gij begeert! Kunt gij drinken den drinkbeker dien Ik drink, of gedoopt worden met den doop waarmede Ik gedoopt word?
38 Mas Jesus lhes disse: Não sabeis o que pedis; podeis vós beber o cálice que eu bebo, e serdes batizados com o batismo com que eu sou batizado?
39 En zij zeiden tot Hem: Ja wel! — En Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker, dien Ik drink, zult gij drinken, en met den doop, waarmede Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden!
39 E eles lhe disseram: Nós podemos. Jesus, porém, disse-lhes: De fato, bebereis o cálice que eu bebo, e sereis batizados com o batismo com que eu sou batizado;
40 doch het zitten aan mijn rechter– of aan mijn linkerhand staat bij Mij niet te geven, maar is voor wie het bereid is.
40 porém, o assentar-se à minha direita, ou à minha esquerda, não é meu para dar; mas o será dado àqueles a quem está preparado.
41 En toen de tien andere aposlelen dit gehoord hadden begonnen zij het kwalijk te nemen van Jakobus en Johannes.
41 E os dez, tendo ouvido isso, começaram a indignar-se contra Tiago e João.
42 En Jezus riep hen tot zich en zeide tot hen: Gij weet dat degenen die geacht worden oversten der volken te zijn over hen heerschen, en hun grooten hebben macht over hen;
42 Mas Jesus, chamando-os a si, disse-lhes: Sabeis que os que são reconhecidos como governadores dos gentios, exercem senhorio sobre eles, e que sobre eles uns dos seus grandes exercem autoridade.
43 doch niet alzoo is het onder u, maar zoo wie wil groot worden onder u, zal uw dienaar zijn;
43 Mas não será assim entre vós; antes, qualquer que entre vós quiser tornar-se grande, será o vosso ministro,
44 en zoo wie van u de eerste wil worden, zal een knecht van allen zijn;
44 e qualquer que entre vós quiser ser o primeiro, será servo de todos.
45 want ook de Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.
45 Porque até mesmo o Filho do homem não veio para ser servido, mas para servir, e para dar a sua vida em resgate de muitos.
46 En zij kwamen naar Jericho. En als Hij Jericho uitging met zijn discipelen en een groote menigte volks, zat Bartimeüs, een blinde bedelaar, zoon van Timeüs, aan den weg.
46 E eles chegaram a Jericó; e, saindo ele de Jericó com os seus discípulos e um grande número de pessoas, Bartimeu, o cego, filho de Timeu, estava assentado ao lado da estrada, mendigando.
47 En toen hij gehoord had dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Zone Davids! Jezus! ontferm U mijner!
47 E, ele ouvindo que era Jesus de Nazaré, começou a clamar, e a dizer: Jesus, Filho de Davi, tem misericórdia de mim.
48 En velen bestraften hem, opdat hij zou zwijgen; maar des te meer riep hij: Zone Davids! ontferm U mijner!
48 E muitos mandaram que se calasse; mas ele clamava ainda mais: Filho de Davi, tem misericórdia de mim!
49 En Jezus bleef staan en zeide: Roept hem! En zij riepen den blinde en zeiden tot hem: Heb moed, sta op, Hij roept u!
49 E Jesus, parando, ordenou que ele fosse chamado; e eles chamaram o homem cego, dizendo-lhe: Tem bom ânimo, levanta-te; ele te chama.
50 En hij wierp zijn mantel af, en sprong op en kwam tot Jezus.
50 E ele, lançando de si a sua capa, levantou-se, e foi até Jesus.
51 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat wilt gij dat Ik u doen zal? — En de blinde zeide tot Hem: Meester, dat ik ziende mag worden!
51 E Jesus, respondendo, disse-lhe: O que queres que eu te faça? E o homem cego lhe disse: Senhor, que eu receba a minha visão.
52 Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden! — En terstond werd hij ziende, en volgde Hem op den weg.
52 E Jesus lhe disse: vai no teu caminho, a tua fé te curou. E ele imediatamente recebeu visão, e seguiu a Jesus pelo caminho.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Marcos 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.