Lucas 9
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ
BKJ BKJ
1 En Jezus riep zijn twaalf discipelen samen en gaf hun macht en kracht over al de booze geesten en om ziekten te genezen;
1 Então, ele chamando os seus doze discípulos, lhes deu poder e autoridade sobre todos os demônios, e para curarem doenças.
2 en zond hen heen om te prediken het koninkrijk Gods en om kranken te genezen.
2 E ele enviou-os para pregar o reino de Deus, e para curar os doentes.
3 En Hij zeide tot hen: Neemt niets mede op den weg, geen staf, geen reiszak, geen brood, geen geld en ook zal geen uwer twee rokken hebben;
3 E ele disse-lhes: Nada leveis convosco para vossa jornada, nem bordões, nem alforje, nem pão, nem dinheiro; nem tenhais duas túnicas.
4 en in welk huis gij zult ingaan, blijft daar totdat gij vandaar weggaat.
4 E em qualquer casa em que entrardes, nela permanecei, e dali partireis.
5 En zoovelen u niet zullen ontvangen, schudt dan bij het weggaan uit die stad ook het stof van uw voeten af, tot een getuigenis tegen hen.
5 E onde quer que não vos receberem, saindo daquela cidade, sacudi a poeira de vossos pés, como testemunho contra eles.
6 En zij gingen heen en trokken door de dorpen, overal het Evangelie verkondigende en genezende.
6 E, eles partindo, foram pelas aldeias, pregando o evangelho, e curando em todos os lugares.
7 Herodes nu, de viervorst, hoorde al wat er geschied was en was in verlegenheid, omdat door sommigen gezegd werd dat Johannes was verrezen uit de dooden,
7 Ora, o tetrarca Herodes ouviu tudo que estava sendo feito por ele, e ficou perplexo, porque alguns diziam que João ressuscitara dentre os mortos,
8 en door sommigen dat Elias verschenen was, en door anderen dat een der oude profeten was verrezen.
8 e alguns que Elias tinha aparecido, e outros que um profeta dos antigos havia ressuscitado.
9 Herodes dan zeide: Johannes heb ik onthoofd! wie is dan deze van wien ik zulke dingen hoor? — En hij zocht Hem te zien.
9 E disse Herodes: A João decapitei; mas quem é este do qual eu ouço dizer tais coisas? E ele desejava vê-lo.
10 En toen de apostelen teruggekeerd waren, vertelden zij Hem al wat zij gedaan hadden. En Hij nam hen mede en vertrok naar de eenzaamheid, naar een stad genaamd Bethsaïda.
10 E quando os apóstolos retornaram, contaram-lhe tudo o que eles haviam feito. E, tomando-os, retirou-se à parte, para um lugar deserto pertencente a uma cidade chamada Betsaida.
11 Toen de scharen dit bemerkten volgden zij Hem, en Hij ontving hen en sprak tot hen over het koninkrijk Gods en die genezing van noode hadden maakte Hij gezond.
11 E as pessoas, sabendo isto, seguiram-no; e ele as recebeu, e falava-lhes do reino de Deus, e curava os que necessitavam de cura.
12 En de dag begon te dalen. De twaalven nu kwamen tot Hem en zeiden: Laat de schare vertrekken, opdat zij in de omliggende dorpen en vlekken gaan overnachten en voedsel vinden, want hier zijn wij in een eenzame plaats.
12 E quando o dia começou a declinar, vindo os doze, disseram-lhe: Despede a multidão, para que indo às aldeias e nas regiões ao redor, se hospedem, e consigam mantimentos, porque aqui estamos em um lugar deserto.
13 Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten! Zij nu zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf brooden en twee visschen, tenzij wij heengaan en spijze koopen voor al dit volk!
13 Mas ele disse-lhes: Dai-lhes vós de comer. E eles disseram: Nós não temos senão cinco pães e dois peixes, exceto se nós formos comprar comida para todo este povo.
14 Er waren nu omtrent vijf duizend mannen. Maar Hij zeide tot zijn discipelen: Doet hen nederzitten bij troepen, elk van vijftig.
14 Porque eles eram cerca de cinco mil homens. E ele disse aos seus discípulos: Fazei-os assentar em grupos de cinquenta.
15 En zij deden alzoo en lieten allen nederzitten.
15 E assim eles fizeram, fazendo-os assentar a todos.
16 En Hij nam de vijf brooden en de twee visschen en zag op naar den hemel en zegende die en brak ze, en gaf ze aan de discipelen om ze aan de schare voor te zetten.
16 Então, ele tomou os cinco pães e os dois peixes, e olhando para o céu, ele abençoou-os, e partiu-os, e deu-os aos seus discípulos para os colocarem diante da multidão.
17 En zij zaten allen en werden verzadigd, en hetgeen hun aan brokken overschoot, werd opgenomen, twaalf korven.
17 E todos comeram e se fartaram; e foram tomados doze cestos dos pedaços que sobraram.
18 En het geschiedde toen Hij in de eenzaamheid biddende was, dat de discipelen bij Hem waren; en Hij vroeg hun, zeggende: Wie zeggen de scharen dat Ik ben?
18 E aconteceu que, enquanto ele orava a sós, estavam com ele os discípulos, e ele lhes perguntou, dizendo: Quem dizem as pessoas que eu sou?
19 Zij antwoordden en zeiden: Johannes de Dooper; en anderen Elias; en anderen dat er een profeet van de oude tijden is verrezen.
19 E, respondendo eles, disseram: João, o Batista; mas alguns dizem: Elias, e outros dizem que um dos antigos profetas está ressuscitado novamente.
20 En Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? En Petrus antwoordde en zeide: De Gezalfde Gods!
20 E disse-lhes: Mas vós, quem dizeis que eu sou? E, respondendo Pedro, disse: O Cristo de Deus.
21 En Hij beval hun streng dit aan niemand te zeggen,
21 E advertindo-os com rigor, ordenou-lhes que não contassem a nenhum homem estas coisas,
22 en zeide: De Zoon des menschen moet veel lijden en verworpen worden van de oudsten, en overpriesters, en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.
22 dizendo: O Filho do Homem tem que sofrer muitas coisas, e ser rejeitado pelos anciãos, e pelos principais sacerdotes e pelos escribas, e ser morto, e ser ressuscitado ao terceiro dia.
23 En Hij zeide tot allen: Zoo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zich zelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij!
23 E dizia a todos eles: Se algum homem quiser vir após mim, negue-se a si mesmo, e diariamente tome a sua cruz, e siga-me.
24 Want zoo wie zijn leven zal willen behouden die zal het verliezen; maar zoo wie zijn leven zal verliezen om Mijnentwille, die zal het behouden.
24 Porque aquele que quiser salvar a sua vida, perdê-la-á; mas quem perder a sua vida por minha causa, este salva-la-á.
25 Want welk profijt heeft de mensch, als hij de geheele wereld wint, maar zich zelven verderft of te gronde richt?
25 Pois que vantagem tem ao homem em ganhar o mundo inteiro, se ele se perde ou se destrói a si mesmo?
26 Want zoo wie zich over Mij en mijn woorden zal schamen, over dien zal ook de Zoon des menschen zich schamen, als Hij komt in zijn glorie en in die zijns Vaders en der heilige engelen.
26 Porquanto, qualquer que se envergonhar de mim e das minhas palavras, dele se envergonhará o Filho do homem, quando ele vier em sua própria glória, e na de seu Pai e dos santos anjos.
27 Maar Ik zeg u: Waarlijk, sommigen dergenen die hier staan zullen den dood in ‘t geheel niet smaken, totdat zij het koninkrijk Gods zullen gezien hebben!
27 Mas em verdade eu vos digo: Há alguns, dos que estão aqui, que não provarão a morte até que vejam o reino de Deus.
28 Omtrent acht dagen nu na deze woorden geschiedde het dat Hij Petrus en Johannes en Jakobus met zich nam en op den berg klom om te bidden.
28 E aconteceu que, quase oito dias depois destes dizeres, ele tomou consigo a Pedro, a João e a Tiago, e subiu ao monte a orar.
29 En terwijl Hij bad werd de gedaante van zijn aangezicht veranderd en zijn kleederen werden glinsterend wit.
29 E enquanto ele orava, foi alterada a aparência da sua face, e a sua veste estava branca e resplandecente.
30 En ziet, twee mannen spraken met Hem; het waren Mozes en Elias.
30 E eis que estavam falando com ele dois homens, que eram Moisés e Elias,
31 Deze, in glorie verschenen, zeiden Hem welk een uitgang Hij zou volbrengen in Jerusalem.
31 os quais apareceram em glória, e falavam da sua morte, a qual havia de cumprir-se em Jerusalém.
32 Petrus nu en die met hem waren, waren zeer slaperig; maar wakker blijvende zagen zij zijn glorie en de twee mannen die bij Hem stonden.
32 Mas Pedro e os que estavam com ele estavam carregados de sono; e, quando eles acordaram, viram a sua glória, e aqueles dois homens que estavam com ele.
33 En toen deze van Hem zouden scheiden zeide Petrus tot Jezus: Meester, het is goed dat wij hier zijn, en laat ons drie tenten maken, een voor U, en een voor Mozes, en een voor Elias, niet wetende wat hij zeide.
33 E aconteceu que, quando aqueles se apartaram dele, Pedro disse a Jesus: Mestre, é bom estarmos aqui; façamos aqui três tabernáculos, um para ti, um para Moisés, e um para Elias; não sabendo o que dizia.
34 En terwijl hij dit zeide kwam er een wolk die hen overschaduwde; en toen zij de wolk ingingen werden zij bevreesd.
34 Enquanto ele ainda falava, veio uma nuvem que os cobriu; e eles se atemorizaram ao entrarem na nuvem.
35 En er kwam een stem uit de wolk die zeide: Deze is mijn Zoon, de Beminde, hoort Hem!
35 E saiu da nuvem uma voz que dizia: Este é o meu Filho amado; a ele ouvi.
36 En toen de stem geschied was werd Jezus alleen gevonden; en zij zwegen en vertelden in die dagen aan niemand iets van hetgeen zij gezien hadden.
36 E quando a voz passou, Jesus foi achado só. E eles guardaram silêncio, e naqueles dias não contaram a nenhum homem daquelas coisas que tinham visto.
37 En het geschiedde den volgenden dag. toen zij van den berg afgekomen waren, dat een groote schare Hem te gemoet kwam.
37 E aconteceu que, no dia seguinte, descendo eles do monte, veio ao encontro dele uma grande multidão.
38 En ziet, een man uit het volk riep uit en zeide: Meester, ik smeek U, zie toch op mijn zoon, want hij is mijn eenige!
38 E, eis que um homem da multidão gritou, dizendo: Mestre, eu te suplico que olhes para meu filho, porque ele é meu único filho.
39 En ziet, een geest neemt hem en dan schreeuwt hij in eens het uit; en hij smijt hem heen en weer totdat hij schuimbekt; en nauwelijks wijkt hij van hem terwijl hij hem beukt;
39 Eis que um espírito o toma, e ele de repente grita; e ele toma-o até ele espumar novamente, e com dificuldade o abandona, ferindo-o.
40 En uw discipelen heb ik gesmeekt om hem uit te werpen, maar zij konden niet.
40 E eu pedi aos teus discípulos que o expulsassem, e eles não puderam.
41 Toen antwoordde Jezus en zeide: O, ongeloovig en verkeerd geslacht! tot hoelang zal Ik bij u zijn en u verdragen? breng uw zoon hier!
41 E, respondendo Jesus, disse: Ó geração incrédula e perversa! Até quando eu estarei contigo e vos suportarei? Traze-me aqui o teu filho.
42 En nog terwijl hij aankwam scheurde hem de booze geest en smeet hem heen en weer; maar Jezus bestrafte den onzuiveren geest, en genas den jongen en gaf hem aan zijn vader.
42 E, quando ele se aproximava, o demônio o derrubou e o agitou. E Jesus repreendeu o espírito imundo, e curou o menino, e o entregou novamente ao seu pai.
43 En allen stonden versteld over de grootheid Gods. Toen nu allen zich verwonderden over alles wat Hij deed, zeide Jezus tot zijn discipelen:
43 E todos se maravilhavam da grandeza do poder de Deus. Mas enquanto todos maravilhavam-se de todas as coisas que Jesus fazia, ele disse aos seus discípulos:
44 Legt gij deze woorden in uw ooren, want de Zoon des menschen zal worden overgeleverd in de handen der menschen.
44 Deixai estas palavras em vossos ouvidos; porque o Filho do homem será entregue nas mãos dos homens.
45 Maar zij verstonden dit woord niet en het was voor hen verborgen, zoodat zij het niet begrepen; en zij durfden Hem niet over dit woord vragen.
45 Mas eles não entenderam esta palavra, e foi-lhes encoberto, para que não o percebessem. E eles temiam interrogá-lo a esse respeito.
46 Er ontstond nu een redeneering onder hen, wie van hen toch wel de grootste mocht zijn.
46 Então, suscitou-se entre eles uma discussão sobre qual deles seria o maior.
47 Maar Jezus kende de redeneering van hun hart en nam een kind en stelde dat bij zich,
47 E Jesus, percebendo o pensamento de seus corações, tomou uma criança, colocou-a ao seu lado,
48 en zeide tot hen: Zoo wie dit kind aanneemt in mijn Naam, die neemt Mij aan, en zoo wie Mij zal aannemen, neemt Hem aan die Mij heeft gezonden; want wie de minste onder u allen is, die is groot.
48 e disse-lhes: Qualquer que receber esta criança em meu nome, recebe a mim; e qualquer que receber a mim, recebe aquele que me enviou; porque aquele que entre vós todos for o menor, esse será o maior.
49 Johannes nu antwoordde en zeide: Meester, wij hebben iemand in uw Naam booze geesten zien uitwerpen, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U met ons niet volgt.
49 E, respondendo João, disse: Mestre, nós vimos alguém expulsando demônios em teu nome e proibimo-lo, porque ele não segue conosco.
50 Maar Jezus zeide tot hem: Verbiedt het niet, want wie niet tegen u is, die is vóór u.
50 E Jesus lhe disse: Não o proibais; porque quem não é contra nós, é por nós.
51 En toen de dagen vervuld werden dat Hij zou opgenomen worden, richtte Hij zijn aangezicht om naar Jerusalem te reizen,
51 E aconteceu que, tendo chegado o tempo para a sua ascensão ele fixou sua face para ir a Jerusalém,
52 en Hij zond boden uit voor zijn aangezicht; en deze gingen uit en kwamen in een stad der Samaritanen om voor Hem herberg te bereiden.
52 e enviou mensageiros à sua frente, e eles foram e entraram em uma aldeia dos samaritanos, para lhe fazer os preparativos.
53 En zij ontvingen Hem niet, omdat zijn gelaat was gekeerd naar Jerusalem.
53 E eles não o receberam, porque o seu rosto estava voltado para Jerusalém.
54 De discipelen Jakobus en Johannes nu, dit ziende, zeiden: Heere, wilt Gij dat wij zeggen dat er vuur nederdale van den hemel en hen verslinde?
54 E quando os seus discípulos, Tiago e João, viram isso, eles disseram: Senhor, queres que ordenemos que desça fogo do céu para os consumir, assim como fez Elias?
55 Maar Hij keerde zich om en bestrafte hen, en zeide: Gij weet niet van welken geest gij zijt!
55 Mas, ele voltando-se, repreendeu-os, e disse: Não sabeis de que tipo de espírito sois vós.
56 Want de Zoon des menschen is niet gekomen om de zielen der menschen te verderven, maar te behouden.
56 Porque o Filho do homem não veio para destruir a vida dos homens, mas para salvá-los. E eles foram para outra aldeia.
57 En zij gingen naar een ander dorp; en terwijl zij langs den weg gingen zeide iemand tot Hem: Ik zal U volgen, Heere, waar Gij ook heengaat!
57 E aconteceu que, indo eles pelo caminho, um certo homem lhe disse: Senhor, eu desejo te seguir para onde quer que tu fores.
58 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge!
58 E Jesus lhe disse: As raposas têm tocas, e as aves do céu têm ninhos, mas o Filho do homem não tem onde reclinar a sua cabeça.
59 Hij nu zeide tot een ander: Volg Mij! Maar die zeide: Laat mij toe, Heere, eerst heen te gaan en mijn vader te begraven!
59 E ele disse a outro: Segue-me. Mas ele disse: Senhor, permite-me ir primeiro enterrar o meu pai.
60 Maar Jezus zeide tot hem: Laat de dooden hun dooden begraven; maar gij, ga heen en verkondig het koninkrijk Gods.
60 Jesus lhe disse: Deixa que os mortos enterrem os seus mortos; mas vai tu e prega o reino de Deus.
61 En ook een ander zeide: Ik zal U volgen, Heere! maar laat mij eerst toe afscheid te nemen van mijn huisgenooten!
61 E outro também disse: Senhor, eu desejo te seguir, mas deixa-me primeiro despedir-me dos que estão em minha casa.
62 Tot hem nu zeide Jezus: Niemand die zijn hand aan den ploeg geslagen heeft en omziet naar hetgeen achter is, is bekwaam voor Gods koninkrijk.
62 E Jesus lhe disse: Nenhum homem, tendo posto a mão no arado, e olhando para trás, é apto para o reino de Deus.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lucas 9, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.