Lucas 24

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 Op den eersten dag nu der week, in den vroegen morgen, gingen de vrouwen naar het graf, dragende de specerijen die zij bereid hadden.
1 Ora, no primeiro dia da semana, muito cedo de manhã, elas foram ao sepulcro, levando as especiarias que tinham preparado, e algumas outras com elas.
2 En zij vonden den steen van het graf afgewenteld.
2 E elas acharam a pedra do sepulcro revolvida.
3 En daarin gegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heere Jezus niet.
3 E, elas entrando, não acharam o corpo do Senhor Jesus.
4 En het geschiedde, toen zij daarover in verlegenheid waren, ziet, twee mannen stonden bij haar in schitterende kleeding.
4 E aconteceu que, estando elas muito perplexas a esse respeito, eis que pararam junto delas dois homens com vestes resplandecentes;
5 En daar zij bevreesd werden en het aangezicht naar den grond sloegen, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den levende bij de dooden?
5 e, estando elas com medo, e abaixando as suas faces para o chão, eles lhes disseram: Por que procurais o vivo dentre os mortos?
6 Hij is hier niet, maar Hij is verrezen; gedenkt hoe Hij tot u gesproken heeft als Hij nog in Galilea was,
6 Ele não está aqui, mas está ressuscitado; lembrai-vos como ele vos falou, estando ainda na Galileia,
7 zeggende: De Zoon des menschen moet overgeleverd worden in de handen van zondige menschen, en gekruisigd worden, en op den derden dag verrijzen.
7 dizendo: O Filho do homem deve ser entregue nas mãos dos homens pecadores, e ser crucificado, e ao terceiro dia ressuscitar.
8 En zij herinnerden zich zijn woorden.
8 E elas lembraram-se das suas palavras,
9 En zij keerden terug van het graf en boodschapten dit alles aan de elven en aan al de anderen.
9 e, retornando do sepulcro, contaram todas essas coisas aos onze, e a todos os demais.
10 Het waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en de anderen met haar, die dit tot de apostelen zeiden.
10 Estas eram: Maria Madalena, e Joana, e Maria, mãe de Tiago, e as outras mulheres que estavam com elas, que contaram estas coisas aos apóstolos.
11 En deze woorden schenen hun toe als zot geklap, en zij geloofden haar niet.
11 E as palavras delas lhes pareciam contos infundados, e eles não acreditavam nelas.
12 Doch Petrus stond op en liep naar het graf; en hij bukte en zag de linnen doeken afzonderlijk liggen; en hij ging heen, zich verwonderende over hetgeen geschied was.
12 Então, Pedro levantando-se, correu para o sepulcro; e, abaixando-se, viu os panos de linho ali postos; e retirou-se, admirando consigo mesmo o que acontecera.
13 En ziet, twee van hen waren dien zelfden dag op weg naar een dorp dat zestig stadiën van Jerusalem lag, met name Emmaüs,
13 E eis que, dois deles foram naquele mesmo dia para uma aldeia chamada Emaús, que distava de Jerusalém sessenta estádios;
14 en zij bespraken met elkander al hetgeen er was voorgevallen.
14 e iam falando um com o outro sobre todas estas coisas que tinham acontecido.
15 En terwijl zij samen spraken en redetwistten, geschiedde het dat Jezus zelf naderde en met hen ging.
15 E aconteceu que, enquanto eles caminhavam juntos e arrazoavam entre si, o próprio Jesus se aproximou, e ia com eles.
16 Doch hun oogen werden gehouden, dat zij Hem niet herkenden.
16 Mas os seus olhos estavam impedidos, para que não o conhecessem.
17 Hij nu zeide tot hen: Wat voor reden zijn dit, die gij al wandelende met malkander wisselt? en waarom ziet gij zoo droevig?
17 E ele lhes disse: Que tipo de palavras são essas que tendes um com o outro enquanto caminhais, e estais tristes?
18 De een nu, wiens naam was Kleopas, antwoordde en zeide tot Hem: Gij alleen zijt dan een vreemdeling in Jerusalem, en weet niet wat daar dezer dagen geschied is?
18 E um deles, cujo nome era Cléopas, respondendo, disse-lhe: És tu somente um estrangeiro em Jerusalém, e não soube das coisas que nela têm acontecido nestes dias?
19 En Hij zeide tot hen: Wat dan? Zij zeiden tot Hem: Wel, met Jezus den Nazarener, die een profeet was, machtig in werk en woord, voor God en het geheele volk,
19 E ele disse-lhes: Quais coisas? E eles lhe disseram: A respeito de Jesus de Nazaré, que foi um profeta poderoso em feitos e palavras diante de Deus e de todo o povo;
20 en hoe onze overpriesters en oversten Hem hebben overgeleverd tot de doodstraf en Hem gekruisigd hebben;
20 e como os principais sacerdotes e os nossos governantes o entregaram para ser condenado à morte, e o crucificaram.
21 wij nu hoopten dat Hij het was die Israël zou verlossen; doch bij dit alles is het vandaag de derde dag dat dit geschied is;
21 Mas nós esperávamos que fosse ele quem havia de remir Israel; e, todavia, além do mais, já é hoje o terceiro dia desde que essas coisas aconteceram.
22 maar ook eenige vrouwen uit ons hebben ons doen verschrikken, die vroeg in den morgen naar het graf zijn geweest,
22 Sim, e também algumas mulheres de nossa companhia nos surpreenderam, as quais de madrugada foram ao sepulcro;
23 en daar zij zijn lichaam niet vonden, kwamen zij zeggen dat haar engelen waren verschenen, die zeiden dat Hij leeft;
23 e, não achando o seu corpo, elas vieram, dizendo que também haviam tido uma visão de anjos que diziam estar ele vivo.
24 en sommigen van de onzen gingen heen naar het graf en vonden het juist zooals de vrouwen hadden gezegd; maar Hem zagen zij niet!
24 E alguns dos que estavam conosco foram ao sepulcro, e acharam isto mesmo como as mulheres haviam dito; mas a ele não viram.
25 En Jezus zeide tot hen: O, gij onverstandigen en tragen van hart, om te gelooven in alles wat de profeten gezegd hebben!
25 Então, ele lhes disse: Ó tolos, e tardos de coração para crerdes em tudo o que os profetas falaram!
26 Moest dan de Christus dit niet lijden en in zijn glorie ingaan?
26 Não convinha que o Cristo sofresse essas coisas e entrasse na sua glória?
27 En Hij begon van Mozes en van al de profeten, en verklaarde hun in al de Schriften wat er van Hem geschreven stond.
27 E, começando por Moisés e por todos os profetas, explicou-lhes em todas as escrituras as coisas a seu respeito.
28 En zij kwamen bij het dorp waar zij naar toe gingen, en Hij deed alsof Hij verder zou gaan.
28 E, aproximando-se à aldeia para onde iam; ele fez como quem ia para mais longe.
29 En zij drongen Hem, zeggende: Blijf bij ons, want het is tegen den avond en de dag is al gedaald! En Hij ging binnen, om bij hen te blijven.
29 Mas eles o constrangeram, dizendo: Fica conosco; porque já é tarde, e já declinou o dia. E ele entrou para permanecer com eles.
30 En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, en het brood nam en dankte, en het brak om hun te geven,
30 E aconteceu que, estando assentado com eles à mesa, ele tomou o pão e o abençoou, e partiu-o e deu-lhos.
31 dat hun oogen werden geopend, en dat zij Hem herkenden; en Hij verdween uit hun midden.
31 E os seus olhos foram abertos, e eles o reconheceram; e ele desapareceu de diante deles.
32 En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, toen Hij op den weg tot ons sprak, en toen Hij voor ons de Schriften opende?
32 E eles disseram um para o outro: Não ardia nosso coração enquanto ele falava conosco no caminho, e quando ele nos abria as escrituras?
33 En terzelfder ure opstaande, keerden zij terug naar Jerusalem, en zij vonden de elven en die met hen waren, samen vergaderd,
33 E na mesma hora levantaram-se e retornaram para Jerusalém, e encontraram os onze reunidos, e os que estavam com eles,
34 die zeiden: Waarlijk, de Heere is verrezen, en aan Simon verschenen!
34 dizendo: De fato o Senhor está ressuscitado, e apareceu a Simão.
35 En zij vertelden wat op den weg was geschied en hoe Hij hun was bekend geworden in het breken van het brood.
35 E eles contaram que coisas tinham acontecido no caminho, e como o reconheceram no partir do pão.
36 Toen zij nu hierover spraken, stond Jezus zelf in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!
36 E, enquanto eles falavam isto, o próprio Jesus ficou no meio deles, e disse-lhes: Paz seja convosco.
37 En zij, bevreesd en verschrikt geworden zijnde, meenden een geest te zien.
37 Mas eles, espantados e atemorizados, pensavam estar vendo um espírito.
38 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen er bedenkingen op in uw hart?
38 E ele lhes disse: Por que estais perturbados? E por que surgem pensamentos em vossos corações?
39 Ziet mijn handen en mijn voeten, want Ik ben het zelf; betast Mij en ziet; want een geest heeft geen vleesch en beenen, zooals gij Mij ziet hebben.
39 Olhai as minhas mãos e os meus pés, que sou eu mesmo; tocai-me e vede, porque um espírito não tem carne nem ossos, como vedes que eu tenho.
40 En dit zeggende toonde Hij hun de handen en voeten.
40 E, falando isso, ele mostrou-lhes suas mãos e seus pés.
41 Toen zij nu van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets te eten?
41 E, eles ainda não crendo, por causa da alegria e admiração, disse-lhes: Tendes aqui algo de comer?
42 Zij nu gaven Hem een stuk gebakken visch en van een honigraat.
42 Então, eles deram-lhe um pedaço de um peixe assado, e um favo de mel.
43 En Hij nam het en at het op voor hun oogen.
43 E ele tomou-o e comeu diante deles.
44 En Hij zeide tot hen: Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog met ulieden was; want alles moet vervuld worden wat in de wet van Mozes en de Profeten en Psalmen van Mij geschreven is.
44 E ele disse-lhes: Estas são as palavras que eu vos falei, estando ainda convosco, que era necessário que se cumprissem todas as coisas que foram escritas a respeito de mim na lei de Moisés, e nos profetas, e nos salmos.
45 Toen opende Hij hun verstand om de Schriften te verstaan,
45 Então, ele abriu-lhes o entendimento, para que eles pudessem compreender as escrituras,
46 en zeide tot hen: Alzoo is er geschreven, dat de Christus zou lijden en uit de dooden verrijzen ten derden dage,
46 e disse-lhes: Assim está escrito, e assim convinha que o Cristo sofresse e ressuscitasse dos mortos no terceiro dia,
47 en dat er in zijn Naam zou gepredikt worden boetvaardigheid tot vergiffenis van zonden aan al de volken, te beginnen van Jerusalem.
47 e que em seu nome se pregasse o arrependimento e a remissão dos pecados a todas as nações, começando por Jerusalém.
48 Gij nu zijt getuigen van deze dingen.
48 E vós sois testemunhas destas coisas.
49 En ziet, Ik zend de belofte mijns Vaders op ulieden; maar blijft gij in de stad Jerusalem totdat gij zult bekleed zijn met kracht uit de hoogte!
49 E eis que, eu envio sobre vós a promessa de meu Pai; mas ficai na cidade de Jerusalém, até que do alto sejais revestidos de poder.
50 En Hij leidde hen naar buiten tot aan Bethanië, en hief zijn handen op en zegende hen.
50 E ele levou-os para fora, até Betânia, e ele levantando as suas mãos, os abençoou.
51 En terwijl Hij hen zegende, geschiedde het dat Hij van hen scheidde en naar den hemel werd opgenomen.
51 E aconteceu que, enquanto os abençoava, apartou-se deles e foi elevado ao céu.
52 En zij aanbaden Hem en keerden terug naar Jerusalem met groote vreugde.
52 E eles o adoraram, e retornaram para Jerusalém com grande júbilo;
53 En zij waren altijd in den tempel, lovende en prijzende God. Amen.
53 e estavam continuamente no templo, louvando e bendizendo a Deus. Amém.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lucas 24, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.