Lucas 12
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ
BKJ BKJ
1 Terwijl nu duizenden der schare bijeengekomen waren, zoodat zij malkander vertraden, begon Jezus te zeggen tot zijn discipelen: Allereerst, wacht u zelven van den zuurdeesem der fariseërs, dat is geveinsdheid.
1 Enquanto isso ajuntou-se uma multidão de inúmeras pessoas, de tal modo que pisoteavam umas as outras, e ele começou a dizer primeiro aos seus discípulos: Cuidado com o fermento dos fariseus, que é a hipocrisia.
2 Maar er is niets bedekt dat niet zal ontdekt worden, en verborgen dat niet bekend zal worden.
2 Porque não há nada encoberto que não seja revelado, nem oculto que não venha a se tornar conhecido.
3 Daarom al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden, en wat gij aan het oor gezegd hebt in de binnenkameren, dat zal gepredikt worden op de daken.
3 Porquanto tudo o que em trevas falastes, será ouvido na luz, e o que nos quartos tiverdes falado nos ouvidos, será proclamado dos telhados.
4 En Ik zeg u, mijn vrienden: Vreest niet voor hen die het lichaam dooden en daarna geen macht hebben meer te doen.
4 E eu vos digo meus amigos: Não tenham medo dos que matam o corpo e depois não têm mais o que fazer.
5 Maar Ik zal u toonen wien gij te vreezen hebt: Vreest hem die, nadat hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen; ja, zeg Ik u, dien moet gij vreezen.
5 Mas eu vos mostrarei a quem deveis temer: Temei aquele que, depois de matar, tem poder para lançar no inferno; sim, eu vos digo, a esse temei.
6 Worden niet vijf muschkens verkocht voor twee penningen? en niet één van deze is vergeten bij God.
6 Não se vendem cinco pardais por dois asses e nenhum deles fica esquecido diante de Deus?
7 Maar zelfs de haren van uw hoofd zijn allen geteld; vreest dus niet, gij zijt meer waard dan veel muschkens.
7 Mas até os cabelos da vossa cabeça estão todos contados. Não temais, porque valeis mais do que muitos pardais.
8 En Ik zeg u: Een ieder die Mij zal belijden voor de menschen, dien zal ook de Zoon des menschen belijden voor de engelen Gods.
8 Eu também vos digo: Todo aquele que me confessar diante dos homens, também o Filho do homem o confessará diante dos anjos de Deus;
9 Maar die Mij zal verloochenen voor de menschen, die zal ook verloochend worden voor de engelen Gods.
9 mas quem me negar diante dos homens, será negado diante dos anjos de Deus.
10 En al wie een woord spreekt tegen den Zoon des menschen, het zal hem vergeven worden, maar aan hem die tegen den Heiligen Geest zal gelasterd hebben, zal het niet vergeven worden.
10 E a todo aquele que falar uma palavra contra o Filho do homem, lhe será perdoada, mas ao que blasfemar contra o Espírito Santo não lhe será perdoado.
11 Wanneer zij u zullen overleveren voor de synagogen, en de overheden, en de machten, zijt dan niet bezorgd hoe gij u verdedigen of wat gij spreken zult,
11 E, quando eles vos conduzirem às sinagogas, aos magistrados e poderosos, não cuideis de como ou o que respondereis, ou o que direis;
12 want de Heilige Geest zal u in die zelfde ure leeren wat gij moet zeggen.
12 porque o Espírito Santo vos ensinará na mesma hora o que deveis dizer.
13 En iemand uit de schare zeide tot Hem: Meester, zeg tot mijn broeder dat hij met mij de erfenis deele!
13 E disse-lhe um da multidão: Mestre, fala ao meu irmão que ele divida comigo a herança.
14 Maar Hij zeide tot hem: Mensch, wie heeft Mij aangesteld tot rechter of scheidsman over u?
14 E ele lhe disse: Homem, quem me fez por juiz ou um divisor entre vós?
15 En Hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van alle gierigheid, want iemands leven hangt niet af van den overvloed dien hij geniet uit zijn bezittingen.
15 E ele disse-lhes: Acautelai-vos e guardai-vos da cobiça; porque a vida do homem não consiste na abundância das coisas que ele possui.
16 En Hij sprak een gelijkenis tot hen en zeide: Het land van zeker rijk mensch had veel opgeleverd,
16 E ele falou-lhes uma parábola, dizendo: A terra de um certo homem rico produziu com abundância;
17 en hij overleide bij zich zelven, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet waar ik mijn vruchten kan verzamelen?
17 e ele pensava consigo mesmo, dizendo: O que eu farei pois não tenho espaço para guardar os meus frutos?
18 En hij zeide: Dat zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grootere bouwen, en daarin zal ik al mijn gewas en goederen verzamelen,
18 E ele disse: Eu farei isto: derrubarei os meus celeiros, e edificarei maiores, e ali eu colocarei todos os meus frutos e os meus bens.
19 en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, gij bezit veel goederen, opgelegd voor veel jaren; neem rust, eet, drink, zijt vroolijk!
19 E eu direi à minha alma: Alma, tens em depósito muitos bens, para muitos anos; descansa, come, bebe e alegra-te.
20 Maar God zeide tot hem: Onverstandige! In dezen nacht zal men uw ziel van u afeischen; en wat gij bereid hebt, voor wien zal het zijn?
20 Mas Deus lhe disse: Tolo, esta noite te requisitarão tua alma, e de quem serão estas coisas que tu preparaste?
21 Alzoo is het met hem die zich zelven schatten verzamelt en niet rijk is in God.
21 Assim é aquele que para si ajunta tesouros, e não é rico para com Deus.
22 Hij zeide nu tot zijn discipelen: Daarom zeg Ik ulieden, zijt niet bekommerd voor uw leven, wat gij eten zult, of voor uw lichaam, waarmede gij u kleeden zult.
22 E ele disse aos seus discípulos: Por isso eu vos digo: Não sejais cuidadosos quanto à vossa vida, pelo que haveis de comer, nem quanto ao vosso corpo, pelo que haveis de vestir.
23 Het leven is meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleeding.
23 A vida é mais do que a comida, e o corpo é mais do que o vestuário.
24 Let op de raven, dat zij niet zaaien of maaien, dat zij geen kelder of schuur hebben, en toch voedt God ze. Hoeveel zijt gij niet meer waard dan de vogelen?
24 Considerai os corvos, que não semeiam, nem colhem, nem têm despensa, nem celeiro, e Deus os alimenta; quanto mais sois vós mais valiosos do que as aves?
25 Wie toch van u kan, door bekommerd te zijn, een oogenblik tot zijn leeftijd toedoen?
25 E qual de vós poderá, com os seus cuidados, acrescentar um côvado à sua estatura?
26 Indien gij dan ook het geringste niet kunt, wat zijt gij bekommerd voor het overige?
26 Então se não sois capazes de fazer as coisas mínimas, por que andais cuidadosos com o restante?
27 Let op de leliën, hoe ze wassen! Zij arbeiden of spinnen niet, en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn glorie niet was gekleed gelijk één van deze.
27 Considerai os lírios, como eles crescem; eles não trabalham, nem fiam; e eu vos digo que Salomão em toda a sua glória não se vestiu como um deles.
28 Indien nu God het gras dat vandaag op het veld is en morgen in den oven geworpen wordt, alzoo kleedt, hoeveel te meer u, o kleingeloovigen!
28 Então se Deus assim veste a erva, que hoje está no campo e amanhã é lançada no forno, quanto mais vestirá a vós, Oh pequena fé?
29 En gij, zoekt niet wat gij eten of drinken zult, en verontrust u niet!
29 E não busqueis o que comer, ou o que beber, nem sejais de mente duvidosa.
30 Want dit alles zoeken de volken der wereld, maar uw Vader weet dat gij het van noode hebt.
30 Porque todas estas coisas as nações do mundo buscam; mas vosso Pai sabe que necessitais destas coisas.
31 Maar zoekt Gods koninkrijk, en al deze dingen zullen er u bijgevoegd worden.
31 Mas antes, buscai o reino de Deus, e todas essas coisas vos serão acrescentadas.
32 Vrees niet, klein kuddeke! want uws Vaders welbehagen is het, ulieden het koninkrijk te geven.
32 Não temas, ó pequenino rebanho, porque é aprazível a vosso Pai dar-vos o reino.
33 Verkoopt uw goederen en geeft aalmoezen; maakt voor u beurzen die niet verslijten, een onvergankelijken schat in de hemelen, waar de dief niet bij komt en de mot niet verderft;
33 Vendei o que tendes, e dai esmolas; provei para vós bolsas que não envelheçam, tesouro inesgotável nos céus, aonde não chega ladrão, nem a traça corrói.
34 want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
34 Porque onde estiver o vosso tesouro, aí estará também o vosso coração.
35 Laat uw lenden omgord zijn en uw kaarsen brandende.
35 Estejam cingidos os vossos lombos, e as vossas lâmpadas acesas,
36 En zijt gelijk aan menschen die op hun heer wachten, als hij van de bruiloft zal terugkeeren, opdat zij voor hem terstond opendoen als hij komt en aanklopt.
36 e sede vós semelhantes aos homens que esperam que o seu senhor retorne das bodas, para que, quando ele vier e bater, eles possam abrir-lhe imediatamente.
37 Zalig die dienstknechten die de heer, als hij komt, zal wakende vinden! Waarlijk, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en hen doen aanliggen en hen zal komen bedienen.
37 Abençoados são aqueles servos que, quando vier o senhor, os ache vigiando; em verdade eu vos digo que ele se cingirá, e os fará assentar à mesa, e, chegando-se, os servirá.
38 En of hij komt in de tweede, of in de derde nachtwake, en het alzoo bevindt, — zalig zijn die dienstknechten!
38 E, se ele vier na segunda vigília, ou vier na terceira vigília, e assim os encontrar, abençoados são estes servos.
39 Maar dit verstaat gij dat, als de huisheer geweten had in welke ure de dief zou komen, hij zou wakker gebleven zijn en niet hebben toegelaten dat zijn huis doorgraven werd.
39 Mas sabei isto: que se o dono da casa soubesse a que hora viria o ladrão, ele teria vigiado, e não teria permitido que arrombasse a sua casa.
40 Zijt ook gij dan gereed, want in de ure dat gij het niet meent, komt de Zoon des menschen!
40 Por isso, estai vós prontos também; porque o Filho do homem vem em uma hora que não penseis.
41 Petrus nu zeide tot Hem: Heere, spreekt Gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen?
41 Então, Pedro lhe disse: Senhor, dizes essa parábola a nós, ou também a todos?
42 En de Heere zeide: Wie is dan de getrouwe, de verstandige huisverzorger, dien de heer zal stellen over zijn dienstboden, om elk op zijn tijd zijn deel van de spijze te geven?
42 E disse o Senhor: Qual é, pois, o mordomo fiel e prudente, que seu senhor fará governante sobre os servos, para lhes dar uma porção de alimento na estação devida?
43 Zalig die dienstknecht, dien zijn heer, als deze komt, zal vinden alzoo doende.
43 Abençoado é aquele servo, a quem o senhor, quando vier, achar fazendo assim.
44 Waarlijk, Ik zeg u, dat hij hem zal stellen over al zijn goederen.
44 Em verdade eu vos digo que ele o fará governante sobre tudo o que ele tem.
45 Maar zoo die dienstknecht in zijn hart zou zeg hen: Mijn heer spoedt niet om te komen! en hij zou beginnen met de dienstknechten en dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken en zich dronken te maken,
45 Mas, e se aquele servo disser em seu coração: O meu senhor atrasa em sua vinda, e começa a espancar os servos e servas, e a comer e a beber, e a embriagar-se,
46 dan zal de heer van dien dienstknecht komen op een dag waarop deze het niet verwacht, en in een ure waarin hij het niet meent, en hij zal hem in stukken houwen, en zijn deel stellen met de ontrouwen.
46 o senhor daquele servo virá em um dia quando ele não espera, e em uma hora quando ele não estiver ciente, e açoitá-lo-á severamente e irá designar-lhe sua porção com os incrédulos.
47 Die dienstknecht nu, die den wil van zijn heer geweten, maar zich niet gereedgemaakt heeft, of zijn wil gedaan heeft, zal veel slagen ontvangen;
47 E o servo que sabia a vontade do seu senhor e não se preparou, nem fez conforme a sua vontade, será castigado com muitos açoites.
48 maar die het niet geweten, doch strafwaardige dingen gedaan heeft, die zal weinig slagen ontvangen; want van een ieder, dien veel gegeven is, zal veel geëischt worden, en van hem dien veel toevertrouwd is, zal meer worden gevraagd.
48 Mas, o que a não sabia e fez coisas dignas de açoites, será castigado com poucos açoites. Porque a quem quer que muito for dado, muito será requerido dele; e para o homem que muito foi confiado, muito mais se exigirá dele.
49 Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen, en wat wil Ik, als het reeds ontstoken is?
49 Eu vim para lançar fogo na terra; e o que eu quero, se este já está aceso?
50 Maar Ik moet met een doop gedoopt worden, en hoe word Ik benauwd, totdat het volbracht is!
50 Mas eu tenho um batismo para ser batizado; e como estou afligido até que venha a cumprir-se!
51 Meent gij dat Ik gekomen ben om vrede te geven op aarde? Neen, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid.
51 Suponhas que eu vim dar paz à terra? Eu vos digo: Não; mas antes divisão.
52 Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee en twee tegen drie.
52 Porque, daqui em diante, estarão cinco divididos em uma casa; três contra dois, e dois contra três.
53 Een vader zal tegen een zoon verdeeld zijn, en een zoon tegen een vader; een moeder tegen een dochter en een dochter tegen een moeder; een schoondochter tegen een schoonmoeder en een schoonmoeder tegen een schoondochter.
53 O pai estará dividido contra o filho, e o filho contra o pai; a mãe contra a filha, e a filha contra a mãe; a sogra contra a sua nora, e a nora contra sua sogra.
54 En Hij zeide ook tot de scharen: Wanneer gij een wolk ziet opkomen uit het westen, dan zegt gij terstond dat er regen komt, en het geschiedt alzoo.
54 E ele também dizia à multidão: Quando vedes subir uma nuvem do oeste, imediatamente dizeis: Lá vem chuva; e assim acontece.
55 En wanneer gij een zuidenwind ziet waaien, zegt gij dat het heet zal zijn, en het geschiedt.
55 E quando vedes soprar o vento sul, dizeis: Haverá calor; e assim acontece.
56 Geveinsden! de gesteltenis der aarde en des hemels weet gij te onderscheiden, maar hoe onderscheidt gij dan niet dezen tijd?
56 Hipócritas, podeis discernir a face da terra e do céu; mas, como não discernis este tempo?
57 En waarom oordeelt gij ook uit u zelven niet hetgeen rechtvaardig is?
57 Sim, e por que vós mesmos não julgam o que é certo?
58 Want als gij met uw wederpartij tot de overheid gaat, doe dan onderweg uw best om van hem af te komen, opdat hij u misschien niet voor den rechter trekke, en de rechter u overgeve aan den gerechtsdienaar, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe!
58 Porque, quando fores com o teu adversário ao magistrado, esforça-te para pôr em ordem o assunto com ele no caminho, para que ele não te arraste ao juiz, e o juiz te entregue ao oficial, e o oficial te lance na prisão.
59 Ik zeg u, gij zult daar niet uitkomen, vóórdat gij den laatsten penning zult betaald hebben!
59 Eu te digo que não sairás de lá enquanto não pagares o último ceitil.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lucas 12, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.