João 9
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NAA
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En in het voorbijgaan zag Jezus een man die blind was van zijn geboorte af.
1 Enquanto Jesus caminhava, viu um homem cego de nascença.
2 En zijn discipelen vroegen Hem, zeggende: Meester! wie heeft er gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?
2 E os seus discípulos perguntaram: — Mestre, quem pecou para que este homem nascesse cego? Ele ou os pais dele?
3 Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar in hem moesten de werken Gods openbaar worden.
3 Jesus respondeu:
4 Ik moet de werken doen van Hem die Mij gezonden heeft zoolang het dag is; er komt een nacht wanneer niemand kan werken.
4 É necessário que façamos as obras daquele que me enviou enquanto é dia; a noite vem, quando ninguém pode trabalhar.
5 Terwijl Ik in de wereld ben, ben Ik een Licht der wereld.
5 Enquanto estou no mundo, sou a luz do mundo.
6 Dit gezegd hebbende, spoog Hij op den grond en maakte slijk uit het speeksel, en streek hem het slijk op de oogen,
6 Depois de dizer isso, Jesus cuspiu na terra, fez lama com a saliva e com a lama untou os olhos do cego.
7 en zeide tot hem: Ga heen, wasch u in den vijver van Siloam (die naam beteekent: Uitgezonden). Hij dan ging heen en waschte zich en kwam ziende terug.
7 Então disse ao cego: Siloé quer dizer “Enviado”. O cego foi, lavou-se e voltou vendo.
8 De geburen dan, en die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden: Is deze het niet, die daar zat te bedelen?
8 Então os vizinhos e os que antes o conheciam de vista, como mendigo, perguntavam: — Não é este o que ficava sentado pedindo esmolas?
9 Sommigen zeiden: Hij is het! Anderen zeiden: Neen, maar hij trekt wel op hem! Hij zelf zeide: Ik ben het!
9 Uns diziam: — É ele. Outros: — Não, mas se parece com ele. O homem dizia: — Sou eu.
10 Zij zeiden dan tot hem: Hoe zijn u de oogen geopend?
10 Então lhe perguntaram: — Como foram abertos os seus olhos?
11 Hij antwoordde: De mensch, Jezus genaamd, maakte slijk en bestreek mijn oogen en zeide tot mij: Ga heen naar Siloam en wasch u! Ik ging dan heen, en heb mij gewasschen en werd ziende!
11 Ele respondeu: — O homem chamado Jesus fez lama, passou nos meus olhos e disse: “Vá ao tanque de Siloé e lave-se.” Então fui, lavei-me e estou vendo.
12 Zij zeiden tot hem: Waar is die? Hij zeide: Ik weet niet!
12 Eles perguntaram: — Onde está ele? Respondeu: — Não sei.
13 Zij brachten hem, die te voren blind was, tot de fariseërs.
13 Levaram aos fariseus aquele que antes era cego.
14 En het was sabbat op den dag dat Jezus slijk maakte en hem de oogen opende.
14 E era sábado o dia em que Jesus fez a lama e lhe abriu os olhos.
15 Wederom vroegen hem dan ook de fariseërs, hoe hij ziende was geworden. En hij zeide tot hen: Hij leide mij slijk op de oogen, en ik heb mij gewasschen, en ik zie.
15 Então os fariseus lhe perguntaram outra vez como podia ver. Ele respondeu: — Ele pôs lama sobre os meus olhos, lavei-me e estou vendo.
16 Sommigen dan uit de fariseërs zeiden: Die mensch is van God niet, want den sabbat houdt Hij niet! Anderen zeiden: Hoe kan iemand, die een zondaar is, zulke mirakelen doen? — Er was tweedracht onder hen.
16 Por isso, alguns dos fariseus diziam: — Esse homem não é de Deus, porque não guarda o sábado. Mas outros diziam: — Como pode um homem pecador fazer sinais como estes? E houve divisão entre eles.
17 Zij zeiden dan wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van Hem, daar Hij u de oogen geopend heeft? — Hij nu zeide: Hij is een profeet.
17 De novo perguntaram ao cego: — O que você diz a respeito dele, uma vez que lhe abriu os olhos? Ele respondeu: — É um profeta.
18 De Joden dan geloofden niet van hem, dat hij blind was geweest en ziende geworden, totdat zij de ouders hadden geroepen van hem die ziende was geworden.
18 Os judeus não acreditaram que ele tinha sido cego e que agora podia ver, enquanto não chamaram os pais dele
19 En zij vroegen hun, zeggende: Is dat uw zoon, dien gij zegt dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?
19 e lhes perguntaram: — É este o filho de vocês, que vocês dizem que nasceu cego? Como é que agora ele está vendo?
20 Zijn ouders antwoordden dan en zeiden: Wij weten dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is;
20 Então os pais responderam: — Sabemos que este é o nosso filho e que nasceu cego,
21 doch hoe hij nu ziet, weten wij niet, of wie hem de oogen geopend heeft, wij weten het niet! Vraagt het hem, hij heeft zijn jaren, hij zal voor zich zelven spreken!
21 mas não sabemos como agora está vendo. E também não sabemos quem lhe abriu os olhos. Perguntem a ele, pois já tem idade e poderá falar por si mesmo.
22 Dit zeiden zijn ouders, omdat zij de Joden vreesden. Want alreeds hadden de Joden onder malkander besloten, dat zoo iemand Hem voor den Christus beleed, die uit de synagoge zou gebannen worden.
22 Os pais dele disseram isso porque estavam com medo dos judeus, pois estes já tinham combinado que, se alguém confessasse que Jesus era o Cristo, seria expulso da sinagoga.
23 Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn jaren, ondervraagt hem!
23 Foi por isso que os pais dele disseram: “Ele já tem idade e poderá falar por si mesmo.”
24 Zij riepen dan ten tweeden male den man, die blind was geweest, en zeiden tot hem: Geef de glorie aan God! wij weten dat die man een zondaar is.
24 Então chamaram, pela segunda vez, o homem que tinha sido cego e lhe disseram: — Diga a verdade diante de Deus; nós sabemos que esse homem é pecador.
25 Hij dan antwoordde: Of Hij een zondaar is weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie!
25 Ele respondeu: — Se é pecador, não sei. Uma coisa sei: eu era cego e agora vejo.
26 Zij zeiden dan tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? hoe heeft Hij u de oogen geopend?
26 Perguntaram-lhe outra vez: — O que ele fez a você? Como lhe abriu os olhos?
27 Hij antwoordde hun: Ik heb het u al gezegd en gij hebt niet geluisterd; wat wilt gij het nog eens hooren? ook gij wilt toch niet zijn discipelen worden?
27 Ele respondeu: — Já lhes disse, mas vocês não ouviram. Por que querem ouvir outra vez? Por acaso vocês também querem se tornar discípulos dele?
28 Zij scholden hem en zeiden: Gij zijt een discipel van dezen, maar wij zijn discipelen van Mozes!
28 Então o insultaram e lhe disseram: — Discípulo dele é você! Nós somos discípulos de Moisés.
29 Wij weten dat God tot Mozes heeft gesproken, maar wat dezen aangaat, wij weten niet vanwaar Hij is!
29 Sabemos que Deus falou a Moisés, mas este nem sabemos de onde é.
30 De man antwoordde en zeide tot hen: Daarin is toch een mirakel, dat gij niet weet vanwaar Hij is, en toch heeft Hij mij de oogen geopend!
30 O homem respondeu: — É estranho que vocês não saibam de onde ele é, mas ele me abriu os olhos.
31 Wij weten dat God geen zondaars hoort, maar als iemand godvruchtig is en zijn wil doet, dien hoort Hij.
31 Sabemos que Deus não atende a pecadores. Pelo contrário, se alguém teme a Deus e pratica a sua vontade, a este atende.
32 Van ouds af is het niet gehoord dat iemand de oogen geopend heeft van een blindgeborene.
32 Desde que o mundo existe, jamais se ouviu que alguém tenha aberto os olhos a um cego de nascença.
33 Als deze niet van God was, dan zou Hij niets kunnen doen.
33 Se este homem não fosse de Deus, não poderia ter feito nada.
34 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren, en gij leert ons? — En zij wierpen hem buiten.
34 Mas eles disseram: — Você nasceu cheio de pecado e quer nos ensinar? E o expulsaram.
35 Jezus hoorde dat ze hem buiten geworpen hadden, en vond hem, en zeide: Gelooft gij in den Zoon van God?
35 Jesus ouviu que eles tinham expulsado o homem. Ao encontrá-lo, perguntou:
36 Hij antwoordde en zeide: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem geloove?
36 Ele respondeu: — Quem é, Senhor, para que eu creia nele?
37 Jezus zeide tot hem: En gij hebt Hem gezien, en die met u spreekt, die is het!
37 E Jesus lhe disse:
38 Hij dan zeide: Ik geloof, Heere! — en hij knielde voor Hem neder.
38 Então ele afirmou: — Eu creio, Senhor! E o adorou.
39 En Jezus zeide: Tot een oordeel ben Ik gekomen tot deze wereld, opdat zij die niet zien, zouden zien, en zij die zien, blind zouden worden!
39 Jesus continuou: —
40 Eenigen uit de fariseërs, die bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tot Hem: Wij zijn toch ook niet blind?
40 Alguns dos fariseus que estavam perto dele perguntaram-lhe: — Por acaso também nós somos cegos?
41 Jezus zeide tot hen: Als gij blind waart, dan zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: Wij zien! zoo blijft uw zonde.
41 Jesus respondeu:
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 9, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.