João 7

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 Na dezen wandelde Jezus in Galilea, want Hij wilde niet in Judea wandelen, omdat de Joden Hem zochten te dooden.
1 Depois dessas coisas, Jesus andava pela Galileia; porque ele não queria andar pela Judeia, pois os judeus procuravam matá-lo.
2 En het feest der Joden, het loofhuttenfeest, was nabij.
2 Ora, estava próxima a festa dos tabernáculos dos judeus.
3 Zijn broeders zeiden dan tot Hem: Vertrek vanhier, en ga naar Judea, opdat ook uw discipelen uw werken zien, die Gij doet;
3 Portanto, os seus irmãos disseram-lhe: Parte daqui e vai para a Judeia, para que também os teus discípulos vejam as obras que tu fazes.
4 want niemand doet iets in het verborgen, als hij zelf zoekt bekend te zijn. Als Gij dit doet, vertoon U dan aan de wereld!
4 Porque não há homem que faça coisa alguma em secreto, e que procure ser conhecido publicamente. Se tu fazes essas coisas, mostra-te ao mundo.
5 Want ook zijn broeders geloofden niet in Hem.
5 Porque nem seus irmãos acreditavam nele.
6 Jezus zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet gekomen, maar uw tijd is altijd gereed.
6 Então, disse-lhes Jesus: Ainda não é chegado o meu tempo; mas o vosso tempo sempre está pronto.
7 De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken kwaad zijn.
7 O mundo não vos pode odiar, mas a mim odeia, porquanto dele dou testemunho, que são más as suas obras.
8 Gaat gij op naar het feest! Ik ga niet op tot dit feest, omdat mijn tijd nog niet vervuld is.
8 Subi vós à festa; eu ainda não subirei à esta festa, porque o meu tempo ainda não está cumprido.
9 Dit gezegd hebbende, bleef Hij in Galilea.
9 E, tendo dito estas palavras, ele permaneceu na Galileia.
10 Toen nu zijn broeders waren opgegaan naar het feest, toen ging Hij zelf ook op, niet openlijk, maar in het verborgen.
10 Mas, quando seus irmãos já tinham subido, ele também subiu para a festa, não em público, mas como que secretamente.
11 De Joden dan zochten Hem op het feest en zeiden: Waar is Hij?
11 Então os Judeus o buscavam na festa e diziam: Onde está ele?
12 En er was veel gemompels van Hem onder de schare; sommigen zeiden: Hij is goed! anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt de schare!
12 E havia muita murmuração entre a multidão a respeito dele; porque alguns diziam: Ele é um bom homem; e outros diziam: Não, pois ele engana o povo.
13 Niemand sprak nochtans vrij uit van Hem uit vreeze voor de Joden.
13 Todavia, nenhum homem falava dele publicamente, por medo dos judeus.
14 Als het nu al midden in het feest was, ging Jezus op naar den tempel en onderwees.
14 Ora, na metade da festa, Jesus subiu ao templo, e ensinava.
15 De Joden dan verwonderden zich en zeiden: Hoe kent deze de Schrifturen? Hij die niet heeft gestudeerd!
15 E os judeus se maravilhavam, dizendo: Como conhece este homem letras, não as tendo aprendido?
16 Jezus dan antwoordde hun en zeide: Mijn leer is niet de mijne, maar van Hem die Mij gezonden heeft.
16 Jesus respondeu e disse-lhes: A minha doutrina não é minha, mas daquele que me enviou.
17 Zoo iemand wil zijn wil doen, die zal van deze leer erkennen, of zij uit God is, dan of Ik uit Mij zelven spreek.
17 Se algum homem quiser fazer a vontade dele, há de saber da doutrina, se ela é de Deus, ou se falo de mim mesmo.
18 Die uit zich zelven spreekt, die zoekt zijn eigen glorie; maar die de glorie zoekt van dengene, die hem gezonden heeft, die is waarachtig en onrecht is er in hem niet.
18 Quem fala de si mesmo busca a sua própria glória; mas o que busca a glória daquele que o enviou, esse é verdadeiro, e não há nele injustiça.
19 Heeft Mozes ulieden niet de wet gegeven? en niemand uit u doet de wet! — Waarom zoekt gij Mij te dooden?
19 Não vos deu Moisés a lei? E, ainda assim, nenhum de vós cumpre a lei. Por que procurais matar-me?
20 De schare antwoordde: Gij zijt bezeten! Wie zoekt U te dooden?
20 A multidão respondeu e disse: Tu tens um demônio, quem procura matar-te?
21 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Eén werk heb Ik gedaan en gij allen verwondert u!
21 Jesus respondeu e disse-lhes: Eu fiz uma obra, e todos vos maravilhais.
22 Mozes heeft u de besnijdenis gegeven— niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen— en op een sabbat besnijdt gij wel een mensch!
22 Portanto, Moisés vos deu a circuncisão (não porque é de Moisés, mas dos pais); e no dia do shabat circuncidais um homem.
23 Als iemand de besnijdenis ontvangt op sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken zou worden, zijt gij dan op Mij verbitterd omdat Ik een geheelen mensch heb gezond gemaakt op een sabbat?
23 Se o homem recebe a circuncisão no dia do shabat, para que a lei de Moisés não seja violada, como vos irritais comigo, porque no dia do shabat eu fiz um homem inteiramente são?
24 Oordeelt toch niet naar den schijn, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel!
24 Não julgueis segundo a aparência, mas julgai segundo o reto juízo.
25 Eenigen dan uit de Jerusalemmers zeiden: Is deze het niet dien zij zoeken te dooden?
25 Então, alguns dos de Jerusalém diziam: Não é este que eles procuram matar?
26 En zie, vrij uit spreekt Hij, en men zegt Hem niets! Zouden de oversten waarlijk erkend hebben dat deze de Christus is?
26 Mas eis que ele fala publicamente, e nada lhe dizem. Porventura, sabem os governantes que este é verdadeiramente o Cristo?
27 Maar van dezen weten wij vanwaar Hij is; maar van den Christus, als Hij komt, zal niemand weten vanwaar Hij is!
27 Entretanto, nós sabemos de onde este homem é; mas quando vier o Cristo, nenhum homem saberá de onde ele é.
28 Jezus dan riep uit, in den tempel leerende, en zeide: Mij kent gij, en gij weet vanwaar Ik ben! En van Mij zelven ben Ik niet gekomen, maar Hij is waarachtig, die Mij gezonden heeft, dien gij niet kent!
28 Então, clamava Jesus no templo enquanto ensinava, dizendo: Vós me conheceis e sabeis de onde sou; e eu não vim de mim mesmo, mas aquele que me enviou é verdadeiro, o qual vós não conheceis.
29 Ik ken Hem, want Ik ben van Hem, en Hij heeft Mij gezonden!
29 Mas eu conheço-o; porque dele eu sou, e ele me enviou.
30 Zij zochten dan Hem te grijpen, en niemand leide de hand op Hem, omdat zijn ure nog niet was gekomen.
30 Então, eles buscavam prendê-lo; mas nenhum homem lançou mão dele, porque ainda não era chegada a sua hora.
31 Doch velen uit de schare geloofden in Hem, en zeiden: De Christus, als Hij zal komen, zal die wel meer mirakelen doen dan deze doet?
31 E muitos da multidão creram nele e diziam: Quando o Cristo vier, ele fará ainda mais milagres do que os que este homem tem feito?
32 De fariseërs hoorden de schare dit van Hem mompelen, en de overpriesters en de fariseërs zonden dienaren af, om Hem te grijpen.
32 Os fariseus ouviram a multidão murmurar essas coisas a respeito dele; e os fariseus e os principais sacerdotes enviaram oficiais para o prenderem.
33 Jezus dan zeide: Nog een korten tijd ben Ik bij ulieden, en dan ga Ik tot Hem die Mij gezonden heeft.
33 Então, disse-lhes Jesus: Ainda por um pouco de tempo eu estou convosco, e então eu vou para aquele que me enviou.
34 Gij zult Mij zoeken en niet vinden, en waar Ik ben kunt gijlieden niet komen.
34 Vós me buscareis, e não me achareis; e onde eu estou, vós não podeis vir.
35 De Joden dan zeiden tot malkander: Waar zal deze heengaan, dat wij Hem niet vinden zullen? Hij zal toch niet naar de verstrooiden gaan, onder de Grieken, en de Grieken leeren?
35 Disseram, pois, os judeus uns para os outros: Para onde ele irá que não o acharemos? Ele irá para os dispersos entre os gentios, e ensinará os gentios?
36 Wat is dat woord dat Hij zegt: Gij zult Mij zoeken en niet vinden? en waar Ik ben kunt gijlieden niet komen?
36 Que tipo de palavra é esta que ele disse: Vós me buscareis, e não me achareis; e onde eu estou, vós não podeis vir?
37 Op den laatsten dag nu, den grootste van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Als iemand dorst heeft, die kome tot Mij en drinke!
37 No último dia, o grande dia da festa, Jesus pôs-se em pé e clamou, dizendo: Se algum homem tem sede, deixai-o vir a mim, e beber.
38 die in Mij gelooft, zooals de Schrifture zegt: Stroomen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien!
38 Quem crê em mim, como diz a escritura, do seu ventre fluirão rios de água viva.
39 Dit nu zeide Hij van den Geest, dien ontvangen zouden degenen die in Hem gelooven; want de Geest was nog niet uitgestort, omdat Jezus nog niet in zijn glorie was.
39 (Mas isso ele falou do Espírito, que haviam de receber os que nele cressem; porque o Espírito Santo ainda não fora dado, pois Jesus ainda não tinha sido glorificado).
40 Uit de schare dan zeiden sommigen, die deze woorden gehoord hadden: Deze is waarlijk de profeet!
40 Então, muitos da multidão, ouvindo este dizer, diziam: Verdadeiramente, este é o Profeta.
41 Anderen zeiden: Deze is de Christus! — Anderen zeiden: Het is toch niet uit Galilea dat de Christus komt?
41 Outros diziam: Este é o Cristo. Mas diziam outros: Virá o Cristo da Galileia?
42 Zegt de Schrifture dan niet dat het uit het geslacht van David is, en van het dorp Bethlehem, vanwaar David was, dat de Christus komt?
42 Não diz a escritura que o Cristo vem da semente de Davi, e da cidade de Belém, de onde era Davi?
43 Er kwam dan tweedracht onder de schare, om zijnentwil.
43 Assim, houve uma divisão entre o povo por causa dele.
44 Sommigen nu uit hen wilden Hem grijpen, maar niemand leide de handen op Hem.
44 E alguns deles queriam prendê-lo, mas nenhum homem lhe pôs as mãos.
45 De dienaars dan kwamen tot de overpriesters en fariseërs, en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?
45 Então, os oficiais foram até os principais sacerdotes e fariseus, e eles lhes perguntaram: Por que não o trouxestes?
46 De dienaars antwoordden: Nooit heeft eenig mensch gesproken, zooals deze mensch spreekt!
46 Responderam os oficiais: Nunca homem algum falou assim como este homem.
47 De fariseërs antwoordden hun: Ook gij zijt toch niet verleid?
47 Então responderam-lhes os fariseus: Vós também fostes enganados?
48 Heeft wel iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de fariseërs?
48 Alguém dos governantes ou dos fariseus acreditou nele?
49 Maar die schare die de wet niet kent, — vervloekt zijn ze!
49 Mas esta multidão, que não sabe a lei, é maldita.
50 Nikodemus— die des nachts tot Jezus gekomen was— die één uit hen was, zeide tot hen:
50 Nicodemos (o que de noite fora até Jesus, sendo um deles) disse-lhes:
51 Oordeelt onze wet wel iemand als zij niet eerst van hem hoort en weet wat hij doet?
51 Porventura, julga a nossa lei algum homem sem primeiro ouvi-lo e ter conhecimento do que ele fez?
52 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt toch ook niet uit Galilea? onderzoek en zie, dat er uit Galilea geen profeet is opgestaan!
52 Eles responderam, e disseram-lhe: És tu também da Galileia? Examina e vê; porque da Galileia não se levanta profeta.
53 En een ieder ging naar zijn huis, maar Jezus ging naar den Berg der Olijven.
53 E cada homem foi para sua própria casa.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 7, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.