João 3
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ
BKJ BKJ
1 Er was nu een mensch uit de fariseërs, Nikodemus genaamd, een overste van de Joden.
1 Havia entre os fariseus um homem chamado Nicodemos, um governante dos judeus;
2 Deze kwam des nachts tot Jezus en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten dat Gij als leeraar van God gekomen zijt, want niemand kan deze mirakelen doen die Gij doet, als God niet met hem is.
2 este veio de noite a Jesus, e lhe disse: Rabi, nós sabemos que és mestre vindo de Deus; porque nenhum homem pode fazer estes milagres que tu fazes, se Deus não estiver com ele.
3 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Als iemand niet van boven geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien!
3 Respondeu-lhe Jesus, dizendo: Na verdade, na verdade eu te digo: Se um homem não nascer de novo, ele não pode ver o reino de Deus.
4 Nikodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mensch geboren worden als hij oud is? Hij kan toch niet andermaal in zijn moeders lichaam ingaan en geboren worden?
4 Nicodemos disse a ele: Como pode um homem nascer, sendo ele velho? Pode entrar pela segunda vez no ventre de sua mãe, e nascer?
5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan het koninkrijk Gods niet ingaan!
5 Jesus respondeu: Na verdade, na verdade eu te digo: Se um homem não nascer da água e do Espírito, ele não pode entrar no reino de Deus.
6 Wat uit het vleesch geboren is, dat is vleesch en wat uit den Geest geboren is, dat is geest.
6 O que é nascido da carne é carne, e o que é nascido do Espírito é espírito.
7 Verwonder u niet, omdat Ik tot u zeide: Gijlieden moet van boven geboren worden.
7 Não te admires de eu te haver dito: Necessário vos é nascer de novo.
8 De Geest blaast waar Hij wil, en zijn stem hoort gij, maar gij weet niet vanwaar Hij komt en waar Hij heengaat; zóó is het met ieder die uit den Geest geboren is.
8 O vento sopra onde quer, e tu ouves o seu som, mas não sabes de onde vem, e para onde vai; assim é todo o que é nascido do Espírito.
9 Nikodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kan dat geschieden?
9 Nicodemos respondeu e lhe disse: Como pode ser estas coisas?
10 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Gij zijt de leeraar Israëls en deze dingen weet gij niet?
10 Jesus respondeu e disse-lhe: Tu és mestre em Israel e não entendes estas coisas?
11 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wat wij weten spreken wij en wat wij gezien hebben getuigen wij, en ons getuigenis neemt gij niet aan!
11 Na verdade, na verdade eu te digo que nós falamos o que sabemos, e testemunhamos o que temos visto; e não aceitais o nosso testemunho.
12 Als Ik u de aardsche dingen zeg en gij gelooft niet, hoe zult gij dan gelooven als Ik u de hemelsche zou zeggen?
12 Se eu vos falei de coisas terrenas, e vós não credes, como crereis, se eu vos falar das coisas celestiais?
13 En niemand is opgeklommen naar den hemel, dan die uit den hemel is nedergedaald, de Zoon des menschen, die in den hemel is.
13 E nenhum homem subiu ao céu, senão aquele que desceu do céu, o Filho do homem que está no céu.
14 En gelijk Mozes de slang in de woestijn heeft verhoogd, alzoo moet de Zoon des menschen verhoogd worden,
14 E como Moisés levantou a serpente no deserto, assim importa que o Filho do homem seja levantado;
15 opdat al wie in Hem gelooft, niet verga, maar eeuwig leven hebbe.
15 para que todo o que nele crê não pereça, mas tenha a vida eterna.
16 Want alzoo heeft God de wereld bemind, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verga, maar eeuwig leven hebbe.
16 Porque Deus amou tanto ao mundo que ele deu o seu Filho unigênito, para que todo o que nele crê não pereça, mas tenha a vida eterna.
17 Want God heeft zijn Zoon niet tot de wereld gezonden om de wereld te veroordeelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.
17 Porque Deus não enviou o seu Filho ao mundo para condenar o mundo, mas para que o mundo possa ser salvo através dele.
18 Die in Hem gelooft wordt niet veroordeeld; die niet gelooft is al veroordeeld, omdat Hij niet geloofd heeft in den Naam van den eeniggeboren Zoon van God.
18 Quem crê nele não é condenado; mas quem não crê já está condenado, porque não creu no nome do unigênito Filho de Deus.
19 Dit nu is het oordeel, dat het Licht tot de wereld is gekomen en dat de menschen de duisternis meer hebben bemind dan het Licht; want hun werken waren kwaad.
19 E a condenação é esta: Que a luz veio ao mundo, e os homens amaram mais as trevas do que a luz, porque os seus atos eram maus.
20 Want al wie het kwaad doet; haat het Licht en komt niet tot het Licht, opdat zijn werken niet zouden bestraft worden;
20 Porque todo aquele que faz o mal odeia a luz, e não vem para a luz, para que os seus atos não sejam reprovados.
21 maar die de waarheid doet komt tot het Licht, opdat zijn werken bekend worden, dat zij in God gedaan zijn.
21 Mas quem pratica a verdade vem para a luz, para que os seus atos possam ser manifestos, pois eles são forjados em Deus.
22 Na dezen kwam Jezus met zijn discipelen naar het land van Judea, en daar vertoefde Hij met hen en doopte.
22 Após estas coisas Jesus foi com os seus discípulos para a terra da Judeia; e estava ali com eles e batizava.
23 En ook Johannes doopte in Enon, nabij Salim, omdat daar veel water was. En zij kwamen daar en werden gedoopt.
23 E João batizava também em Enom, junto a Salim, porque havia ali muitas águas; e eles vinham, e eram batizados.
24 Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.
24 Porque ainda João não tinha sido lançado na prisão.
25 Er ontstond dan tweedracht tusschen de discipelen van Johannes met de Joden over de zuivering.
25 Então, levantou-se uma questão entre alguns dos discípulos de João e os judeus acerca da purificação.
26 En zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: Rabbi! Hij die met u was aan den overkant van den Jordaan, aan wien gij getuigenis gegeven hebt, zie, die doopt en allen komen tot Hem!
26 E foram ter com João e disseram-lhe: Rabi, aquele que estava contigo além do Jordão, do qual tens dado testemunho, eis que está batizando, e todos os homens vão até ele.
27 Johannes antwoordde en zeide: Een mensch kan niets ontvangen tenzij het hem gegeven is uit den hemel.
27 João respondeu e disse: O homem não pode receber coisa alguma, se lhe não for dada do céu.
28 Gij zelven geeft mij getuigenis dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar ik ben vóór Hem afgezonden.
28 Vós mesmos me sois testemunhas de que eu disse: Eu não sou o Cristo, mas sou enviado adiante dele.
29 Die de bruid heeft is de bruidegom, maar de vriend van den bruidegom, die staat en hem aanhoort, verblijdt zich ten uiterste om de stem des bruidegoms. Deze blijdschap dan, die de mijne is, is vervuld.
29 Aquele que tem a noiva é o noivo, mas o amigo do noivo, que está presente e o ouve, alegra-se muito com a voz do noivo. Esta minha alegria está cumprida.
30 Hij moet toenemen, maar ik afnemen.
30 Ele deve crescer, mas eu devo diminuir.
31 Die van boven komt is boven allen; die uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde; die uit den hemel komt is boven allen.
31 Aquele que vem de cima é sobre todos, aquele que está na terra é da terra, e fala da terra; aquele que vem do céu é sobre todos.
32 Wat Hij gezien en gehoord heeft dat getuigt Hij, en zijn getuigenis neemt niemand aan.
32 E o que ele tem visto e ouvido, isso ele testifica; e nenhum homem aceita o seu testemunho.
33 Die zijn getuigenis heeft aangenomen, die heeft onderteekend dat God waarachtig is.
33 Aquele que tem recebido seu testemunho, estabeleceu o selo dele que Deus é verdadeiro.
34 Want dien God gezonden heeft die spreekt de woorden Gods, want God geeft den Geest niet met mate.
34 Pois aquele que Deus enviou fala as palavras de Deus, porque Deus não lhe dá o Espírito por medida.
35 De Vader bemint den Zoon en heeft alles in zijn hand gegeven.
35 O Pai ama ao Filho, e tem dado todas as coisas em suas mãos.
36 Die in den Zoon gelooft heeft eeuwig leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is zal geen leven zien, maar de gramschap Gods blijft op hem.
36 Aquele que crê no Filho tem a vida eterna; e aquele que não crê no Filho não verá a vida, mas a ira de Deus permanece sobre ele.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 3, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.