João 21

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 Naderhand vertoonde Jezus zich wederom aan de discipelen bij de zee van Tiberias. Hij vertoonde zich aldus:
1 Depois dessas coisas, mostrou-se Jesus outra vez aos discípulos junto ao mar de Tiberíades; e mostrou-se do seguinte modo.
2 Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas die de Tweeling genoemd wordt; en Nathanaël van Kana in Galilea, en de zonen van Zebedeüs en twee anderen uit zijn discipelen.
2 Estavam juntos Simão Pedro, e Tomé, chamado Dídimo, e Natanael de Caná da Galileia, e os filhos de Zebedeu, e outros dois dos seus discípulos.
3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga visschen! Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u! — Zij gingen heen en kwamen aan boord, en in dien nacht vingen zij niets.
3 Disse-lhes Simão Pedro: Eu vou pescar. Disseram-lhe eles: Nós também vamos contigo. Eles saíram, e imediatamente entraram no barco, e naquela noite não pegaram nada.
4 Toen het nu al morgenstond geworden was stond Jezus op den oever, maar de discipelen wisten niet dat het Jezus was.
4 Mas, vindo a manhã, Jesus ficou na praia; mas os discípulos não sabiam que era Jesus.
5 Jezus zeide dan tot hen: Kinderkens! hebt gij wel wat toespijze! Zij antwoordden Hem: Neen!
5 Então, disse-lhes Jesus: Filhos, tendes algum alimento? Eles responderam-lhe: Não.
6 Hij zeide tot hen: Werpt het net aan den rechterkant van het schip, en gij zult vinden! — Zij wierpen het dan en nu konden zij het niet optrekken vanwege de menigte van visschen.
6 E ele lhes disse: Lançai a rede ao lado direito do barco, e achareis. Lançaram-na, portanto, e eles não eram capazes de puxá-la por causa da quantidade de peixes.
7 De discipel dan, dien Jezus beminde, zeide tot Petrus: Het is de Heere! — Simon Petrus dan, hoorende dat het de Heere was, sloeg het bovenkleed om— want hij was naakt— en wierp zich in de zee.
7 Então, aquele discípulo a quem Jesus amava disse a Pedro: É o Senhor. Ora, quando Simão Pedro ouviu que era o Senhor, cingiu-se com sua capa de pescador, (porque ele estava despido), e lançou-se ao mar.
8 Maar de andere discipelen kwamen per schip, — want zij waren niet ver van den wal, maar omtrent tweehonderd ellen, en zij sleepten het net met de visschen.
8 E os outros discípulos vieram no pequeno barco (porque não estavam distantes da terra, senão cerca de duzentos côvados), arrastando a rede com os peixes.
9 Toen zij dan aan wal gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen en visch daarop gelegd, en brood.
9 Logo que vieram para a terra, eles viram ali brasas, e um peixe posto em cima delas, e pão.
10 Jezus zeide tot hen: Brengt van de visschen die gij nu gevangen hebt!
10 Disse-lhes Jesus: Trazei dos peixes que agora apanhastes.
11 Simon Petrus ging op het schip en trok liet net aan wal vol met groote visschen, honderd drie en vijftig; en al waren er ook zooveel, het net scheurde toch niet.
11 Simão Pedro subiu, e puxou a rede para a terra, cheia de cento e cinquenta e três grandes peixes; e apesar de serem tantos, não se rompeu a rede.
12 Jezus zeide tot hen: Komt, neemt het middagmaal! En niemand der discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij want zij wisten dat het de Heere was.
12 Disse-lhes Jesus: Vinde e jantai. E nenhum dos discípulos ousava perguntar-lhe: Quem és tu? Sabendo que era o Senhor.
13 Jezus nu kwam en nam het brood en gaf het hun, en evenzoo den visch.
13 Chegou, pois, Jesus, e pegou o pão, e deu-lho, e, semelhantemente, o peixe.
14 Dit was nu de derde keer dat Jezus aan de discipelen verschenen is, nadat Hij uit de dooden was verrezen.
14 Foi esta a terceira vez que Jesus mostrou-se aos seus discípulos, depois de ter ressuscitado dos mortos.
15 Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, Jonas zoon, bemint gij Mij meer dan dezen? — Hij zeide tot Hem: Ja, Heere! Gij weet dat ik U bemin! — Jezus zeide tot hem: Weid mijn lammeren!
15 Assim, tendo eles jantado, disse Jesus a Simão Pedro: Simão, filho de Jonas, tu me amas mais do que estes? E ele respondeu: Sim, Senhor; tu sabes que eu te amo. Ele disse-lhe: Apascenta os meus cordeiros.
16 Wederom zeide Jezus tot hem voor den tweeden keer: Simon, Jonas zoon, bemint gij Mij? — Hij zeide tot Hem: Ja Heere! Gij weet dat ik U bemin! — Jezus zeide tot hem: Hoed mijn schapen!
16 Ele disse novamente pela segunda vez: Simão, filho de Jonas, tu me amas? Ele disse-lhe: Sim, Senhor; tu sabes que eu te amo. Ele disse-lhe: Apascenta as minhas ovelhas.
17 Jezus zeide tot hem voor den derden keer: Simon Jonas zoon, bemint gij Mij? — Petrus werd bedroefd, omdat Hij voor den derden keer tot hem zeide: Bemint gij Mij? — en hij zeide tot Hem: Heere, Gij weet alles, Gij weet dat ik U bemin! — Jezus zeide tot hem: Weid mijn schapen!
17 Ele disse-lhe pela terceira vez: Simão, filho de Jonas, tu me amas? Pedro entristeceu-se por ele lhe ter dito na terceira vez: Tu me amas? E ele disse-lhe: Senhor, tu sabes todas as coisas, tu sabes que eu te amo. Jesus disse-lhe: Apascenta as minhas ovelhas.
18 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Toen gij jonger waart zoo gordet gij zelven en gij wandeldet waar gij wildet; maar als gij oud zult geworden zijn, dan zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en u brengen waar gij niet wilt!
18 Na verdade, na verdade eu te digo: Quando tu eras jovem, te cingias a ti mesmo, e andavas por onde querias; mas, quando envelheceres, estenderás as tuas mãos, e outro te cingirá, e te levará para onde tu não queiras.
19 Dit nu zeide Hij om te kennen te geven met hoedanigen dood hij God zou de glorie geven. En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij na!
19 E falou isso, significando com que morte havia ele de glorificar a Deus. E, tendo falado isso, disse-lhe: Segue-me.
20 En toen Petrus zich omkeerde, zag hij den discipel volgen, dien Jezus beminde, die ook bij den maaltijd aan zijn borst lag en zeide: Heere, wie is hij die u verraadt?
20 Então Pedro, voltando-se, viu que o seguia aquele discípulo a quem Jesus amava, e que também se reclinara sobre o seu peito na ceia, e que dissera: Senhor, quem é que te há de trair?
21 Toen Petrus dan dezen zag zeide hij tot Jezus: Heere, wat zal van dezen geworden?
21 Vendo Pedro a este, disse a Jesus: Senhor, e o que fará a este homem?
22 Jezus zeide tot hem: Zoo Ik wil dat hij blijve totdat Ik kom, — wat raakt u dat? volg gij Mij?
22 Disse-lhe Jesus: Se eu quero que ele fique até que eu venha, o que é isso para ti? Segue-me tu.
23 Dit gerucht dan liep onder de broeders dat die discipel niet zou sterven. — Doch Jezus had tot hem niet gezegd dat hij niet sterven zou, maar: Zoo Ik wil dat hij blijve totdat Ik kom, wat raakt u dat?
23 Então, divulgou-se entre os irmãos este dito, que aquele discípulo não havia de morrer; Jesus, porém, não lhe disse que não morreria, mas: Se eu quero que ele fique até que eu venha, o que é isso para ti?
24 Deze is de discipel die getuigenis geeft van deze dingen, en ze geschreven heeft, en wij weten dat zijn getuigenis waarachtig is.
24 Este é o discípulo que testifica dessas coisas e escreveu estas coisas, e nós sabemos que o seu testemunho é verdadeiro.
25 Er zijn ook nog veel andere dingen, die Jezus gedaan heeft, en zoo die een voor een geschreven werden, ik meen dat zelfs de wereld de geschreven boeken niet zou bevatten.
25 E há ainda também muitas outras coisas que Jesus fez, as quais, se cada uma fosse escrita, eu suponho que nem ainda o mundo todo poderia conter os livros que seriam escritos. Amém.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 21, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.