João 1

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
1 No começo aquele que é a Palavra já existia. Ele estava com Deus e era Deus.
2 Dit was in den beginne bij God.
2 Desde o princípio, a Palavra estava com Deus.
3 Alle dingen zijn door datzelve geworden, en zonder dat is niets geworden van al wat er geworden is.
3 Por meio da Palavra, Deus fez todas as coisas, e nada do que existe foi feito sem ela.
4 In hetzelve was Leven; en het Leven was het Licht der menschen.
4 A Palavra era a fonte da vida, e essa vida trouxe a luz para todas as pessoas.
5 En het Licht schijnt in de duisternissen de duisternis heeft het niet begrepen.
5 A luz brilha na escuridão, e a escuridão não conseguiu apagá-la.
6 Er was een mensch, van God gezonden; zijn naam was Johannes.
6 Houve um homem chamado João, que foi enviado por Deus
7 Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat allen door hem zouden gelooven.
7 para falar a respeito da luz. Ele veio para que por meio dele todos pudessem ouvir a mensagem e crer nela.
8 Die was het Licht niet maar kwam om van het Licht te getuigen.
8 João não era a luz, mas veio para falar a respeito da luz,
9 Dat was het waarachtige Licht, dat, komende tot de wereld, iederen mensch verlicht.
9 a luz verdadeira que veio ao mundo e ilumina todas as pessoas.
10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend.
10 A Palavra estava no mundo, e por meio dela Deus fez o mundo, mas o mundo não a conheceu.
11 Tot het zijne kwam Hij, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.
11 Aquele que é a Palavra veio para o seu próprio país, mas o seu povo não o recebeu.
12 Maar zoovelen als Hem hebben aangenomen, dien heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, aan hen die in zijn Naam gelooven;
12 Porém alguns creram nele e o receberam, e a estes ele deu o direito de se tornarem filhos de Deus.
13 die niet uit den bloede, noch uit den wille des vleesches, noch uit den wille des mans, maar uit God geboren zijn.
13 Eles não se tornaram filhos de Deus pelos meios naturais, isto é, não nasceram como nascem os filhos de um pai humano; o próprio Deus é quem foi o Pai deles.
14 En het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons woning gemaakt; en wij hebben zijn glorie aanschouwd, een glorie als van den Eeniggeborene bij den Vader, vol van genade en waarheid.
14 A Palavra se tornou um ser humano e morou entre nós, cheia de amor e de verdade. E nós vimos a revelação da sua natureza divina, natureza que ele recebeu como Filho único do Pai.
15 Johannes getuigde van Hem en heeft uitgeroepen, zeggende: Deze was het van wien ik zeide: Die achter mij komt, is vóór mij geworden, want Hij was eer dan ik.
15 João disse o seguinte a respeito de Jesus: — Este é aquele de quem eu disse: “Ele vem depois de mim, mas é mais importante do que eu, pois antes de eu nascer ele já existia.”
16 Want uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en dat genade voor genade.
16 Porque todos nós temos sido abençoados com as riquezas do seu amor, com bênçãos e mais bênçãos.
17 Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus geworden.
17 A lei foi dada por meio de Moisés, mas o amor e a verdade vieram por meio de Jesus Cristo.
18 Niemand heeft ooit God gezien; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem bekend gemaakt.
18 Ninguém nunca viu Deus. Somente o Filho único, que é Deus e está ao lado do Pai, foi quem nos mostrou quem é Deus.
19 En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden priesters en levieten van Jerusalem tot hem afzonden, om hem te vragen: Gij, wie zijt gij?
19 Os líderes judeus enviaram de Jerusalém alguns sacerdotes e levitas para perguntarem a João quem ele era.
20 En hij beleed en loochende niet, en beleed: Ik ben de Christus niet!
20 João afirmou claramente: — Eu não sou o
21 En zij vroegen hem: Wat dan? zijt gij Elias? En hij zeide: Ik ben die niet! Zijt gij dan de profeet? En hij antwoordde: Neen!
21 Eles tornaram a perguntar: — Então, quem é você? Você é Elias? — Não, eu não sou! — respondeu João. — Você é o — Não! — respondeu ele.
22 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij, opdat wij antwoord mogen geven aan degenen die ons gezonden hebben? Wat zegt gij van u zelven?
22 Aí eles disseram a João: — Diga quem é você para podermos levar uma resposta aos que nos enviaram. O que é que você diz a respeito de você mesmo?
23 En hij zeide: Ik ben de stem van een die roept in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht! zooals Jesaja de profeet heeft gezegd.
23 João respondeu, citando o profeta Isaías: — “Eu sou aquele que grita assim no deserto: preparem o caminho para o Senhor passar.”
24 En de afgezondenen waren uit de fariseërs.
24 Os que foram enviados eram do grupo dos fariseus ;
25 En zij vroegen hem en zeiden tot hem: Wat doopt gij dan, als gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet?
25 eles perguntaram a João: — Se você não é o Messias, nem Elias, nem o Profeta que estamos esperando, por que é que você batiza?
26 En Johannes antwoordde hun en zeide: Ik doop met water; doch midden onder u staat Hij dien gij niet kent.
26 João respondeu: — Eu batizo com água, mas no meio de vocês está alguém que vocês não conhecem.
27 Deze is het die achter mij komt, die vóór mij geworden is, dien ik niet waardig ben zijn schoenriem los te maken!
27 Ele vem depois de mim, mas eu não mereço a honra de desamarrar as correias das sandálias dele.
28 Deze dingen zijn geschied in Bethanië, aan de overzijde van den Jordaan, waar Johannes was doopende.
28 Isso aconteceu no povoado de Betânia, no lado leste do rio Jordão, onde João estava batizando.
29 Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komen en zeide: Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt!
29 No dia seguinte, João viu Jesus vindo na direção dele e disse: — Aí está o Cordeiro de Deus, que tira o pecado do mundo!
30 Deze is het van wien ik zeide: Achter mij komt een man, die vóór mij is geworden, want Hij was eer dan ik.
30 Eu estava falando a respeito dele quando disse: “Depois de mim vem um homem que é mais importante do que eu, pois antes de eu nascer ele já existia.”
31 En ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël zou bekend worden, daarom ben ik komen doopen met water.
31 Eu mesmo não sabia quem ele era, mas vim, batizando com água para que o povo de Israel saiba quem ele é.
32 En Johannes getuigde en zeide: Ik heb den Geest uit den hemel zien nederdalen als een duive, en Hij bleef op Hem.
32 João continuou: — Eu vi o Espírito descer do céu como uma pomba e parar sobre ele.
33 En ik kende Hem niet, maar die mij gezonden heeft om met water te doopen, die had tot mij gezegd: Op wien gij den Geest zult zien nederdalen en blijven, die is het die doopt met den Heiligen Geest.
33 Eu não sabia quem ele era, mas Deus, que me mandou batizar com água, me disse: “Você vai ver o Espírito descer e parar sobre um homem. Esse é quem batiza com o Espírito Santo.”
34 En ik heb gezien en getuigd dat deze is de Zoon van God!
34 E eu vi isso e por esse motivo tenho declarado que ele é o Filho de Deus.
35 Des anderen daags stond Johannes daar weder en twee van zijn discipelen.
35 No dia seguinte, João estava outra vez ali com dois dos seus discípulos.
36 En hij zag Jezus daar wandelen en zeide: Zie, het Lam Gods!
36 Quando viu Jesus passar, disse: — Aí está o Cordeiro de Deus!
37 En die twee discipelen hoorden hem dat zeggen en zij volgden Jezus.
37 Quando os dois discípulos de João ouviram isso, saíram seguindo Jesus.
38 En Jezus keerde zich om en ziende dat zij Hem volgden, zeide Hij tot hen: Wat zoekt gij?
38 Então Jesus olhou para trás, viu que eles o seguiam e perguntou: Eles perguntaram: — Rabi, onde é que o senhor mora? (“Rabi” quer dizer “mestre”.)
39 Zij nu zeiden tot Hem: Rabbi, (dat wil zeggen: Meester) waar woont Gij?
39 — Venham ver! — disse Jesus. Então eles foram, viram onde Jesus estava morando e ficaram com ele o resto daquele dia. Isso aconteceu mais ou menos às quatro horas da tarde.
40 Hij zeide tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen dan en zagen waar Hij woonde. En zij bleven dien dag bij Hem. Het was omtrent de tiende ure.
40 André, irmão de Simão Pedro, era um dos dois homens que tinham ouvido João falar a respeito de Jesus e por isso o haviam seguido.
41 Andreas, de broeder, van Simon Petrus, was een van de twee die het van Johannes gehoord hadden en Jezus gevolgd waren.
41 A primeira coisa que André fez foi procurar o seu irmão Simão e dizer a ele: — Achamos o
42 Deze nu vond eerst zijn eigen broeder Simon en zeide tot hem: Wij hebben den Messias gevonden, (dat wil zeggen: Den Christus.)
42 Então André levou o seu irmão a Jesus. Jesus olhou para Simão e disse:
43 Hij leidde hem tot Jezus. En Jezus hem ziende zeide tot hem: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; gij zult genoemd worden Kefas, (dat wil zeggen: Petrus.)
43 No dia seguinte, Jesus resolveu ir para a região da Galileia. Antes de ir, foi procurar Filipe e disse:
44 Des anderen daags wilde Jezus naar Galilea vertrekken, en vond Filippus; en Jezus zeide tot hem: Volg Mij!
44 Filipe era de Betsaida, de onde eram também André e Pedro.
45 Filippus nu was van Bethsaïda, de stad van Andreas en Petrus.
45 Filipe foi procurar Natanael e disse: — Achamos aquele a respeito de quem Moisés escreveu no
46 Filippus vond Nathanaël en zeide tot hem: Waar Mozes in de wet van geschreven heeft en de profeten, dien hebben wij gevonden, Jezus, Jozefs zoon van Nazaret.
46 Natanael perguntou: — E será que pode sair alguma coisa boa de Nazaré? — Venha ver! — respondeu Filipe.
47 En Nathanaël zeide tot hem: Uit Nazaret kan er wat goeds komen? Filippus zeide tot hem: Kom en zie!
47 Quando Jesus viu Natanael chegando, disse a respeito dele:
48 Jezus zag Nathanaël tot zich komen en zeide van hem: Ziedaar waarlijk een Israëliet, in wien geen bedrog is!
48 Então Natanael perguntou a Jesus: — De onde o senhor me conhece? Jesus respondeu:
49 Nathanaël zeide tot Hem: Vanwaar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Vóór dat Filippus u riep, toen gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u.
49 Então Natanael exclamou: — Mestre, o senhor é o Filho de Deus! O senhor é o Rei de Israel!
50 Nathanaël antwoordde Hem: Rabbi, Gij zijt de Zone Gods! Gij zijt de Koning Israëls!
50 Jesus respondeu:
51 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik tot u gezegd heb dat Ik u onder den vijgeboom zag, daarom gelooft gij? — Grootere dingen dan deze zult gij zien!En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Gij zult den hemel geopend zien en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen.
51 Eu afirmo a vocês que isto é verdade: vocês verão o céu aberto e os anjos de Deus subindo e descendo sobre o

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 1, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.