João 15
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ
BKJ BKJ
1 Ik ben de ware Wijnstok, en mijn Vader is de Landman.
1 Eu sou a videira verdadeira, e o meu Pai é o lavrador.
2 Alle ranke in Mij, die een vrucht draagt, die neemt Hij weg, en al die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
2 Todo ramo em mim que não dá fruto, ele tira, e todo ramo que carrega fruto, ele limpa, para que possa trazer mais fruto.
3 Gijlieden zijt al rein, om het woord dat Ik tot u gesproken heb.
3 Agora vós estais limpos pela palavra que eu vos disse.
4 Blijft in Mij, en Ik in u. Evenals de ranke geen vrucht kan dragen uit zich zelve, als zij niet blijft in den wijnstok, alzoo ook gij niet, als gij in Mij niet blijft.
4 Permanecei em mim, e eu em vós. Como o ramo não pode dar fruto por si mesmo, a não ser que permaneça na videira, assim também vós não podeis, a não ser que permaneçais em mim.
5 Ik ben de Wijnstok; gij zijt de ranken. Die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, omdat gij zonder Mij niets kunt doen.
5 Eu sou a videira, vós sois os ramos; quem permanece em mim, e eu nele, esse dá muito fruto; porque sem mim nada podeis fazer.
6 Als iemand niet in Mij blijft, die wordt buiten geworpen, zooals de ranke, en verdroogt; en men vergadert ze en werpt ze in het vuur, en zij verbrandt.
6 Se alguém não permanece em mim, ele é lançado fora como um ramo, e murcha; e homens os recolhem, e os lançam no fogo, e eles são queimados.
7 Zoo gij in Mij blijft en mijn woorden blijven in u, zoo wat gij wilt, moogt gij begeeren, en het zal u geschieden.
7 Se vós permanecerdes em mim, e as minhas palavras permanecerem em vós, pedireis o que quiserdes, e vos será feito.
8 Hierin ontvangt mijn Vader de glorie, dat gij veel vrucht draagt, en gij zult mijn discipelen worden.
8 Nisto é glorificado o meu Pai, que deis muito fruto; e assim sereis meus discípulos.
9 Gelijk de Vader Mij heeft bemind, heb Ik ook u bemind. Blijft gij in mijn liefde!
9 Como o Pai me amou, assim também eu vos amei; permanecei no meu amor.
10 Als gij mijn geboden onderhoudt, dan blijft gij in mijn liefde, gelijk ook Ik mijns Vaders geboden onderhouden heb, en blijf in zijn liefde.
10 Se vós guardardes os meus mandamentos, permanecereis no meu amor, do mesmo modo como eu tenho guardado os mandamentos de meu Pai, e permaneço no seu amor.
11 Dit heb Ik tot u gesproken opdat mijn blijdschap in u zij, en uw blijdschap volkomen worde.
11 Estas coisas vos tenho dito para que a minha alegria permaneça em vós, e para que a vossa alegria seja completa.
12 Dit is mijn gebod, dat gij elkander bemint zooals Ik u bemind heb.
12 Este é meu mandamento: Que vos ameis uns aos outros, assim como eu vos amei.
13 Grooter liefde heeft niemand dan deze, dat hij zijn leven stelt voor zijn vrienden!
13 Ninguém tem maior amor do que este, de algum homem entregar a sua vida pelos seus amigos.
14 Gij zijt vrienden van Mij, als gij doet wat Ik u gebied.
14 Vós sois meus amigos, se fizerdes o que eu vos mando.
15 Ik noem u geen dienstknechten meer, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, want al wat Ik heb gehoord van den Vader, dat heb Ik u bekend gemaakt.
15 Já não vos chamo servos, porque o servo não sabe o que faz o seu senhor; mas eu tenho-vos chamado amigos, porque todas as coisas que eu ouvi de meu Pai vos tenho feito conhecer.
16 Niet gij hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb ulieden uitverkoren, en u gesteld opdat gij zoudt heengaan, en vrucht dragen, en dat uw vrucht zou blijven, opdat, wat gij ook van den Vader zoudt begeeren in mijn Naam, Hij u dat geve.
16 Não fostes vós que me escolhestes, mas eu escolhi a vós, e vos designei, para que vades e deis fruto, e para que o vosso fruto permaneça; para que tudo quanto pedirdes ao Pai em meu nome, ele vos dê.
17 Dit gebied Ik u, opdat gij malkander bemint.
17 Estas coisas vos mando, que vos ameis uns aos outros.
18 Als de wereld u haat, weet dan dat zij Mij eer gehaat heeft, dan u.
18 Se o mundo vos odeia, sabei que me odiou antes de odiar a vós.
19 Als gij uit de wereld waart, dan zou de wereld het hare beminnen; maar omdat gij uit de wereld niet zijt, maar Ik u heb uitverkoren uit de wereld, daarom haat u de wereld.
19 Se fôsseis do mundo, o mundo amaria o que era seu, mas, porque não sois do mundo, antes eu vos escolhi do mundo, por isso é que o mundo vos odeia.
20 Weest mijn woord indachtig dat Ik tot u gesproken heb: Een dienstknecht is niet meer dan zijn heer. Als zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen; als zij mijn woord bewaard hebben, zullen zij ook het uwe bewaren.
20 Lembrai-vos da palavra que eu vos disse: O servo não é maior do que o seu senhor. Se eles perseguiram a mim, também perseguirão a vós; se guardaram a minha palavra, também guardarão a vossa.
21 Maar dit alles zullen zij doen tegen u om mijn Naam, omdat zij Hem niet kennen die Mij gezonden heeft.
21 Mas todas essas coisas vos farão por causa do meu nome, porque eles não conhecem aquele que me enviou.
22 Als Ik niet was gekomen en tot hen had gesproken, dan hadden zij geen zonde gehad. Maar nu hebben zij geen verontschuldiging voor hun zonde.
22 Se eu não viera e nem lhes houvera falado, eles não teriam pecado; mas agora não têm capa para o seu pecado.
23 Die Mij haat, haat ook mijn Vader.
23 Aquele que me odeia, também odeia ao meu Pai.
24 Als Ik onder hen de werken niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, dan hadden zij geen zonde gehad. Maar nu hebben zij ze gezien, en toch Mij en mijn Vader gehaat.
24 Se entre eles eu não tivesse feito tais obras, as quais nenhum outro homem fez, eles não teriam pecado. Mas agora, tanto viram quanto odiaram, tanto a mim como ao meu Pai.
25 Maar dit geschiedt opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet is geschreven: Zij hebben Mij gehaat zonder reden.
25 Mas isso aconteceu para que se cumpra a palavra que está escrita na sua lei: Eles me odiaram sem motivo.
26 Maar als de Bijstand zal gekomen zijn, dien Ik u zal zenden van den Vader, den Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal getuigenis geven van Mij;
26 Mas, quando vier o Consolador, que eu vos enviarei da parte do Pai, o Espírito da verdade, que procede do Pai, ele dará testemunho de mim;
27 en ook gij zult getuigenis geven, omdat gij van den beginne met Mij zijt.
27 e vós também dareis testemunho, porque estais comigo desde o princípio.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 15, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.