João 13

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 Voor het Paaschfeest nu, wetende dat zijn ure was gekomen om uit deze wereld over te gaan tot den Vader, heeft Jezus, de zijnen die in de wereld waren bemind hebbende, hen bemind tot het einde.
1 Ora, antes da festa da páscoa, sabendo Jesus que era chegada a sua hora de partir deste mundo para o Pai, e havendo amado os seus próprios que estavam no mundo, ele amou-os até o fim.
2 En onder den maaltijd, toen de duivel aan Judas, Simons zoon Iskariot, reeds in het hart gegeven had om Hem te verraden,
2 E, terminada a ceia, tendo já o diabo posto no coração de Judas Iscariotes, filho de Simão, que o traísse,
3 en wetende dat de Vader Hem alle dingen in de handen had gegeven, en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging,
3 Jesus, sabendo que o Pai lhe entregara todas as coisas em suas mãos, e que havia saído de Deus, e que ia para Deus,
4 stond Jezus op van den maaltijd en leide zijn kleederen af, en Hij nam een linnen doek en bond dien om zijn midden.
4 levantou-se da ceia, colocou de lado as suas vestes e, tomando uma toalha, cingiu-se.
5 Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten der discipelen te wasschen en af te droogen met den linnen doek, dien Hij om zijn midden had.
5 Depois, ele pôs água em uma bacia, e começou a lavar os pés dos discípulos, e a limpá-los com a toalha com a qual se cingia.
6 Hij kwam dan tot Simon Petrus. Die zeide tot Hem: Heere! Gij zult mij de voeten wasschen?
6 Aproximou-se, então, de Simão Pedro; e Pedro lhe disse: Senhor, tu lavarás os meus pés?
7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe weet gij nu niet, maar hierna zult gij het verstaan!
7 Respondeu Jesus e disse-lhe: O que eu faço, tu não o sabes agora, mas depois tu saberás.
8 Petrus zeide tot Hem: Mij zult Gij de voeten niet wasschen in eeuwigheid! — Jezus antwoordde hem: Als Ik u niet wassche, dan hebt gij geen deel met Mij!
8 Disse-lhe Pedro: Tu nunca lavarás os meus pés. Respondeu-lhe Jesus: Se eu não lavá-los, tu não tens parte comigo.
9 Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, niet mijn voeten alleen, maar ook de handen en het hoofd!
9 Disse-lhe Simão Pedro: Senhor, não só os meus pés, mas também minhas mãos e a minha cabeça.
10 Jezus zeide tot hem: Die een bad genomen heeft, heeft niet noodig dan zich de voeten te laten wasschen, maar is dan geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen.
10 Disse-lhe Jesus: Aquele que se lavou não necessita de lavar senão seus pés, porque no mais está todo limpo; e vós estais limpos, mas não todos.
11 Want Hij kende dengene die Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein.
11 Porque ele sabia quem o havia de trair; por isso, disse: Nem todos estais limpos.
12 Toen Hij dan hun voeten gewasschen en zijn kleederen genomen had en wederom aanzat, zeide Hij tot hen: Verstaat gij wat Ik u gedaan heb?
12 Assim, após ter lavado os seus pés, tomou as suas vestes, e se assentando outra vez, ele disse-lhes: Entendeis o que eu vos tenho feito?
13 Gij noemt Mij den Meester en den Heer, en gij zegt dit te recht, want Ik ben het.
13 Vós me chamais Mestre e Senhor; e dizeis bem, porque eu o sou.
14 Maar als Ik, de Heer en de Meester, u dan de voeten heb gewasschen, dan zijt ook gij verplicht malkander de voeten te wasschen.
14 Se, então, seu Senhor e Mestre vos lavou os pés, vós deveis também lavar os pés uns dos outros.
15 Een voorbeeld toch heb Ik u gegeven, opdat ook gij doet zooals Ik aan u gedaan heb.
15 Porque eu vos dei um exemplo, para que, como eu vos fiz, façais vós também.
16 Voorwaar, voorwaar Ik zeg ulieden: Een dienstknecht is niet meer dan zijn heer, en een gezant niet meer dan hij die hem gezonden heeft.
16 Na verdade, na verdade eu vos digo: O servo não é maior do que o seu senhor, nem o enviado maior do que aquele que o enviou.
17 Zoo gij deze dingen weet, zalig zijt gij als gij ze doet.
17 Se sabeis essas coisas, felizes são os que as praticam.
18 Niet van u allen spreek Ik; Ik weet wie Ik heb uitverkoren; maar de Schrifture moet vervuld worden: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij achteruit geslagen.
18 Eu não falo de todos vós, eu conheço aqueles que escolhi; mas para que possa se cumprir a escritura: O que come o pão comigo levantou contra mim o seu calcanhar.
19 Van nu af zeg Ik het ulieden, vóórdat het geschiedt, opdat gij gelooft, wanneer het geschiedt, dat Ik het ben.
19 Agora eu vos digo antes que aconteça, para que, quando acontecer, creiais que Eu Sou Ele.
20 Voorwaar, voorwaar Ik zeg ulieden: Die ontvangt dengene dien Ik zenden zal, die ontvangt Mij, en die Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.
20 Na verdade, na verdade eu vos digo: Quem receber aquele que eu enviar, a mim recebe; e quem me recebe, recebe aquele que me enviou.
21 Toen Jezus dit gezegd had ontroerde Hij naar den geest, en getuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar Ik zeg ulieden, dat een uit u Mij verraden zal!
21 Tendo Jesus dito isso, turbou-se em espírito, e testificou, dizendo: Na verdade, na verdade eu vos digo que um de vós há de me trair.
22 De discipelen zagen op malkander, niet wetende van wien Hij sprak.
22 Então, os discípulos olhavam uns para os outros, duvidosos sobre de quem ele falava.
23 Een uit zijn discipelen nu lag in den schoot van Jezus, dien Jezus liefhad.
23 Ora, achava-se reclinado sobre o peito de Jesus um de seus discípulos, aquele a quem Jesus amava.
24 Simon Petrus dan gaf dezen een wenk en zeide tot hem: Zeg, wie is het van wien Hij spreekt?
24 Simão Pedro, portanto, acenou para ele, para perguntar quem era aquele de quem ele falava.
25 Deze dan leunende aan de borst van Jezus, zeide tot Hem: Heere, wie is het?
25 E, inclinando-se ele sobre o peito de Jesus, disse-lhe: Senhor, quem é este?
26 Jezus antwoordde: Die is het, wien Ik de bete zal indoopen en hem geven. — Hij doopte dan de bete in, en nam ze, en gaf ze aan Judas, Simons zoon Iskariot.
26 Jesus respondeu: Ele é, aquele a quem eu der o bocado que eu mergulhei. E quando ele mergulhou o bocado, deu-o a Judas Iscariotes, filho de Simão.
27 En na de bete, toen voer de Satan in dezen. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het spoedig!
27 E, após o bocado, entrou nele Satanás. Então, disse Jesus: O que tu fazes, faze-o depressa.
28 Doch niemand der aanliggenden verstond waartoe Hij hem dat zeide.
28 Ora, nenhum homem na mesa sabia para que intenção lhe falara isso.
29 Want sommigen meenden, omdat Judas de kas hield, dat Jezus tot hem zeide: Koop wat wij voor het feest van noode hebben, of, dat hij den armen wat zou geven.
29 Porque alguns deles pensavam que, como Judas tinha a bolsa, Jesus lhe tinha dito: Compra as coisas que nos são necessárias para a festa, ou que desse algo aos pobres.
30 Hij dan, de bete genomen hebbende, ging spoedig uit. — En het was nacht.
30 Ele então tendo recebido o bocado, saiu imediatamente; e era noite.
31 Toen hij dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu heeft de Zoon des menschen de glorie ontvangen, en God heeft in Hem de glorie ontvangen.
31 Portanto, tendo ele saído, disse Jesus: Agora é glorificado o Filho do homem, e Deus é glorificado nele.
32 Als God in Hem de glorie heeft ontvangen, dan zal God Hem ook in zich zelven de glorie doen ontvangen, en zal Hem terstond de glorie doen ontvangen!
32 Se Deus é glorificado nele, também Deus o glorificará em si mesmo, e imediatamente o glorificará nele.
33 Kinderkens! nog een korten tijd ben Ik met ulieden. Gij zult Mij zoeken, en gelijk Ik den Joden gezegd heb: Waar Ik heenga kunt gij niet komen, zoo zeg Ik het nu ook aan ulieden!
33 Filhinhos, ainda por um pouco eu estou convosco. Vós me buscareis; e como eu disse aos judeus: Para onde eu vou não podeis vós ir; eu também agora vos digo.
34 Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij malkander bemint; dat gij malkander bemint zooals Ik ulieden bemind heb.
34 Um novo mandamento eu vos dou: Que vos ameis uns aos outros; assim como eu vos amei, que vós também vos ameis uns aos outros.
35 Hierdoor zullen allen bekennen dat gij mijn discipelen zijt, als gij liefde hebt onder malkander.
35 Nisto todos os homens conhecerão que sois meus discípulos, se tiverdes amor uns aos outros.
36 Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde: Waar Ik heenga kunt gij Mij nu niet volgen, maar later zult gij Mij volgen.
36 Disse-lhe Simão Pedro: Senhor, para onde tu vais? Jesus lhe respondeu: Para onde eu vou, tu agora não podes me seguir, mas depois me seguirás.
37 Petrus zeide tot Hem: Heere! waarom kan ik U nu niet volgen? mijn leven zal ik voor U stellen!
37 Disse-lhe Pedro: Senhor, por que eu não posso seguir-te agora? Por ti darei a minha vida.
38 Jezus antwoordde: Gij zult uw leven voor Mij stellen? — voorwaar, voorwaar Ik zeg u: De haan zal niet kraaien voordat Gij Mij driemaal verloochend hebt!
38 Respondeu-lhe Jesus: Tu darás a tua vida por minha causa? Na verdade, na verdade eu te digo: Não cantará o galo até que me tenhas negado por três vezes.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 13, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.