Apocalipse 7

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs AAI

Sair da comparação
AAI TUR GEWASIN O BAIBASIT BOUBUN
1 En daarna zag ik vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde terug hielden, opdat er geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch op eenigen boom.
1 Naatu ayu tounamatar etei kwafe’en tafaram umasusun kwafe’en imaim hibatabat aitih, bebeh hitatar yourabad hai ef etei hifut, saise yourabad men kamar yan nababin nanunuw o riy yan nababin nanunuw o kutor nababin ai hinare’emih.
2 En ik zag een anderen engel opkomen van den opgang der zon, die het zegel van den levenden God had, en hij riep met een groote stem tot de vier engelen aan wie de macht gegeven was om de aarde en de zee te beschadigen,
2 Naatu tounamatar ta veya yeninane yen nan aitin, God wanatowanin ana kwah bai auman. Fanan aumetawat tounamatar nah kwafe’en me naatu riy bai’afiyin isan ana fair hibai hima’am isah e’af,
3 zeggende: beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de boomen, totdat wij de dienaren van onzen God zullen verzegeld hebben op hun voorhoofden!
3 “Me, riy naatu ai men kwani’afiyih, kwanama nanan aki God ana akir wairafih nakwetah anikwahenabo.”
4 En ik hoorde het getal der verzegelden: honderd vier en veertig duizend, verzegelden uit elken stam der zonen Israels.
4 Imaibo ayu sabuw bai’ab nah hibikwahen hio anowar, sabuw etei i 144,000 nah hikwahen, nati sabuw i Israel wanawanan big ta ta etei.
5 Uit den stam van Juda twaalf duizend verzegelden; uit den stam van Ruben twaalf duizend; uit den stam van Gad twaalf duizend;
5 Judah ana bigane 12,000 nah hikwahen,
6 Uit den stam van Aser twaalf duizend; uit den stam van Naftali twaalf duizend; uit den stam van Manasse twaalf duizend;
6 Asher ana bigane 12,000
7 uit den stam van Simeon twaalf duizend; uit den stam van Levi twaalf duizend; uit den stam van Issaschar twaalf duizend;
7 Simeon ana bigane 12,000
8 uit den stam van Zebulon twaalf duizend; uit den stam van Jozef twaalf duizend; uit den stam van Benjamin twaalf duizend verzegelden.
8 Zebulun ana bigane 12,000
9 Na dezen zag ik, en ziet, een groote menigte, die niemand tellen kon, uit alle volk, en stammen, en natiën en talen, staande voor den troon en voor het Lam, gekleed in witte overkleederen, en palmtakken waren in hun handen.
9 Iti ufunamaim anuwanuw nau’umaim kou’ay gagamin na’in men karam boro taniyab, tafaram tutufin etei wanawanan, tafaram ta ta, big ta ta, biyah ta ta, tur ta ta etei urama’ama nanamaim naatu Lamb nanamaim hai faifuw kwes hi’osen umah rabod rourih hibow hibatabat aitih.
10 En zij riepen met een groote stem, zeggende: de verlossing zij onzen Gode die op den troon zit, en het Lam!
10 Naatu fanah aumetawat na’in hiwow hio,
11 En al de engelen stonden rond den troon en rond de ouderlingen en de vier levende wezens, en zij vielen voor den troon op hun aangezichten en aanbaden God,
11 Tounamatar tutufin etei urama’ama hi’ar bebera’uh, regaregah ai’in naatu sawar yawasih ma’anih kwafe’en hi’ar bebera’uhih hibatabat, yumatah aubabe urama’ama nanamaim hira’iy God hikwafir,
12 zeggende: Amen! De lofzegging, en de glorie, en de wijsheid, en de dankzeging, en de eerbied, en de macht, en de sterkte, zij onzen God tot in alle eeuwigheid! Amen.
12 hio, “Turobe! Bora’ara’aten, marakaw,
13 En een uit de ouderlingen antwoordde en zeide tot mij: dezen, die gekleed zijn in de witte kleederen, wie zijn ze, en vanwaar zijn ze gekomen?
13 Imaibo regaregah ai’in ta ayu ibatiyu, “Iti sabuw hai faifuw kwes hi’osen tebatabat i sabuw iyab? Naatu menane hina tebatabat?”
14 En ik zeide tot hem: heer, gij weet het! En hij zeide tot mij: dezen zijn het, die uit de groote verdrukking komen, en zij hebben hun overkleederen gewasschen, en die wit gemaakt in het bloed des Lams.
14 Ai ya’afut ao, “Regah ayu men aso’ob, baise o i iso’ob.”
15 Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in zijn tempel, en die op den troon zit zal zijn tent over hen uitspannen.
15 Isan imih
16 Zij zullen geen honger meer hebben noch dorst meer hebben, en ook zal op hen de zon niet vallen noch eenige hitte,
16 Naatu boro men kafa’imo bayumih hinamorob maiye, naatu boro men sikah namamah maiye.
17 want het Lam, dat in het midden van den troon is, zal hen weiden en zal hen leiden langs fonteinen van wateren des levens; en God zal iederen traan van hun oogen afwisschen.
17 Anayabin Lamb urama’ama yan foun tafan ema’am boro hai bonawiyenayan namatar,

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Apocalipse 7, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.