Apocalipse 3

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 En schrijf aan den engel der gemeente die in Sardis is: Dit zegt Hij die de zeven Geesten Gods heeft en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij den naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood.
1 E ao anjo da igreja de Sardes escreve: Estas coisas diz aquele que tem os sete Espíritos de Deus, e as sete estrelas: Eu conheço as tuas obras, que tens um nome, de que vives, e estás morto.
2 Zijt wakker, en versterk het overige dat gaat sterven; want ik heb uw werken niet vol gevonden voor het aangezicht van mijn God.
2 Sê vigilante e fortalece as coisas que permanecem, que estão prontas para morrer; porque eu não achei as tuas obras perfeitas diante de Deus.
3 Gedenk dan hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en doe boetvaardigheid. Indien gij dan niet zult waken, zal Ik komen als een dief, en gij zult geenszins weten in welke ure Ik u overvallen zal.
3 Lembra-te, portanto, do que tu tens recebido e ouvido, e guarda-o, e arrepende-te. Pois se tu não vigiares, eu virei a ti como um ladrão, e tu não saberás a que hora eu virei sobre ti.
4 Maar eenige weinige namen hebt gij in Sardis, die hun kleederen niet besmet hebben, en die zullen met Mij wandelen in witte kleederen, omdat zij het waardig zijn.
4 Tens uns poucos nomes em Sardes que não contaminaram as suas vestes, e eles andarão comigo de branco, pois eles são dignos.
5 De overwinnaar zal aldus in witte kleederen gekleed worden, en Ik zal zijn naam geenszins uitwisschen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor het aangezicht mijns Vaders en voor het aangezicht zijner engelen.
5 Aquele que vencer será vestido de vestes brancas, e não apagarei o seu nome do livro da vida, mas eu confessarei o seu nome diante do meu Pai, e diante de seus anjos.
6 Die een oor heeft, hij hoore wat de Geest zegt tot de gemeenten.
6 Aquele que tem ouvidos, ouça o que o Espírito diz às igrejas.
7 En schrijf aan den engel der gemeente die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opendoet en niemand zal sluiten, en die sluit en niemand doet open.
7 E ao anjo da igreja em Filadélfia, escreve: Estas coisas diz aquele que é santo, que é verdadeiro; aquele que tem a chave de Davi; que abre e nenhum homem fecha, e que fecha e nenhum homem abre:
8 Ik weet uw werken; zie, Ik heb voor uw aangezicht een geopende deur gegeven, die niemand kan sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt mijn woord bewaard, en mijn Naam niet verloochend.
8 Eu conheço as tuas obras; eis que tenho posto diante de ti uma porta aberta, e nenhum homem pode fechá-la; porque tens uma pequena força, e tens guardado a minha palavra, e não negaste o meu nome.
9 Zie, Ik geef er u uit de synagoge des Satans, van degenen die zich zelven zeggen Joden te zijn, en het niet zijn, maar liegen; zie, Ik zal hen doen komen en doen nederbuigen voor uw voeten, en zij zullen weten dat Ik u bemin.
9 Eis que eu farei aos da sinagoga de Satanás, aos que dizem ser Judeus e não o são, mas mentem; eis que eu farei com que venham e adorem diante de teus pés e saibam que te amo.
10 Omdat gij het woord mijner volharding bewaard hebt, zoo zal Ik ook u bewaren uit de ure der bekoring, die zal komen over de geheele aarde, om te bekoren degenen die op de aarde wonen.
10 Porque tu guardaste a palavra da minha paciência, eu também te guardarei da hora da tentação que virá sobre todo o mundo, para provar os que habitam sobre a terra.
11 Ik kom haastig! houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme!
11 Eis que em breve eu venho; retém o que tu tens, para que nenhum homem tome tua coroa.
12 Den overwinnaar zal Ik maken tot een pilaar in den tempel mijns Gods, en hij zal daar geenszins meer uitgaan: en Ik zal op hem schrijven den Naam mijns Gods, en den naam van de stad mijns Gods, van het nieuwe Jerusalem, dat nederdalende is uit den hemel van mijn God, en. ook mijn nieuwen Naam.
12 Aquele que vencer eu o farei uma coluna no templo do meu Deus, e ele não sairá mais de lá, e eu escreverei sobre ele o nome do meu Deus, e o nome da cidade do meu Deus, que é a nova Jerusalém, que desce do céu do meu Deus; e eu escreverei sobre ele o meu novo nome.
13 Die een oor heeft, hij hoore wat de Geest zegt tot de gemeenten.
13 Aquele que tem ouvidos, ouça o que o Espírito diz às igrejas.
14 En schrijf aan den engel der gemeente die in Laodicea is: Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods:
14 E ao anjo da igreja dos Laodicenses escreve: Estas coisas diz o Amém, a fiel e verdadeira testemunha, o princípio da criação de Deus:
15 Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt noch heet. Och, dat gij koud waart of heet!
15 Eu conheço as tuas obras, que não és nem frio nem quente. Eu gostaria que fosses frio ou quente.
16 Zoo dan, omdat gij lauw zijt, en noch heet noch koud, Ik zal u uit mijn mond spuwen.
16 Então, como tu és morno; e nem frio, nem quente, vomitar-te-ei da minha boca.
17 Want gij zegt: ik ben rijk en verrijkt, en ik heb aan niets gebrek; en gij weet niet dat gij zijt de ellendige en ongelukkige, en arme en blinde en naakte.
17 Porque tu dizes: Eu sou rico, e cheio de bens, não tenho necessidade de nada; e não sabes que és um desgraçado, e miserável, e pobre, e cego e nu.
18 Ik raad u van Mij te koopen goud, dat door vuur beproefd is, opdat gij rijk wordt, en witte kleederen, opdat de schande uwer naaktheid bekleed en niet openbaar zij; en balsem om uw oogen te balsemen, opdat gij zien zoudt.
18 Aconselho-te comprar de mim ouro refinado no fogo, para que tu sejas rico; e vestes brancas, para que te vistas, e que a vergonha da tua nudez não apareça; e que unjas teus olhos com colírio, para que possas ver.
19 Ik tuchtig en straf zoovelen als Ik bemin; zijt dan ijverig en doe boetvaardigheid.
19 A todos que eu amo, eu repreendo e castigo; sê zeloso, portanto, e arrepende-te.
20 Zie, Ik sta bij de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opendoet, dan zal Ik tot hem binnen komen en met hem maaltijd houden, en hij met Mij.
20 Eis que eu estou à porta e bato; se alguém ouvir a minha voz e abrir a porta, virei a ele, e cearei com ele e ele comigo.
21 Den overwinnaar, hem zal Ik geven te zitten met Mij in mijn troon, zooals Ik ook, heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader in zijn troon.
21 Ao que vencer, permitirei que assente comigo em meu trono, assim como eu também venci e estou assentado com meu Pai em seu trono.
22 Die een oor heeft, hij hoore wat de Geest zegt tot de gemeenten.
22 Aquele que tem ouvidos, ouça o que o Espírito diz às igrejas.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Apocalipse 3, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.