Romanos 7

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Weten jullie niet, broeders en zusters – ik spreek tot mensen die de Wet kennen – dat wetten op mensen van toepassing zijn zolang ze leven?
1 Ou vocês não sabem, irmãos — pois falo aos que conhecem a lei —, que a lei tem domínio sobre uma pessoa apenas enquanto ela está viva?
2 Een gehuwde vrouw is bij wet aan haar man gebonden zolang hij leeft, maar als de man sterft, is ze ontslagen van haar wettelijke verplichtingen tegenover haar man.
2 Por exemplo, a mulher casada está ligada pela lei a seu marido, enquanto ele vive; mas, se o marido morrer, ela ficará livre da lei conjugal.
3 Als ze tijdens het leven van haar echtgenoot de vrouw van een ander zou worden, zou ze overspelig worden genoemd. Maar als haar echtgenoot sterft, is ze ontslagen van haar wettelijke verplichtingen tegenover hem. En als ze dan de vrouw van een andere man wordt, is ze niet overspelig.
3 De modo que será considerada adúltera se, enquanto o marido estiver vivo, ela se unir com outro homem. Mas, se o marido morrer, ela estará livre da lei e não será adúltera se casar com outro homem.
4 Broeders en zusters, zo is het ook met jullie. Dankzij de dood van Christus zijn ook jullie gestorven ten opzichte van de Wet en mogen jullie je met iemand anders verbinden – namelijk Hij die uit de dood is opgewekt – en je voor God inzetten.
4 Assim, meus irmãos, também vocês morreram para a lei, por meio do corpo de Cristo, para que pertençam a outro, a saber, àquele que ressuscitou dentre os mortos, a fim de que frutifiquemos para Deus.
5 Want toen we onze zondige natuur nog hadden, riep de Wet zondige verlangens bij ons op, zodat we ons inzetten voor de dood.
5 Porque, quando vivíamos segundo a carne, as paixões pecaminosas despertadas pela lei operavam em nossos membros, a fim de frutificarem para a morte.
6 Maar omdat we gestorven zijn ten opzichte van de Wet, die ons gevangen hield, zijn we ontslagen van onze verplichtingen tegenover de Wet en kunnen we dienen op de nieuwe manier, die van de Geest, in plaats van de oude manier, die van de geschreven wetten.
6 Agora, porém, estamos livres da lei, pois morremos para aquilo a que estávamos sujeitos, para que sirvamos da maneira nova, segundo o Espírito, e não da maneira antiga, segundo a letra.
7 Mogen we dan zeggen dat de Wet slecht is? Absoluut niet! Integendeel, als de Wet er niet zou zijn, zou ik niet weten wat zonde is. Ik zou niet hebben geweten wat begerigheid is als de Wet niet zou zeggen: “Wees niet begerig naar wat van een ander is”.
7 Que diremos, então? Que a lei é pecado? De modo nenhum! Mas eu não teria conhecido o pecado, a não ser por meio da lei. Porque eu não teria conhecido a cobiça, se a lei não tivesse dito: “Não cobice.”
8 De zonde maakte van het gebod gebruik om allerlei slechte verlangens bij mij op te roepen, maar zonder de Wet is de zonde machteloos.
8 Mas o pecado, aproveitando a ocasião dada pelo mandamento, despertou em mim todo tipo de cobiça. Porque, sem lei, o pecado está morto.
9 Ik leefde vroeger zonder de Wet, maar toen het gebod kwam, kwam de zonde tot leven,
9 Houve um tempo em que, sem a lei, eu vivia. Mas, quando veio o mandamento, o pecado reviveu, e eu morri.
10 en stierf ik. Het gebod dat tot het leven had moeten leiden, bleek voor mij te leiden tot de dood.
10 E verifiquei que o mandamento que me havia sido dado para vida, esse se tornou mandamento para morte.
11 De zonde maakte dus van het gebod gebruik om mij te misleiden en mij te doden.
11 Porque o pecado, aproveitando a ocasião dada pelo mandamento, me enganou e, por meio do mandamento, me matou.
12 De Wet is dus heilig en het gebod is heilig, rechtvaardig en goed.
12 Assim, a lei é santa e o mandamento é santo, justo e bom.
13 Heeft het goede dan mijn dood veroorzaakt? Absoluut niet! Maar doordat de zonde het goede gebruikte om mijn dood te veroorzaken, is duidelijk geworden wat zonde is. En zo is door middel van het gebod aangetoond hoe verschrikkelijk zonde is.
13 Então, aquilo que é bom se tornou morte para mim? De modo nenhum! Pelo contrário, o pecado, para mostrar-se como pecado, por meio de uma coisa boa causou-me a morte, a fim de que, pelo mandamento, o pecado mostrasse toda a sua força de pecado.
14 We weten dat de Wet geestelijke zaken betreft, maar ik ben stoffelijk en verslaafd aan de zonde.
14 Porque bem sabemos que a lei é espiritual. Eu, porém, sou carnal, vendido à escravidão do pecado.
15 Ik begrijp mijn gedrag niet, want hetgeen ik wil doen, doe ik niet; ik doe wat ik verafschuw.
15 Porque nem mesmo compreendo o meu próprio modo de agir, pois não faço o que prefiro, e sim o que detesto.
16 En door te doen wat ik niet wil, bevestig ik dat de Wet goed is.
16 Ora, se faço o que não quero, concordo com a lei, que é boa.
17 Het is dus niet langer mijn gedrag, maar dat van de zonde die in mij leeft.
17 Neste caso, quem faz isso já não sou eu, mas o pecado que habita em mim.
18 Want zoals ik weet leeft er in mij – dat wil zeggen: in mijn zondige natuur – niets goeds. Ik wil dus wel graag het goede doen, maar ik gedraag me niet goed.
18 Porque eu sei que em mim, isto é, na minha carne, não habita bem nenhum, pois o querer o bem está em mim, mas não o realizá-lo.
19 Ik doe namelijk niet het goede dat ik wil doen, ik doe het slechte dat ik niet wil doen.
19 Porque não faço o bem que eu quero, mas o mal que não quero, esse faço.
20 Maar als ik doe wat ik niet wil, dan ben ik niet meer degene die me zo gedraagt, maar de zonde die in mij leeft.
20 Mas, se eu faço o que não quero, já não sou eu quem o faz, e sim o pecado que habita em mim.
21 Ik bemerk dus deze wetmatigheid: wanneer ik het goede wil doen, dringt het slechte zich aan mij op.
21 Assim, encontro esta lei: quando quero fazer o bem, o mal reside em mim.
22 Diep vanbinnen verheug ik me in Gods Wet,
22 Porque, segundo o homem interior, tenho prazer na lei de Deus.
23 maar ik zie in mijn leven ook de werking van een andere wet, die in strijd is met de wet in mijn denken en ik zie dat die andere wet mij in de macht brengt van de wet van de zonde die in mijn leven actief is.
23 Mas vejo nos meus membros outra lei que, guerreando contra a lei da minha mente, me faz prisioneiro da lei do pecado que está nos meus membros.
24 O, wat ziet het er slecht voor mij uit! Wie zal mij bevrijden uit dit bestaan in de greep van de dood?
24 Miserável homem que sou! Quem me livrará do corpo desta morte?
25 God, door Jezus Christus, onze Heer! En ik dank Hem daarvoor. Enerzijds onderwerp ik me dus met mijn verstand aan Gods Wet, maar anderzijds ben ik met mijn zondige natuur onderworpen aan de wet van de zonde.
25 Graças a Deus por Jesus Cristo, nosso Senhor! De maneira que eu, de mim mesmo, com a mente, sou escravo da lei de Deus, mas, segundo a carne, sou escravo da lei do pecado.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Romanos 7, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.